Het verhaal van Marcel Teunissen

Hoe ik het liet gebeuren zonder het gedaan te hebben

Waarom de zaak-Sévèke over moet


1- Er is duidelijk sprake geweest van Trial by Media. Ik ben in de media voorafgaand aan de rechtszaak namelijk weggezet als verward, paranoïde, gestoord en zonder inlevingsvermogen en geweten. Bovendien zou een motief voor de moord ontbreken en zou ik een hele lijst van mensen hebben willen liquideren. Dat laatste bericht was eveneens afkomstig van 'bronnen rond het onderzoek' en verscheen op de ochtend van het proces(!) in de Volkskrant van 4 juli 2007. De officier van justitie speelde er ook handig op in. En ook de rechters hebben veel van die onzin integraal overgenomen. Zo wordt er meermaals met droge ogen beweerd dat er geen motief voor de moord zou zijn. Maar het is allemaal bullshit.


2- Ik heb het dossier niet ontvangen en kon me dus niet voorbereiden op het proces, en moest als gevolg daarvan het antwoord schuldig blijven op belangrijke vragen van de rechtbank. (Het procesdossier omvat zo'n 8-10 ordners, met inhoudsopgave en alles netjes en overzichtelijk geordend. Ik heb 2-3 ordners vol willekeurige, ongeordende en overbodige stukken ontvangen.)


3-De FPD-rapportage is 100% bij elkaar gelogen en had dus niet gebruikt mogen worden in de rechtszaal. Dat toont ondermeer het PBC-rapport aan. Toch speelt het een doorslaggevende rol in het vonnis en met name bij het bepalen van de strafmaat. De rechters gebruiken dat rapport namelijk om hun eigen interpretatie van het PBC-rapport te kunnen geven, waarbij ze uiteindelijk vrolijk de conclusie ('volledig toerekeningsvatbaar') naast zich neerleggen om zo levenslang te rechtvaardigen.


4-De strafmaat is juridisch gezien te hoog. Zelfs voor meervoudige moorden in combinatie met een uitgebreid strafblad en/of tenlastelegging wordt vaak genoeg geen levenslang opgelegd. Het merendeel van de daders komt er vanaf met 16-20 jaar.


5-De motivatie van het vonnis klopt van geen kanten. Levenslang wordt gemotiveerd met niet meer dan de zin: 'Hij zou weleens weer een ernstig geweldsdelict kunnen plegen'. Dat ze daarbij doelen op moord is af te leiden uit de zin: 'Ook voor bankovervallen is er gevaar'. Maar het is nergens op gebaseerd! Het bestaat alleen in de fantasie van de rechters. En is uitsluitend het gevolg van de negatieve beeldvorming. Het is ook gewoon in tegenspraak met de conclusies van het PBC-rapport: volledig toerekeningsvatbaar en dus geen recidivegevaar!

Er wordt ook gezegd dat ik 'onpeilbaar' ben en dat er 'geen invoelbaar motief' is. Maar ook dat is totale onzin. Ik ben letterlijk en figuurlijk een open boek en heb overal aan meegewerkt. En al mijn delicten komen direct of indirect voort uit mijn politieke overtuiging. En daarnaast spelen andere factoren een rol, die voor mensen met inlevingsvermogen prima invoelbaar zijn.


6-De rechters hebben me ook nog eens tot de zwaarts mogelijke straf in Nederland (en Europa) veroordeeld, alleen op basis van mijn bekentenis. Had ik niet meegewerkt en niet bekend dan hadden ze me dus helemaal niet kunnen veroordelen. Want er is verder geen enkel bewijs: er is geen DNA, geen (F)OSLO-herkenning, geen wapen, er zijn geen camerabeelden, geen vingerafdrukken, geen tapgesprekken, geen GSM-gegevens. Niets. Er ligt alleen een bekentenis. Een bekentenis die bovendien op cruciale punten niet klopt met de feiten. Je zou zelfs kunnen zeggen dat de bekentenis aantoont dat ik het niet gedaan heb.


7-De bekentenis waarop ik ben veroordeeld is een valse bekentenis. En die trek ik dan ook in.


Voor meer informatie verwijs ik naar het document Gevangenisherinneringen van een ex-anarchist, Deel III. Daarin zet ik de bovenstaande punten uitgebreid en gedocumenteerd uiteen. Zie bijvoorbeeld de website: www.hetverhaalvanmarcelteunissen.nl.


De vragen die punt 7 oproept zal ik meteen beantwoorden:

Waarom heb je dan bekend?


Toen ik na mijn arrestatie op 16 maart 2007 in Barcelona, het Europees Arrestatie Bevel te zien kreeg, wist ik dat het sowieso een hoge straf zou worden voor de bankovervallen en de acties in de jarten negentig. Als ik de moord zou bekennen zou het maar een paar jaar schelen. Daaarbij ging ik er vanuit dat je bestraft wordt voor het zwaartse delict en dat levenslang 20 jaar betekende. Dat dit alleen in Begië geldt, daar kwam ik te laat achter (ik woonde vanaf 2001 inn Antwerpen). In de gevangenis van Madrid heb ik het besluit genomen. Daarbij speelde ook een rol dat ik represailles vreesde van de anderen die bij deze zaak betrokken zijn, wanneer ik hen erbij zou betrekken. En ik hoopte door die extra paar jaar te pakken dat ze me tijdens of na detentie zouden ondersteunen. Ook maakte ik me zorgen over de gevangenis, dus ik dacht wanneer ik de moord zou bekennen, dat ik met rust gelaten zou worden. Ook mijn gemoedstoestand speelt een rol. Ik was destijds behoorlijk fatalistisch, ik had niets meer te verliezen en niets meer te winnen, bovendien voelde ik me ook verantwoordelijk voor de niet geplande dodelijke afloop.



Waarom ben je dan niet meteen in hoger beroep gegaan en kom je er nu pas mee naar buiten?


Als ze je bij de rechtbank naaien, doen ze dat bij het Hof ook. Netter geformuleerd:ik had er weinig vertrouwen in dat ik bij het Hof wel een eerlijk proces zou krijgen. De beeldvorming was in die korte tijd ook niet meer te corrigeren. Bovendien was de kans te groot dat er in hoger beroep tbs opgelegd zou worden. Want Ficq heeft er dus voor gezorgd dat er een rapportje kwam te liggen waarin ik voor gek verklaard werd. En dat rapportje, waar ze dhr. Baneke voor ingehuurd heeft, in combinatie met de negatieve beeldvorming, heeft er dus voor gezorgd dat ik niet meer in hoger beroep kon, want met tbs zou ik nog veel verder van huis zijn geweest. Want al mijn delicten komen, direct of indirect, voort uit een politieke overtuiging. Ik ben een (ex-)anarchist, geen crimineel. Dus als je je dan voor gek laat verklaren, is alles voor niets geweest. Dus ik kón niet meer in hoger beroep. 

Daarom was de enige mogelijkheid die ik nog had: de zaak te laten bezinken, mijn kritiek op het proces formuleren en mijn kant van het verhaal op papier zetten (ook in de vorm van romans), om het vervolgens openbaar te maken en zo de de feiten over de zaak bekend te maken. En tegen de tijd dat de waarheid bekend zou zijn en de fictie door mij door feiten zou zijn vervangen, zou ik een herzieningsverzoek indienen. Dat daar enige tijd overheen zou gaan, was geen probleem omdat ik toch een paar jaar moest zitten voor de bankovervallen en de acties.


Desondanks heeft het toch veel langer geduurd dan gepland. Dat komt door de tegenwerking van justitie en advocaten. Want zoals gezegd heb ik mijn dossier niet gehad. Tijdens de rechtszaak heb ik er anderhalf jaar om gevraagd. Maar Ficq bleef pijnlijk in gebreke. Pas in oktober 2010, drie jaar na de rechtszaak, kon ik beschikken over het dossier, dat ik notabene via de officier van justitie heb moeten bemachtigen. Ook moest ik zelf op zoek naar krantenartikelen en andere informatie over de zaak. Ook hier lieten advocaten het afweten. Dus voordat ik mijn kritiek op papier had staan was het eind 2011. En toen moest het de deur nog uit. En dat hield de directuer tegen. Geheel onrechtmatig overigens. Eind 2012 was er eindelijk een journalist die er aandacht aan besteedde. Maar omdat mijn advocaat geen zin had om mijn betoog kracht bij te zetten ging het hele initiatief verloren (eind 2014 bleek dat die advocaat het dossier niet eens had opgevraagd en het daarom liet afweten). Gelukkig heb ik inmiddels een zeer goede advocaat.

Configureer deze downloadwidget


En ondanks het feit dat een herziening meer dan gerechtvaardigd is, gezien de misstanden, is dat nog niet vanzelfsprekend. Het blijkt in dit land nog niet zo makkelijk om een eerlijk proces te krijgen. Daarom heb ik ook mijn bekentenis ingetrokken. Daar had ik eigenlijk mee willen wachten tot het herzieningsverzoek gehonoreerd zou zijn.

Blijft de vraag: als jij niet de doelijke schoten hebt gelost, wie dan wel? Wat is er dan wel gebeurd?


Dat is na te lezen in De Afrekening. Zie www.hetverhaalvanmarcelteunissen.nl. In het kort komt het hier op neer: ik ben bij de zaak betrokken, maar heb niet de dodelijke schoten gelost. Ik heb het wapen geleverd en de munitie, en het was de bedoeling dat het slachtoffer ontvoerd zou worden. Toen de dodelijke schoten vielen, zat ik in een auto in de Piersonstraat te wachten op nadere instructies.



De Afrekening

Het ware verhaal

Door: M.H.T.M. Teunissen Reg. Nr. 3972685


3



© 2012 Alle rechten voorbehouden



Als iedereen ons straal zou negeren en zou doen alsof we niet bestaan, zou al snel een machteloze wanhoop in ons opwellen die

de wreedste foltering een verademing zou doen lijken

William James -



I’m just a patsy
Lee Harvey Oswald -






Inhoud

Proloog
De Zevende Hemel
Vagevuur
Afscheid
De Afrekening
Connecties
Een Zinderende Zomer
De Duistere Wolken van de Dood Een Novemberavond
Een Dag later
Kerstmis in Blanes
On the Run in the Sun
Boven de Wet
De Bordelen van Barcelona
De Bajes van Madrid
Het Besluit
Thuis
Epiloog



Proloog

’Kan ik u helpen mijnheer?’ ’Ja, doe deze maar.’
‘De Luger juxtaposé?’ ‘Ja.’

‘U weet hoe het geweer werkt?’
‘Nee, maar hoe moeilijk kan dat nou zijn?’
‘Ehm... Oké, prima, loopt u maar naar de kassa, dan

haal ik een exemplaar uit het magazijn.’

‘Kijkt u eens meneer, het doosje hagelmunitie is gratis, ik wens u er veel plezier mee en een fijne dag verder.’

‘Ja, jij ook.’

Met het zomerse zonlicht in mijn gezicht loop ik over de Frankrijklei. Auto’s scheuren rammelend over de kinderkoppen voorbij. En iets vrolijker dan normaal slenter ik met een zware plastic tas van Kettner naar de tramhalte.



9

De Zevende Hemel

De gammele deur van De Zevende Hemel is krakend achter me dichtgevallen. De rook die het hele café in een waas zet, slaat bijna op mijn longen en de dreun- ende muziek voel ik in mijn maag. Mijn vaste plek aan de bar is leeg. Ik gooi mijn spijkerjack, muts en sjaal over de kruk, wrijf m’n handen warm, en haal mijn portemonnee tevoorschijn.

Na een minuut of wat onderbreekt de barvrouw met tegenzin het gesprek met de stamgasten aan de kop van de bar en komt op me toegelopen. Ze wijst vragend naar de fles Captain Morgan op de schap voor de spie- gelwand. Ik knik.

Ze zet het glas donkere rum en het flesje cola voor me neer zonder iets te zeggen. En zonder me aan te kijken. Wel controleert ze het briefje van twintig euro, dat ik al klaar had liggen, onder de blacklight. En geef ze eens ongelijk.

Ik staar door de beslagen ramen van het café, waar de spuitsneeuw van de kerst nog op te zien is, naar de knipperende neonlichten van Erosworld er tegenover. De felgekleurde neondame bukt zich steeds opnieuw flikkerend voorover en brengt licht in deze duistere hoerenbuurt. Op de achtergrond, door het rumoer heen, klinkt Raymond van het Groenewoud.

‘Je veux de l’amour...’

Er is iets veranderd, stel ik vast. Want de afgelopen maanden ging alles langs me heen. Werkelijk alles. Zat ik hier maar te zitten. Zonder dat de muziek tot me doordrong. En de rest was ook decor. De mensen om me heen bestonden niet voor mij. En ik bestond niet



10




voor hen. Maar nu zie ik zelfs die lelijke kop van die zingende Belg voor me.

‘Je veux l’amour’

Ja, vertel mij wat. Daar begon het allemaal mee. Ook ik verlangde naar dat kleine beetje liefde. En ook ik heb gejankt. En gebeden. Gebeden om me één dag geliefd te mogen voelen.

‘Waar ik ga, waar ik sta
Voor ik sterf, voor ik verga’
Eén fucking dag. Maar het is me blijkbaar niet

gegund.
‘Klotewijven ook,’ mompel ik terwijl ik ook even aan

Carmen denk. Ik neem een flinke slok. Carmen... Nog nooit heb ik meer naar iemand verlangd dan naar haar.

Flarden van herinneringen die ik dacht voorgoed kwijt te zijn, schieten door me heen. Ik zie haar voor me. Betoverend mooi. Ik zie mezelf, zenuwachtig naar het scherm van mijn gsm staren voordat ik op send druk:

Het is moeilijk onder woorden te brengen hoe mooi ik je vind. Je ogen, je mond, je stem, hoe je be- weegt, je glimlach... Ik zou uren naar je kunnen kijken. Ik verlang naar je.

Ik zie haar voor me. Glimlachend. En ik zie mezelf in die laatste fatale nacht, afgelopen januari: Ik heb een leliewit t-shirt aan met daarop in mooie zwarte sierletters de woorden: Schoonheid, ik doe alles voor je... Ze kijkt ernaar en ik hoor haar zeggen: ‘Wat moet ik met jou? Ga alsjeblieft weg!’. En toen ging het mis. Goed



11




mis. Ik probeerde aanvankelijk de pijn te dempen met alcohol. Het hielp niet. Hoeveel alcohol ik er ook ingooide. Dus na weken dag en nacht verweesd en dronken door de straten van Antwerpen te hebben gezworven gebeurde het. Het was diep in de nacht. Het was koud. Het regende. Ik liep alleen door de stad. Ik stond even stil in een steeg en toen... Het was of ik werd neergeschoten. Er knapte iets in mijn hoofd, en ik zakte door mijn knieën. En daarna werd het stil. Dood- stil. Toen ik weer opstond, na weet ik hoelang in de regen te hebben gezeten, was het leven uit me ver- dwenen. Net een tv waar je de antenne uittrekt. Je krijgt alleen nog maar ruis. Ik was levenloos. Zielloos. Ik bestond niet meer. De wereld bestond niet meer.

Tot vandaag dus. Want langzaam voel ik weer iets. Al moet ik veel drinken om weer een klein beetje te voelen. En dan voel ik geen wanhopig verlangen zoals Van het Groenewoud, maar haat. En dat is mooi. Haat doet leven.

Ik bestel met een kort gebaar een nieuwe rumcola.

De barvrouw geeft het wisselgeld terug. Niet in mijn uitgestoken hand, maar naast het bierviltje. Zelfs zij voelt zich te goed voor mij. Hoer.

Ik neem een slok rum en giet daarna de cola erbij. De rum brandt in mijn keel. Op zich snap ik het wel. Dat ze niks in mij zien. Maar hoe kan het dat ze wel voor al die andere idioten vallen? Dat is me een compleet raadsel. Wat ik wel weet is dat ik het altijd heb moeten afleggen tegen de gasten met de juiste gympies en het juiste merk spijkerbroek. Alles precies zoals het hoort. Wan- delende reclamezuilen zijn het. Bedacht achter een bureau. En het grappige is - zo grappig dat het pijn doet - als ik zeg: ‘Schoonheid ik doe alles voor je’, willen ze me



12




nooit meer zien, maar als zo’n in merkkleding gehulde mongool het mompelt, dan gaan ze zelfs voor hem achter het raam zitten. Maar toch weiger ik om me aan te sluiten bij dat leger van randdebielen. In de pas lopen is niks voor mij.

Ik kijk eens om heen. Het café is aardig gevuld in- middels. Met een hoop luidruchtige idioten. Het week- end kan beginnen. Ik bestel een nieuwe rumcola. Mijn Vijfde? Zesde? Tiende? Ach, fuck it, nog lang niet genoeg.

‘Heb je wat losse euro’s voor de jukebox?’

Weer kwakt ze het wisselgeld voor me neer op de bar.

‘Dank je. Je ziet er trouwens sexy uit in die strakke spijkerbroek.’

‘Wa sède gij?’

‘Bedankt. Bedankt voor de euro’s. Voor in de juke- box. Dat zei ik.’ Hoer.

Vrouwen zijn hoeren. Ze komen alleen af op geld en testosteron. Dus haal je portemonnee of je pik uit je broek en laat zien dat je de grootste hebt, en ze liggen wijdbeens voor je. Mijn hele leven lang ben ik door ze genegeerd en afgewezen. Maar ik vind het prima zo. Als dit mijn lot is, dan is het zo. Geen probleem.

Metallica barst uit de speakers.

‘...Fuck it all and no regrets...’

Het rumoer verstomt en de stamgasten zitten me nu dreigend aan te kijken. Ik heb de sfeer verpest. Ik hef het glas naar ze op. Mijn welgemeende excuses!

‘...I need a voice to let myself, to let myself go free...’ 13




Vagevuur

‘...I need to set my anger free...’

Hé daar loopt ze... Ik stel me enigszins verdekt op achter een van de pilaren van de entree van Villa Tinto House of Pleasure, tegenover de sexshop annex peep- show, zodat ik haar ongezien kan bespieden. Ik steek mijn handen diep in mijn broekzakken waarbij ik op het koude staal van de stiletto stoot, en zie aan het plastic tasje dat ze met zich meedraagt, dat ze net bij de nachtwinkel op de hoek is geweest, met die Russen achter de toonbank. Misschien heeft ze sigaretten ge- kocht, denk ik terwijl ze de sexshop passeert. De ruime grijze joggingbroek kan haar majestueuze heupen en billen niet verhullen, merk ik op. En reflexmatig grijp ik naar mijn kruis.

Ik ben niet de enige die haar bespied. Talloze hoeren- lopers volgen haar nauwlettend als ze gedecideerd naar haar peeskamer loopt, om zo meteen aan haar shift te beginnen.

Niet lang nadat ze in bikini achter het raam ver- schijnt met een sigaret in de hand loop ik, behoorlijk aangeschoten, naar haar toe.

‘Hé Layla,’ mompel ik als ze de deur voor me ge- opend heeft.

‘Hé.’ Ze laat me binnen, dooft de sigaret en loopt voor me de trap op. Geheel gefocused op haar ronding- en schuifel ik achter haar aan. De stiletto en een be- ginnende erectie maken dat mijn broek steeds meer begint te knellen.



14




‘Hoe is íe meisje?’ vraag ik als we in de schemerig verlichte, grote kamer staan, met het enorme bed en de spiegelwand.

‘Het gaat. En met jou?’
‘Het gaat.’
Ze glimlacht. Ik overhandig haar de vijftig euro en

kijk in haar donkere, mascara-omlijnde ogen. Ze heeft zichzelf een stoere, zelfverzekerde houding aange- meten, zoals al die meisjes hier. Maar ik zie dat er een schattig, lief en aandoenlijk meisje achter verborgen zit. Mijn ogen glijden onwillekeurig verder over haar lich- aam als ze haar pumps met de onhandig hoge hakken onder de stoel zet, met het halfopen tasje van de nachtwinkel erop. Pijnstillers heeft ze gekocht, zie ik. Ze slingert ook haar bikini over de stoel. En luttele seconden later flikker ik, afgeleid door haar naakte lijf, bijna voorover als mijn voet in een broekspijp blijft hangen.

‘Heb je gedronken of zo?’ vraagt ze grinnikend.

‘Ja, dat is mijn pijnstiller,’ zeg ik met een hoofdknikje naar het tasje op de stoel wijzend.

‘Oh die... ja. Zie je niks aan mij?’ ‘Wat?’
Ze draait zich naar mij toe.
‘Zie je niks aan mij?’

Ik bekijk haar van top tot teen. Ze is half Marokkaans, dus ze heeft een mooie lichtgetinte huid, donker haar, donkere ogen. En van die typische Marokkaanse rond- ingen. Oh mijn god wat is dat geil! Die heupen, die dijen... Zelfs gehuld in een slobberige grijze jogging- broek raak ik daar al opgewonden van. En haar borsten met die donkere grote te... Hé verrek!

‘Je borsten... Je borsten zijn eh...’



15




‘Ja , ik heb een borstvergroting laten doen. Pijn dat dat deed joh! Toen ik uit narcose bijkwam heb ik liggen janken van de pijn.’

‘Serieus?’

‘Ja, en nu nog steeds. Het staat nog helemaal strak. Kijk.’ Ze trekt een pijnlijke blik, als ze haar borsten met beide handen omklemt, en ze op en neer beweegt.

‘Maar waarom heb je dat in godsnaam laten doen dan? Die originele vond ik ook wel mooi.’ Mooier zelfs.

‘Ja, maar mannen kicken er op. En ik moet geld verdienen.’

‘Oké dan.’

‘Maar body-to-body massage doe ik vandaag dus liever niet als je het niet erg vindt.’

‘Geen probleem.’

Ik ga op bed liggen en ze knielt naast me neer. Normaal zou ze nu dus zachtjes met haar borsten over mijn bovenlijf glijden, waarbij ze van die lieflijke ge- luidjes maakt en ik in de spiegel achter haar, haar prachtige kont en kutje kan zien, om even later met haar warme zachte buik tegelijkertijd ook over mijn erectie heen te glijden. Maar vandaag niet dus. Geen sensueel voorspel.

‘Ga maar op je buik liggen.’
‘Oké.’
‘Dan zal ik je een gewone massage geven.’
Ik draai me om.
‘Weet je wat ik ook wel lekker vind?’
‘Nou?’
‘Dat je zachtjes met je vingers over mijn rug wrijft.’ ‘Zo?’ vraagt ze.
‘Ja...’ Haar zachte vingertoppen glijden zijdezacht

over mijn rug. Cirkeltjes draaiend. En ik duw mijn



16




hoofd ontspannen in het kussen. Dit is zo heerlijk. En even fantaseer ik dat dit echt is. Even laat ik me meevoeren met de gedachte dat dit de strelende, helen- de vingers van een geliefde zijn, die ik voel op mijn rug. Ik krijg kippenvel. Dan voel ik in de verte tranen opkomen. Want het is niet echt. Ik lig hier alleen. Dadelijk zal ze vragen hoe lang nog. En dan voel ik de tranen die nooit meer zullen komen.

‘Genoeg zo?’

Na afloop gaf ik haar een fooi, en een voorzichtige kus op de wang. Dat laatste was voor het eerst. En voor het laatst. Het was een afscheidskus. En toen liep ik de nacht in, waarbij haar zachtjes gefluisterde woorden: ‘Waarom doe je zo aardig tegen mij?’ door mijn hoofd spookten en schreeuwden om meer alcohol.

De straal spettert tegen de witte kalkstenen muur. In de stilte van de nacht klinkt het als een waterval. Ik draai een beetje met mijn onderlichaam, om ook de grote eikenhouten deur met de middeleeuwse scharnieren mee te pakken. Flashback. ‘God, laat me één dag voelen hoe het is dat iemand van me houdt. Eén dag. Please...’ Ik wankel. Zoek steun tegen de kerkmuur en de straal pis spettert over mijn gympies. Ik zucht.

‘Ik pis op jullie...’ Of is het een synagoge?

‘Op jullie allemaal...’ mompel ik, terwijl ik mijn gulp weer dichtrits.

Ik waggel richting het basketbalveldje. ‘Hè?’ Daar was ik net ook al, ik moet de andere kant op. ‘Kut!’ En de weg naar huis is nog lang. Ik ben nog geen honderd meter van het Schipperskwartier vandaan. ‘Ik ben ka-



17




pot...’ Met moeite sleep ik me naar een houten bankje en ga languit liggen. Mijn kop bonkt.

Ik schrik wakker. En flikker bijna van het bankje. ‘Waaar?!!’ Het duurt even voordat ik doorheb waar ik ben. Het is doodstil. Alsof ik alleen op de wereld ben. En niemand kan het ook maar ene fuck schelen als ik er niet meer ben, realiseer ik me ineens. Niemand. Ik moet kot- sen. Ik kom moeizaam overeind en de zure inhoud van mijn maag komt kletterend neer tussen mijn voeten. Kreunend sta ik op, en zigzaggend slenter ik verder.

Niemand kan het ook maar ene fuck schelen als ik er niet meer ben... ‘Maar ik ben er nog!’ KaBang!!

De herrie verbreekt de stilte als blikseminslag. Het glas rinkelt over straat en de autospiegel hangt leven- loos aan de wagen. ‘Kankerlijers!’ Ik loop verder.

De volgende. Krak! Nu maakt de spiegel eerst een driedubbele salto met schroef voordat hij een stukje verder op de straatstenen knalt en verder schuift.

Een paar meter verder. Volgende. Kabang!

‘Ik pis op jullie!’ Ik rits mijn broek los. ‘En op jullie verchroomde statussymbolen!’ De straal ketst tegen het autoportier en ik mik op het sleutelgat.

In de stilte hoor ik de druppels in de plas neer- komen.

Voldaan slenter ik verder. Richting Het Zuid. Het gaat nog even duren voordat ik thuis ben. Misschien dat de tekenen van een nieuwe dag zich tegen die tijd alweer aandienen: het langzaam licht worden vanuit het oosten, het geluid van auto’s in de verte, en de eerste mannen op de fiets met de broodtrommels onder de snelbinders. Ik hoop vurig van niet. Geen nieuwe dag. Alsjeblieft niet.



18




Afscheid

De Sleep Inn. Op Het Zuid in Antwerpen. Er tegenover zijn ze bezig een megalomaan justitiegebouw uit de grond te trekken. Alsof je op die manier ook meer ge- rechtigheid in de wereld brengt. Maar als er ook maar iets van gerechtigheid bestond dan zou mijn leven er heel anders hebben uitgezien. En dat zat ik hier nu niet. In mijn pensionnetje. Alleen. Achter mijn bureautje. Net zo groot als een gevangeniscel. Alles samengepakt op twintig vierkante meter: Keuken, douche, toilet en slaapkamer. Ik kan pissen, een ei bakken en me zelf douchen, zonder een stap te verzetten. En daarna kan ik me achterover op bed laten vallen. Fantastisch. Ge- rechtigheid, laat me niet lachen.

Ik heb een laptop gekocht bij Mediamarkt. De Acer Travelmate is vandaag, 12 mei 2005 voor 664 euro mijn eigendom geworden. Betaald van die lening van 2000 euro tegen een woekerrente van 25% bij zo’n krediet- verstrekker. Maar dat is geen probleem. Want ze zien er toch niets meer van terug. Ik ga helemaal niks meer be- talen. Nada. En werken doe ik ook niet meer. Nooit meer. Noem het gerechtigheid.

Hier red ik het die laatste paar maanden nog wel mee, gok ik, als ik de creditcard en het bonnetje uit mijn portemonnee haal. Ik leg het bonnetje in een bureaula. Daar ligt nog een bonnetje, zie ik: Kettner 28 augustus 2004, Luger juxtaposé, 424.75 euro.

Ik klap de laptop open. En begin gehinderd door een stevige kater, de slordige stapel papieren over te tikken. Moet wel. Want wat doe je als je op je sterfbed ligt? Juist, je biecht je zonden op. Want met dat naderende



19




einde in zicht krijg ik toch sterk de behoefte het een en ander op papier te zetten. Zodat niet mijn hele leven voor niets is geweest. Niemand wil me, oké, maar ook niemand kent me. Dus voor ik het hier en nu voor het eeuwige verruil gaan we dat op papier zetten. Want als niemand je gekend heeft heb je niet geleefd. Dus.

Mijn vingers glijden over het toetsenbord.

Titel: Het leven van een buitenstaander. Ondertitel: Het leven is een éénmansguerrilla.

Voorwoord

Waarom schrijf ik deze autobiografie? Omdat het niet goed met me gaat. Ik ben aan het eind van mijn Latijn. En voordat het doek definitief valt, wil ik mijn verhaal vertellen. Ver- tellen wat ik gedaan heb en waarom. Hoe mijn leven verlopen is en waarom. Mijn geheimen delen. Mijn leven delen. Want er is niemand die mij kent. Je zult niemand vinden die weet welke muziek ik mooi vind. Niemand weet welke boeken er in mijn boekenkast staan. Laat staan dat er iemand is die weet wat er in mij omgaat. Wat ik denk en wat ik voel. Wat ik gedacht heb en gevoeld. Gedroomd en gehoopt. Gedaan en gelaten. Het leven is eenzaam geweest.

Het is dus niet dat ik denk dat mijn leven zo interessant is geweest, of meer de moeite waard is dan dat van anderen, dat het per se aan het papier moet worden toevertrouwd. Sterker nog, als ik een dagboek zou hebben bijgehouden dan zou meer dan de helft van de pagina’s gewoon blanco zijn. Er zou alleen een dag en een datum genoteerd staan. Wat mij betreft is ieder leven evenveel de moeite waard om vastgelegd te worden. En de meeste zijn interessanter dan dat van mij.



20




Maar de meesten mensen hebben familie en vrienden en kinderen. Hun leven wordt vastgelegd. Ze zijn gekend. Bijna elke stap die ze zetten, elk woord dat ze zeggen, elke gedachte die ze uitspreken. De kasten staan vol foto-albums, vakan- tievideo’s en andere al dan niet tastbare herinneringen. Alles is vastgelegd. Tot in detail bijna. Het is bekend welke muziek ze mooi vinden.

Had ik mij leven kunnen delen met één iemand, dan was dat voldoende geweest voor me. Maar er was niemand. En ik heb geen foto-albums. Wat er rest van mijn leven zijn een paar boeken, een paar cd’s en een paar pasfoto’s.

Daarom heb ik deze biografie geschreven. Het is een mooie manier om iets na te laten in deze wereld. Maar ik had liever gehad dat ik mijn leven had kunnen delen met iemand, op een normale manier. Dat was niet alleen plezieriger geweest voor mij, ook veel makkelijker. Want hoe leg je een leven vast? Hoe breng je onder woorden wat je gedacht, gedroomd, gehoopt, gevoeld hebt? Er zijn momenten in een leven die helemaal niet onder woorden te brengen zijn. En er zijn momenten in een leven waar boeken over vol geschreven zijn. Hoe leg je dan een heel leven vast? En raakt het wel aan de essentie? Geeft het iets weer van wie je echt geweest bent? Is het ook niet het mooiste om herinnerd te worden aan je glimlach? Dat er iemand rondloopt die af en toe nog eens aan je denkt en daarbij het beeld ziet van dat ene moment, glimlachend of verliefd kijkend.

Het enige dat ik kan hopen is dat er iets duidelijk gemaakt wordt over mijn karakter, over mijn motieven. En in het slechtste geval heb ik in ieder geval netjes mijn daden opge- biecht. Net voor het doek valt. En als het doek straks valt verwacht ik geen applaus. En een fluitconcert doet me niets. Dat hoor ik mijn hele leven al. Een klein beetje medeleven zou



21




me diep ontroeren, maar tegelijkertijd ook verbazen. Boven- dien is het daarvoor te laat. Ik heb daar heel mijn leven op gewacht. Op datgene waar ieder mens naar op zoek is, en naar verlangt. En soms zelfs om smeekt: die arm om je heen, die aai over je bol en de woorden: ‘Kom hier, het is goed zo, ik hou van je...’

En zou ik het anders gedaan hebben als ik het mocht overdoen? Ik wil het niet overdoen. Nog geen week.

‘Hé, hoer!’ Ik wenk haar.
Ze komt op me toe gelopen.
‘Ja, zeg het maar.’ Ze moet haar stem verheffen om

boven de muziek uit te komen.
‘Ehm, doe maar een rumcola.’
Ik kijk ‘ns om me heen. Het café is leeg op drie, vier

mensen na. Maar ja, wat wil je. Het is een doorde- weekse dag. En pas half drie ‘s middags. Ze zet de bestelling voor me neer en wacht ongeduldig tot ik mijn portemonnee tevoorschijn gehaald heb. Traag leg ik 20 euro op de bar. Ze grist het weg.

Als ze zich weer omdraait met het wisselgeld in de hand, zeg ik: ‘Doe trouwens ook maar een Jack Daniels’. Zucht.

Even later staat er een zuinig gevuld glas Whisky voor me, naast het wisselgeld, dat ik voor het gemak maar laat liggen. 

Vanuit dit duistere hol kijk ik naar buiten door de ramen die wel eens gezeemd mogen worden. De spuit- sneeuw van de kerst is nog steeds te zien. De zon schijnt. En de alcohol begint zijn werk te doen. Ik heb de Whisky in één teug achterover geslagen. Over een



22




paar uur ga ik terug naar mijn hok om weer verder te schrijven, neem ik me voor.

Nooit meer in mijn leven zal ik boeten. Boetetijd zal ik slechts beschouwen als wachttijd. Daarna kom ik terug om nog meer verderf, vernieling en verdriet te zaaien. Ik ben het zat om redelijk te zijn. Ik ben het zat om mij ongevaarlijker voor te doen dan ik ben. Ik ben het zat om overbodige empathie, vriendschap en liefde bestaansrecht te geven dat ze niet ver- dienen, nooit verdiend hebben, nooit zullen verdienen. On- verschilligheid, disrespect en haat met terugwerkende kracht. Veertig jaar vergeefse inspanning met een glimlach van tafel geveegd. Weg met ordinaire beleefdheid. Weg met nietszeg- gende prettige omgang. Weg met onuitgebuite waardigheid. Weg met zachtheid, weg met de vrouwelijke kant in de man, weg met begrip voor alles wat niet binnen één seconde te begrijpen is. Weg met de idioten van de foute soort.

Precies. Ik zou het zelf niet beter kunnen zeggen. Ik leg het boek Logica voor Idioten van Herman Brusselmans bij het stapeltje dvd’s met The Count of Monte Christo en Man on Fire, en klap de laptop open.



23




De Afrekening

De film loopt ten einde. Geen happy end. De aftiteling van deze tragikomedie loopt al bijna. Maar als mij geen happy end gegund is, laat ik de film toch anders eindigen. Ik heb altijd gezegd dat als ik nog één dag te leven had, ik de reken- ingen ga vereffenen. Want rekeningen worden altijd betaald. Ook oude rekeningen. Daar kan jaren overheen gaan. Alleen de rente is dan wat hoger. Al die mensen die me belazerd heb- ben, verraden en me gekrenkt hebben tot in het diepst van mijn ziel, zullen de rekening gepresenteerd krijgen. Geen uit- stel van betaling meer.

Ik druk op enter en safe het hoofdstuk De Afrekening. De autobiografie is af. Ik berg de laptop op en zet Dan- ko Jones op. Volume burenruzie.

‘...When I hold a grudge, I hold a grudge for life. When you crossed me, you were dead in my eyes...’

Vanaf nu gaan we het toch even anders doen, schiet er door me heen. Want jullie denken toch niet dat ik met gebogen hoofd van het toneel verdwijn?! Daarvoor heb ik net iets teveel getolereerd, geaccepteerd en geïncas- seerd.

‘...If we’re ever in the same room, you better watch your steps...’

Omdat ik dacht mijn geluk nog wel te zullen vinden. En dan doe ik niet moeilijk. Leven en laten leven. Ver- geven en vergeten. Simpel zat. Ik dacht dat de een-



24




zaamheid, de afwijzingen, de vernederingen uiteinde- lijk verzilverd zouden worden. Het voelde als een bijna religieuze zekerheid. De laatsten zullen de eersten zijn. De zachtmoedigen zullen de aarde beërven. Zoiets. Nou, niet dus. Maar zonder happy end komt er voor de aftiteling gewoon nog een afrekening. Ook simpel zat. Want het werkt twee kanten op. Ik kan doodvallen. Ik doe er niet toe. Voor niemand. Nou, da’s heel mooi, maar dan heb ik nieuws voor jullie: vanaf nu kunnen jullie ook allemaal doodvallen van mij. Letterlijk. Eén verkeerd woord, en je staat met één been in je graf. En voor je het weet lig je er in. Met allebei je benen. Juxta- posé of niet.

’...You will never be forgiven, because I never forget...’

En nu? vraag ik me hardop af. Tja, wat ga je doen als je weet dat je nog maar even te leven hebt? Juist ja. Neuken. Want de mens is een aap. Krab het laagje beschaving eraf en je houdt sex en geweld over. Dus we zakken dadelijk maar weer eens af naar het Schippers- kwartier.

Ik neem de lift naar de begane grond, gooi de deur achter me in het slot en wandel met een grijns langs het restaurantje dat Boven de Wet heet, richting de tramhal- te.

‘Hé meisje.’
Ze laat me met een glimlach binnen. Vivienne.

Gekleed in een felgele bikini. Prachtig lijf. Slank. Zonnebank bruin. En een mooi gezicht. Ze lijkt een beetje op Reese Witherspoon. Ze komt uit Hongarije.



25




Eger. En ze is vijfentwintig. Ze heeft me haar paspoort laten zien. Dus dan is het zo.

Ze schuift het gordijn achter zich dicht en we lopen naar de peeskamer. Hadden we elkaar op een andere plek, op een andere manier ontmoet, en het zou me gegund zijn, dan had ik het gemakkelijk veertig jaar met haar uitgehouden. Het is alsof ik haar al jaren ken. Maar ja, gerechtigheid...

Ik lig naakt op bed met tijgermotief. Tegen de muur staat een groot houten kruis met kettingen en boeien. Voor de klanten die graag de kruisiging van Jezus Christus willen naspelen of zo. Alleen van de uitgestalde accessoires die erbij horen zou Jezus meer zijn gaan zweten dan van die Romeinen om hem heen, vrees ik. Kettingen, zwepen en dildo’s van het formaat Amsterdammertje.

De stralen zonlicht die door het dunne rode gordijn de kamer in vallen worden onderbroken door het pra- chtige naakte lijf van Vivienne. Ze staat wijdbeens boven me op het bed. Ze draait een beetje met haar heupen. Dan laat ze zich langzaam zakken...



26




Connecties

De Zevende Hemel. Ik zit aan mijn derde rumcola. De deur zwaait krakend open. Ik kijk om. Een kerel komt binnen. Een jaar of veertig. Kortgeschoren. Leren jack. Sportief uiterlijk. Zelfverzekerd. Ik ken hem ergens van... In de spiegelwand zie ik hem achter me voorbij- lopen. De bar naast me is leeg. Aan het eind zitten de stamgasten met de barvrouw te praten. Volgens mij is hij net ook al een paar keer voorbij gelopen voor hij naar binnen kwam.

Hij komt naast me staan, wenkt de barvrouw, bestelt een biertje. Terwijl hij wacht op de drank vraagt hij: ‘Is deze kruk bezet?’

Voordat ik antwoord kan geven zit hij al.

‘Lekker weertje of niet?’ Een Nederlander. Ook dat nog.

‘Ja, het zonnetje schijnt lekker.’

‘Ja, een mooi begin van de zomer,’ klinkt het, met een zuidelijke tongval.

Ik neem een slok en hoop dat hij de rust niet komt verstoren door tegen me aan te lullen.

‘Kom je hier vaker of niet?’
Fuck. ‘Ja, je moet toch wat.’
‘Ja, sorry dat ik je lastig val Marcel, maar...’
What the fuck? Zei hij ‘Marcel’? Sinds ik naar Ant-

werpen ben uitgeweken kent iedereen me als Marc. Hoe kan hij dan...

‘Ik wil even met je praten.’ Hij steekt zijn hand uit. ‘Mike is de naam.’

Je artiestennaam zal je bedoelen. Als dit geen recher- cheur is weet ik het niet meer.



27




Ik geef hem een hand.
‘Hallo. Marc. Aangenaam.’
De roes van de drank en de eenzaamheid is in een

klap verdwenen. Weggegooid geld. Godverdomme! ‘Leuk geprobeerd Marcel. Je kent mij niet, maar ik

ken jou wel. En dat gaat al een hele tijd terug.’ ‘Oja?’

‘Ja. Zegt de Banque Paribas in Arnhem je misschien iets?’

‘Ehm...’
‘Dat is waar jij in januari 1996...’
Ja, waar ik de achtergevel uitgeblazen heb als protest

tegen de hervatte kernproeven van Frankrijk, ik weet het. Breek me de bek niet open.

‘We weten alles van je jongen... Vanaf het moment dat je die boeken over explosieven bij Delta Force Holland hebt besteld kwam je bij ons op de radar...’ Hij grijnst.

Ik kijk schichtig om me heen of iemand dit gesprek kan horen. Nee. Gelukkig staat de muziek daarvoor te hard. Guns ‘n Roses. De roes is weg, en er is een lichte paniek voor in de plaats gekomen. Moet ik vluchten?

‘En daar ben je nooit meer van verdwenen. Waar woon nu je ook alweer? Bolivarplaats of niet? De Sleep Inn. Het is wel een verbetering van dat kraakpand op de Scheidemakershof, maar echt jofel is het niet of wel? En je hebt je naam veranderd.’

Nee dus. Vluchten heeft geen zin. Maar wat the fuck moet hij van me? Gaan ze me alsnog arresteren?

‘Wat wil je van me?’

‘Niks bijzonders. We maken gewoon even een babbeltje.’



28




‘Nou dat denk ik niet Mike.’ Ik maak aanstalten om op te staan.

Hij pakt me bij de arm.

‘Rustig maar Marcel. Niks aan de hand. We hebben een gemeenschappelijke kennis uit Nijmegen waar ik het over wil hebben. Hier. Je kent hem toch wel?’ Hij haalt een zwartwitfoto uit zijn binnenzak.

En of ik die ken. Kankerlijer.
‘Ja, komt me wel bekend voor.’
‘Hij heeft je schandalig behandeld weet je dat? Hij en

dat clubje van hem, het OBIV of zoiets, waren nogal beducht op infiltranten, dat weet je hè. Ze hebben er toen een paar ontmaskerd en toen hebben ze dat boekje geschreven, hoe heette dat ook alweer... Tragiek van een Geheime Dienst, ja. Daar hebben we trouwens een hoop gezeik mee gehad...’

Zei hij nou alweer ‘we’? Wie is we? De BVD? PID? Is hij een van die ex-PID-ers die door dat clubje ontmas- kerd is?

‘Maar goed, toen waren ze helemaal paranoia dat begrijp je. Ze zagen achter elke boom een BVD-er. En toen kwam jij daar binnen...’

Ja, de grootste fout die ik gemaakt heb in mijn leven.

‘Ze vertrouwden jou ook voor geen meter...’ Nee, vertel mij wat.

‘Ze hebben in de struiken voor je huis gelegen, came- ra’s en peilzenders ingezet, dat kan ik je wel vertellen, zover ging het. En toen na die actie in Arnhem wisten ze het zeker: die Teunissen is er een van de BVD.’

Dus toch. Ik krijg hier even de officiële bevestiging van wat ik allang wist, maar nooit hard kon maken. Kankerlijers. Ik had mijn leven en mijn vrijheid op het spel gezet om er vervolgens achter te komen dat ze me



29




zagen als een infiltrant. Alles voor niets. Tien jaar gevangenisstraf geriskeerd voor de kat z’n kut. Of voor de bok z’n kloten, zoals ze hier zeggen.

‘Zeg Mike waarom vertel je me dit allemaal?’ ‘Ik vond dat je dit moest weten.’
Hij vindt dat ik dit moet weten?!
‘Misschien iets voor in je memoires...’

Wat the fuck? Weten ze dat ook al? Die is nog maar net af!

Hij glimlacht en neemt nog een flinke slok van zijn bier.

‘Ja jongen, er blijft niets geheim. Maar hé, ik moet er vandoor... Leuk met je gesproken te hebben, tot de volgende keer. Dan heb ik meer tijd.’

Watte?! Volgende keer?

‘En doe een beetje voorzichtig met die Luger wil je? Dat is geen speelgoed,’ zegt hij terwijl hij opstaat en mij een vriendschappelijke klop op de schouder geeft.

Fuck! Fuck!

Ik heb geloof ik nog minuten verdwaasd voor me uit zitten staren, en me zelfs afgevraagd of het nou echt gebeurd was of niet. Ik had de neiging om het aan de barvrouw te vragen: Zeg, hebben jullie hier zonet ook een kerel gezien, kortgeschoren, leren jack...?

Maar wat veel erger is, hij wrijft zout in de wonden. Want ik ben nu naar de klote dóór die idioten uit Nij- megen. Flashback. Ik ben weer even terug in ‘95. De hele wereld leek zich toen druk te maken om de kernproeven door Frankrijk in de Stille Oceaan op het eiland Mururoa. Er werd van alle kanten opgeroepen om in actie te komen, bijvoorbeeld door Franse wijn te



30




boycotten. Zelfs Youp van ’t Hek wond zich erover op in zijn Oudejaarsconference. Maar uiteindelijk gaf geen hond er gehoor aan. Youp was om te lachen, Mururoa ver weg en Champagne lekker. Het zuipen, vreten, feesten ging gewoon door. Business as usual. Zelfs te beroerd een glas Champagne te laten staan. Symboli- scher kon het niet, vond ik. Daarom ontplofte er in de nacht van 1 januari 1996 aan de Jansbinnensingel in Arnhem een lading explosieven die de achtergevel vernielde van de Banque Paribas. De problemen begon- nen voor mij toen de persverklaring, die ik in naam van het Earth Liberation Front naar Ravage gefaxed had, als fake werd bestempeld. Ondanks de dader-informatie die het bevatte om de echtheid ervan te garanderen. En ondanks het feit dat het allemaal erg voor de hand lag, tenslotte had het Earth Liberation Front in diezelfde Ravage opgeroepen om bij Franse bedrijven zo veel mogelijk schade aan te richten. Maar daar bleef het niet bij. Het hele initiatief werd door de kliek die het voor het zeggen had binnen ‘de beweging’ definitief om zeep geholpen. Mijn linkse kameraden suggereerden met ingezonden stukken ondermeer dat het wel eens het werk van provocateurs kon zijn. Erg leuk is dat, kan ik je vertellen: heb je net tien jaar gevangenisstraf geris- keerd, wordt je in je rug aangevallen. En om het hele- maal compleet te maken begonnen ze me binnen de Nijmeegse scene ook nog te wantrouwen toen ze via Chris in de gaten kregen dat ik er iets mee te maken had. Ze vertrouwden me niet, verdachten mij ervan voor de BVD te werken. Er werd getwijfeld aan mijn motieven en loyaliteit. En hetzelfde clubje dat Cees van Lieshout had opgespoord en dat eerder de complete BVD-afdeling van de Nijmeegse politie had ontmas-



31




kerd, hield ook mij in het oog. Mensen uit mijn omgeving werden benaderd. Huisgenoten, de ex- vriendin. Mijn gangen werden nagegaan. In de veron- derstelling dat ze mij ook wel een keer op heterdaad zouden betrappen tijdens een onderonsje met mijn ‘runner’. En sommigen vroegen het gewoon: ‘Zeg, werk jij voor de BVD?’ Dat wantrouwen en die verdenkingen raakten me tot in het diepst van mijn ziel. Alles opgegeven voor De Goede Zaak, dus ook alles kwijt. Wat nu? Het sloeg de bodem onder mijn bestaan vandaan. Mijn ziel en zaligheid had er in gezeten. En alles wat ik gedaan, gedacht, gedroomd, gehoopt en gevoeld had, was in een klap zinloos geworden, weg... Een heel leven weg. Ik voelde niets meer. Ik wist niets meer. En ik wilde niets meer. Als klap op de vuurpijl werd ik ook nog op straat gezet. Doodleuk werd me meegedeeld dat ze besloten hadden dat ik het kraakpand uit moest. ’Waarom dan?!’ vroeg ik ontdaan. ‘Daarom.’ En dat betekende dus ook dat ik naar de afkoopsom van de eigenaar - een klein kapitaal - kon fluiten. Het contract over de uitkoop hoefde alleen nog maar getekend te worden. Stiekem vermoedde ik dat er een soort van kosmische gerechtigheid achter schuil ging: ‘God houdt toch van mij...’ Niet dus. Of anders stond de mens gewoon weer eens in de weg. Ik kon mijn tranen nog maar net bedwingen toen ze - voor de zoveelste keer - tegenover me stonden. ‘Je moet hier weg.’ Ik probeerde het nog met: ‘Maar ik kom echt in de problemen als ik dat geld niet krijg...’ Maar dat maakte niet veel indruk. Geen oprotpremie voor mij, zoals zij dat geschenk uit de hemel noemden. Maar oprotten kon ik wel. Oké dan, dacht ik, als jullie het zo spelen. ‘Als jullie mij in de problemen brengen, dan krijgen jullie ook pro-



32




blemen, échte problemen.’ Maar er werd een beetje lach- erig op gereageerd. Ik had niets meer. Behalve schuld- en, een strafblad en verbroken familiebanden. Ik had geen geld meer, geen dak boven mijn hoofd en vooral: geen idee meer hoe het nou verder moest. Mijn oude leven was nog maar net verwoest en nu werd mijn nieuwe leven onmogelijk gemaakt door hetzelfde soort idioten. Auto’s achtergelaten op verlaten parkeerplaat- sen, treinen op rangeerterreinen, een bankje in het park, dat waren de plekken waar ik probeerde te slapen. Meestal tevergeefs. En ik was even bang dat ze het hier- bij niet zouden laten. De eerder gemaakte opmerkingen schoten door mijn hoofd: ‘Dan lig je zo met een kogel door je kop langs de kant van de weg’ en ‘Weet je hoe je een lijk kunt laten verdwijnen zonder een spoor achter te laten?’. Maar al snel deed helemaal niets er meer toe. Al zou ik ter plekke dood neer vallen. Ik ging ten onder. Ten onder door Het Verraad. Uiteindelijk vond ik mezelf terug, achterover gevallen in de struiken. Geen idee waar ik was: Waaar?! Hoe-oe?!

De herrie brengt me weer terug in het hier en nu. Dat ik ze dit een keer betaald zou gaan zetten, dat was duide- lijk. Maar dat was voor later. Alleen nu lijkt dat moment steeds dichterbij te komen...

De woorden van Mike schieten door me heen:‘Ze hebben in de struiken voor je huis gelegen, camera’s en peilzenders ingezet, dat kan ik je wel vertellen, zover ging het. En toen na die actie in Arnhem wisten ze het zeker: die Teunissen is er een van de BVD... En doe een beetje voor- zichtig met die Luger wil je? Dat is geen speelgoed’.

En voor het eerst sinds lange tijd heb ik geen zin om me klem te zuipen. Fuck! Fuck!



33




Een Zinderende Zomer

Beroof me niet van mijn haat

- Edmond Dantes in The Count of Monte Christo In een lawaaiig en rommelig internetcafé annex belhuis

in Borgerhout, tik ik langzaam de volgende tekst in:

...Ik ben benieuwd wat jullie standpunt is over het islamitisch fascisme dat de kop opsteekt in Nederland en de rest van de wereld. Persoonlijk krijg ik het Spaans benauwd bij menigten die ‘Allah u Akbar’ lopen te schreeuwen en in naam van Allah (‘de grootste en de enige!’) van alles van plan zijn, namelijk iedereen te dwingen zo te leven als de koran voorschrijft. En alle anderen (ongelovigen en afval- ligen) te beschouwen als minderwaardig en als vijand van de islam waarop de nodige vergeldingsmaatregelen getroffen mogen worden (homo’s met het hoofd naar beneden van het hoogste flatgebouw gooien, Theo van Gogh als een schaap de keel afsnijden, om maar een paar voorbeelden te noemen)...

Ik druk op enter en stuur daarmee het mailtje naar AFA terwijl ik om me heen meer Marokkaans hoor dan Vlaams.

Na weken had ik nog geen reactie. Terwijl de aan- leiding, de aanslag op de metro in Londen, toch dring- end genoeg was leek mij.

Gisteren mijn verjaardag gevierd. Ik was in De Zevende Hemel. Alleen. Nou ja, de kroeg was afgeladen vol, maar ik was er zielsalleen. En al vrij snel vrij dronken.



34




En wat ik daarna allemaal gedaan heb, ik weet het niet meer. Volgens mij was het zuipen, naar de hoeren, nog meer zuipen en nog meer hoeren. Tot ik niet meer op mijn benen kon staan en mijn geld op was.

‘Hé Marc!,’
Ik voel een schouderklop, die mijn koppijn verergert. ‘Nog gefeliciteerd met je verjaardag!’
Ik zie Mike grijnzen.
‘Vandaag trakteer ik! Drank, vrouwen, wat je wilt.’

En ergens doet dat aanbod me goed. Niet om de gratis drank. En ook niet om de gratis vrouwen. Ik voel een soort verbondenheid.

Ik ben al wel een keer naar Nijmegen geweest. Een paar weken terug. Een voorverkenning voor de dag van de Grote Afrekening. Het was tijdens de Vierdaagse. Tus- sen de feestvierders. Van overal ter wereld. Alle natio- naliteiten. En ze willen allemaal hetzelfde. Maar geen vrede op aarde en gerechtigheid, maar zuipen, vreten, feesten. Ook op aandringen van Mike heb ik contact gezocht:

Zaterdag 16 juli 2005, van edmunddantes2005@hotmail.com aan Obiv@dds.nl

Hallo, mensen van het OBIV,

Om meteen met de deur in huis te vallen: ik overweeg om ‘schoon schip’ te maken. Kan ik een keer langs komen, of moet ik een afspraak maken? Jullie zitten toch in de Grote Broek of niet? Laat het maar weten dan kom ik binnenkort



35




misschien langs, als jullie tenminste niet ook op vakantie zijn.

Mooie voornemens allemaal, die dag van de Grote Afrekening, maar het ontbreekt me aan kracht, aan energie. Ik voel niets meer. Geen pijn, geen woede, geen verdriet. Geen noodzaak. Het gevoel van lamlen- digheid overheerst. Ik ben leeg. Moe. Als ik ter plekke dood neer zou vallen zou dat prima zijn. Ik ben er klaar mee. Zelfs drank en vrouwen, het boeit me niet meer, het is niet meer dan een manier om de tijd door te komen. Daarom ben ik onverrichter zake terug gegaan naar Antwerpen.



36




De Duistere Wolken van de Dood

‘Revenge doesn’t work...’ ‘Sure it does’

- Jack Carter in Get Carter -

Ik staar naar het flikkerende tv-scherm. In mijn lege appartementje. Alles wat ik nog heb, een paar boeken, de laptop, cd’s ligt inmiddels bij Shurgard. Afgezien van een sporttas met kleren. En de Luger juxtaposé.

Een fragment uit een nieuwsuitzending van precies een jaar geleden. Ik ken de beelden. De party-tent op een fietspad in het centrum van Amsterdam. De man- nen in witte pakken die druk in de weer zijn. Het lich- aam van Theo van Gogh afgedekt met een wit laken dat halverwege een rare uitstulping heeft.

‘Vanochtend, iets na negen uur, is regisseur en columnist Theo van Gogh in de Linnaeusstraat in Amsterdam onder vuur genomen. Van Gogh werd daarbij door zeven kogels getroffen...’ klinken de bekende woorden. ‘Daarna sneed de dader ondanks een smeekbede met een kromzwaard de hals van Van Gogh door en stak het mes daarna diep in zijn lichaam. Met een ander mes werd een brief in Van Goghs buik geprikt...’

‘Vuile tyfushond...’

‘De dader is na een wilde achtervolging waarbij over en weer is geschoten gearresteerd. Het gaat om Mohammed Bouyeri, een Nederlander van Marokkaanse afkomst...’

En opnieuw zie ik beelden voor me van brandende moskeeën en standrechterlijk geëxecuteerde imams... Ik zet het tv-tje niet uit dit keer.



37




‘...Bouyeri schreef een Open brief aan het Nederlandse volk waarin het volgende te lezen is: De duistere wolken van de dood pakken zich samen boven uw land. Bereidt u dus voor op datgene waar u nooit op voorbereid kunt zijn. De dood en martelingen van onze broeders en zusters zult u met uw eigen bloed moeten aflossen. U bent overal een doelwit geworden: in tram, bus, trein, winkelcentrum, etc. Het zal slechts een fractie van een seconde wezen en u zult zich tussen de doden bevinden. De ondraaglijke stank van de dood zal uw maag ondersteboven keren. U zult zichzelf onder de ingewanden en stukken vlees vinden. U zult de pijn van verlies en de pijn van verminking proeven. Mocht de dood u respijt geven dan zal de tijd voor u blijven stilstaan en zult u de gebeurtenis steeds opnieuw beleven. Het leven zal voor u in een hel veranderen...’

Ik zie mezelf met de Luger in de aanslag, ingekort tot een handzaam formaat...

Ik hoor Sonja Barend en andere leden van de linkse kerk beweren dat Van Gogh het zelf uitgelokt heeft. Een van zijn columns wordt aangehaald: ‘Er is een vijfde colonne van geitenneukers in dit land die autochtonen ver- acht en bespuwt. Ze haten de vrijheid. En hoewel ze niets in de weg wordt gelegd op materieel of cultureel gebied, is het hun overtuiging dat goddeloos Nederland van de aarde weg- gevaagd moet worden. De laarzen marcheren weer, maar dit keer gaan ze gehuld in kaftans en blijven verborgen achter baarden. Miljoenen islamieten over de hele wereld haten de Westerse gelijkheid van man en vrouw, het Westerse recht om een flikker te zijn, het Westerse recht om af te wijken van de norm. Ken uw vijand.’ En dat had Van Gogh dus maar niet moeten zeggen. Ik zet het tv-tje uit. Ik heb genoeg gezien.



38




Ik gooi de deur achter me dicht. Het is donker, koud en stil op straat. De laatste tram is vertrokken. Maar in het Schipperskwartier heerst er volop leven, weet ik.

‘Hier dit moet je eens lezen.’
Mike overhandigt mij een kopie van een kranten-

artikel. Ik heb Mike de laatste tijd wel vaker gezien. Lijkt me toch een geschikte kerel. En misschien helpt dit contact me verder, biedt het kansen en mogelijkheden, was de gedachte. Dat hij in het verleden voor de BVD heeft gewerkt doet er niet meer toe. Nu staan we aan dezelfde kant. En iets aan de blik in zijn ogen zegt me dat hij tegenwoordig ook boven de wet staat.

Het is een artikel uit de NRC van 3 november 2005. ‘Overheid moet eigen rol bij ‘terreur’ niet verdoezelen,’ lees ik, ‘Dat vindt Louis Sévèke, werkzaam bij het onderzoeks- bureau Inlichtigingen- en Veiligheidsdiensten (OBIV)’.

‘Weet je, mijn hoofd staat er niet naar. Als ik iets wil lezen ga ik wel naar de bieb. Dit is een kroeg.’

‘Goed, jongen. Neem het mee. Lees het later op je gemak.’

‘Oké.’
‘Hier moet wel iets tegen gebeuren. Vind je niet? ’
‘Ja, duidelijk.’
‘Ze verdedigen die radicale moslims.’
‘Ja, ik weet het. Ze zijn de vaandeldragers van het

islamitisch fascisme.’
‘Van Gogh, 11 september New York, Madrid, Lon-

den de afgelopen zomer nog...’
‘Ja, de laarzen marcheren weer...’ ‘Ik heb een voorstel...’



39




In mijn appartementje neem ik het artikel nog eens door. Waarbij de woorden van Mike door mijn hoofd spoken: ‘Je bent door hun afgeserveerd als infiltrant a la Cees van Lieshout, ze hebben je kapot gemaakt en nu nemen ze het op voor die gevaarlijke gekken...

En ik besluit dat ik op het voorstel inga. Want ik moet nog maar één ding doen in mijn leven: de lijst. Want ik mág ze er niet ongestraft mee weg laten komen. Ze gaan de rekening betalen.



40




Een Novemberavond

‘Hallo, ik heb telefonisch een kamer gereserveerd voor vanavond.’

‘En uw naam is?’

Hotel Central ligt recht tegenover het Centraal station van Tilburg. Handig. En Tilburg ligt ook weer erg stra- tegisch. Het heeft wel even geduurd voordat ik hier eindelijk aankwam. Vanwege de gewaagde inhoud van mijn sporttas heb ik de trein Antwerpen-Roosendaal vanmorgen maar gemeden. Ik ben de grens overge- stoken met de bus. Door weilanden en gehuchten. Het vredige buitenleven was aanlokkelijk. Veilig. En tege- lijkertijd leek het de stilte voor de storm te symboli- seren. Daarna de trein naar Tilburg gepakt.

En nu zit ik volgens afspraak in de trein naar Nijmegen. Ik bekijk het treinkaartje: Enkele reis Tilburg-Nijmegen.

15 november 2005. 14:30 uur.

‘Dames en heren, de volgende halte is Nijmegen Centraal Station...’

Ik heb een droge bek. Mijn handen trillen. Ik stap het perron op.



41




Een Dag later

Ik moet hier weg! schiet er door me heen terwijl ik de kleren in mijn tas prop. En ik heb snel veel geld nodig. Want het is zo goed als op. En dat was ook niet de bedoeling. Dus ik besluit om weer naar Leiden te gaan. Dat is bekend terrein voor me. Ik heb nog genoeg voor een treinkaartje gelukkig. Ik ga hetzelfde trucje nog een keer uithalen. En ik had de vorige keer toch gezegd ‘Be- dankt en tot ziens!’. Nou, vandaag zullen jullie me weer zien. En de volgende keer zien we elkaar waarschijnlijk in de rechtszaal.

Gehaast loop ik naar de lift op de gang. De lift komt uit in de hotellobby en ik loop naar de balie om af te rekenen.

‘U kunt nog ontbijten als u wilt.’ ‘Nee, dank u.’
‘Was uw verblijf wel naar wens?’ ‘Ja. Prima.’

Ik zet de sporttas met het feloranje vlak op de natte klinkers en haal er een jack uit. Kijk om me heen of iemand mij ziet. Nee, de steeg is leeg. Ik trek het jack aan. Haal de muts uit de linkerzak, zet ‘em op, en controleer of de plastic tas van Mediamarkt in de rechterzak zit. Ja. Er gaat niets boven een goed plan. Ik heb de M.O. inmiddels goed in de vingers. Er kan niet veel mis gaan. Over een paar minuten sta ik hier weer. Met de sporttas vol losse bankbiljetten ter waarde van zo’n 10.000 euro. Met een beetje mazzel zelfs 15.000 euro. Dan zal ik vervolgens die plastic tas tevoorschijn halen en laat de sporttas daarin verdwijnen. Net zoals



42




de muts en het jack. De grote verdwijntruc. Want terwijl iedereen dan naarstig op zoek is naar een ren- nende bankrover in het zwart met de opvallende sport- tas, loop ik rustig naar de bushalte loop met een grote tas van Mediamarkt. Dus wat kan er nou nog misgaan?

Nou, bijna alles dus. De overval op de ABN-Amro in de Breestraat verliep niet helemaal volgens plan. Het magazijn van mijn gammele alarmpistool viel zelfs twee keer op de grond. Ze waren ook niet zo vrijgevig als de vorige keer. En op het cruciale punt, het om- kleden in het steegje, ging er bijna iets mis. Want een held was me achterna gelopen. Ik stond net mijn jack in de plastic tas te proppen toen hij om het hoekje het steegje in gluurde. Maar blijkbaar zag ik er niet uit als een bankrover, want hij liep gehaast verder. Maar het had me niets uitgemaakt. Al hadden ze me dood- geschoten, al was de wereld vergaan.

Ik haal mijn tas met kleren uit de bagagekluis, scherm de inhoud af van al die passerende treinreizigers om me heen en prop de plastic zak met inhoud er in. Ver- volgens loop ik naar het achterste perron om de eerst- volgende trein naar Amsterdam te pakken. Daar pak ik een hotel en dan zien we wel.

Ik staar naar het beeldscherm. Klik met de muis. En wordt misselijk. Het is echt waar.

‘Oh mijn god, dit gaat veel te ver!’ Die zin heb ik gisteren ook al meerdere keren in paniek uitgesproken. En hij blijft door mijn hoofd spoken.

Ik moet mijn zinnen verzetten. Ik ga naar de Wallen. Zuipen. Neuken.



43




Ik slenter over de Wallen. Langs Excalibur. Daar heb ik de hele middag en het begin van al de avond gezeten. Het erotisch museum. Langs het bruggetje. En ik kijk op naar het vrouwelijk schoon.

‘Hè, wat doet zij hier?!’
Ik zie Layla, mijn Marokkaanse schatje uit het Schip-

perskwartier. Ze zwaait. Ik loop het trappetje op.

Layla was voor de verandering aan het werk in Amsterdam. ‘Ga je met me mee Zina, weg van hier, op zoek naar een ander leven?’ vroeg ik haar na de sex. Nee, daar had ze geen zin in. En was daar vrij resoluut in boven- dien.

De volgende dag koop ik een kaartje om vier weken door Europa te kunnen reizen per trein. Nederland is te koud, te nat, en te heet onder mijn voeten. Ik heb hier niets meer te zoeken.



44




Kerstmis in Blanes

Dood één mens en je doodt de wereld



Een prachtige zonsondergang. Ik zit op de stenen balu- strade langs het strand. Mijn ogen gericht op het einde van de horizon waar de zon in de Middellandse zee lijkt onder te gaan. En ik voel dat ik geen recht meer heb om ervan te genieten. Ik voel dat dit een leven is dat niet geleefd mag worden. Mijn hoofd zakt naar beneden. Het hoeft ook niet meer geleefd te worden. En ik geniet er allang niet meer van. Het leven is voorbij.

De zon is definitief achter de horizon verdwenen, en het wordt nu toch echt koud en donker. Ik spring van de balustrade in het losse zand en slenter terug richting de flats. De lege toeristenflats van Blanes. Een klein stadje ten zuiden van Lloret de Mar. Op drie kwartier van Barcelona. De treinreis die startte in Amsterdam, eindigde aanvankelijk in de hoofdstad van Catalonië. Op internet in een hotellobby heb ik woonruimte ge- zocht. En zo kwam ik terecht in een van de apparte- mentjes van Stefan, een Nederlander die hier zomers de boel aan toeristen verhuurd. In ruil voor onderdak help ik mee met een verbouwing.

Ik staar door het raam naar buiten. De trein schommelt gemoedelijk heen en weer op weg naar Barcelona. Uit de luidspreker klinkt klassieke muziek. Af en toe ond- erbroken door de mededeling dat het volgende station



45



- Koran -




nadert: ‘Malgrat de Mar... Pineda.... Calella...’ En ik zie de blauwe lucht, de zon, de Middellandse zee. Zie golven op de rotsen slaan. Palmbomen. Stranden. Alsof ik in de aftiteling van mij eigen film zit. Ik ben nu ongeveer een maand in Spanje.

Stefan is een leuke gast. Een rasechte Amsterdammer, inclusief het zware accent en de cd’s van André Hazes. Ik heb de tijd van mij leven. Zogezegd dan. In geleende tijd. Ik heb nog nooit zoveel gelachen. Vanwege mijn onhandigheid noemt hij me Sjakie en ik noem hem Johnny. Familie Flodder. Bij één van die karweitjes met een slijptol is mijn spijkerbroek nog in de fik gevlogen. ‘Onvergeeflijk!’ proestte Stefan, toen hij uitgelachen was en de tranen in zijn ogen stonden. Werken is niks voor mij, dat blijkt wel. Helemaal niet als je er ook nog bij moet nadenken. Want daar ben ik lang geleden al mee gestopt. Samen bezoeken we het plaatselijke café en natuurlijk ook het plaatselijke bordeel. Aflevering Sjakie en Johnny naar de hoeren. Voor mij alles wat me nog boeit. Drank en vrouwen. Vrouwen en drank. De dag van morgen is ver weg en moet ook ver weg blij- ven. Hoeft niet eens meer te komen.

Toen we in Lloret de Mar voor het eerst Club Erotica bezochten ben ik gelijk met het eerste de beste meisje mee naar haar peeskamer gegaan, na wat rumcola’s achterover geslagen te hebben natuurlijk. En we had- den ons ook al ingezopen in Rick’s Bar in Blanes. Je moest het geld aan een ‘mammi’ betalen en dan kreeg je schone lakens mee en een muntje waarmee de stroom op de kamer werd ingeschakeld, waarna gelijk de sec- onden wegtikten op het schermpje. Wat het meisje er



46




aan over zo houden is me niet helemaal duidelijk geworden. Van die eerste keer kan ik me weinig meer herinneren dan dat ze na afloop de historische woorden sprak: ‘I like your shoes’. Ik had net een paar nieuwe gympies gekocht. Dus helemaal uit de lucht gegrepen was het niet, maar zoiets heb ik ze nog nooit horen zeggen. ‘I like your dick’ heb ik nog wel eens gehoord. Of een gelogen complimentje als: ‘You have such beautiful eyes’. Blijkbaar kon ze dat niet opbrengen en begon ze maar over mijn schoenen, want je moet de klant altijd tevreden naar huis sturen nietwaar? Al stink je uit je bek, ben je zo lelijk als de nacht, en neuk je als een nijlpaard, een goede hoer zal ervoor zorgen dat je zelfverzekerd naar huis gaat. Maar in feite had ze me dus gewoon beledigd. Nu was ze zelf ook niet echt moeders mooiste. Maar de kamer was donker en ik was dronken genoeg. Dus toen Johnny de volgende dag vroeg hoe het bevallen was met die transseksueel, schrok ik toch even. Het zal toch niet... Moet mij weer gebeuren. Maar ze had toch... Na wat moeizaam denkwerk waarbij ik zag dat Johnny z’n lach maar met moeite kon inhouden wist ik het zeker. Nee, het was geen omgebouwde vent geweest, daarvoor waren de borsten te klein en te slap geweest. Geen plastisch chirurg die zoiets aflevert. Zelfs de Doe-het-zelvers die de siliconen bij de Gamma halen, zouden betere resul- taten opleveren. Nee, het was toch echt een vrouw, en niet pas sinds kort. Ze was gewoon zo lelijk geweest als een vent. Maar je weet het tegenwoordig niet meer. Wel lachen natuurlijk.

Achteraf werd me ook de hele ironie van het verhaal duidelijk: Mijn leven is voorbij en eindelijk heb ik de juiste gympies aan. Fuck me!



47




Vermoeid van de betonnen vloer de we vandaag gelegd hebben, zak ik onderuit in de stoel, voor de tv. De pizza die ik gehaald heb bij de supermarkt hier tegenover, zit in de magnetron. Ik zap. En blijf hangen bij Discovery Channel.

‘...Fitting in, being part of a group is important to human beings. And the feeling of being rejected invokes deep emo- tions...’

Aan het woord is Roy Bowmeister een Amerikaanse wetenschapper.

’...But only for a while, because in the end social rejection and isolation leads to the complete shutdown of the emotional system. When subjected to social rejection over a longer pe- riod of time, they go numb. Both physically and mentally...’

Klopt. Flashback. Antwerpen. Januari 2005. Carmen. Steeg. 

’...Pain doesn’t bother them as much. This goes for inflicting pain onto others as well, because constant rejection results in a decrease of empathy. And the decrease of empathy makes them more capable of committing violent acts. So in the end social rejection and isolation can lead to violent actions and even murder...’

Ja, vertel mij wat.

‘...Revenge is a primary human emotion. It’s an emotion evoked by humiliation, loss or betrayal. Revenge is punish-



48




ment designed to level the scale. And after it’s done, they pick up their daily routine, like nothing happened...‘

Ping! De pizza Margarita is klaar.
Ik schuif hem op een bord en ga weer zitten.

‘...Westbrook didn’t have a violent past. No criminal record. In the past he was bullied by classmates. And for children isolation and humiliation is bad for their self-esteem. His example shows how this can lead to violent crimes...’

Flashback. Schoolplein. Kantine. Kleedkamer.

‘...They say you loose your soul after you kill somebody, but sometimes it’s the other way round. When I shot...’

Ik ben zielloos sinds januari 2005. Ik schakel over naar MTV en verorber de pizza.



49




On the Run in the Sun

Elk mens heeft de behoefte gekend te worden, en geliefd te zijn. Het is een basisbehoefte van ieder mens. En dat is de dieperliggende oorzaak waarom die meisjes makkelijk slachtoffer worden.

- Toos Heemskerk over slachtoffers loverboys 

Het zat er aan te komen. De dag dat het geld op is. Want de verbouwing is al lang klaar. En Stefan had geen werk meer voor me, dus toen ben ik verhuisd naar een goedkoop pension in Lloret de Mar. Dit keer met uitzicht op zee in plaats van een justitiepaleis. En Club Erotica op vijf minuten afstand. Dat is gerechtigheid. Al heeft me dat dus wel handen vol geld gekost. En nu ben ik blut. Dus ik vlieg terug naar Nederland. Van Girona naar Rotterdam. En hou er rekening dat ik op het vliegveld meteen ingerekend zal worden. Maar er gebeurt niets.

Als ik Rotterdam Airport uitwandel, en even later op de bus stap, realiseer ik me dat ik niet eens genoeg geld heb voor een hotel. Gelukkig kan ik op de Heemraad- singel in een hotelletje terecht waar ze me op m’n blauwe ogen geloven dat ik de rest morgen betaal.

De volgende morgen ga ik naar Breda. Eerst even het gereedschap opgehaald bij Shurgard en daarna met de trein naar de vestingstad. Voor dezelfde truc. Hetzelfde verhaal. Ik moest zelfs weer een kaartje met uitstel van betaling kopen. ‘Het geld is op mevrouw,’ was de reden die ik opgaf. Tot op de laatste euro. Voor brave burgers



50




nauwelijks voor te stellen. Ik kon het zelf ook moeilijk geloven.
‘Hier sta ik dan weer, godverdomme...’ Ik kan de boel niet eens goed voorbereiden. Maar het zal toch echt nu moeten gebeuren. Ik loop één keer een rondje. De bank staat er nog. Mooi. Daar gaat íe dan... Russisch Roulet- te.

Ik haalde de trekker over en... cashflowproblemen op- gelost. 15.000,- euro’s zijn van eigenaar verwisseld. Vriendelijk dank. Wel weer erg veel geluk gehad. Alsof me dat iets uitmaakt.

Hotel betaald. Vlucht geboekt. En binnen een paar uur ben ik weer terug in Lloret de Mar. Wat volgt is een zinloze en vooral hopeloze herhaling van zetten. Drank en vrouwen. Geld op. Nieuwe dag. Geld halen. Drank en vrouwen. Sex, drugs en rock-’n-roll dus. Allang niet meer om de pijn te verzachten, maar gewoon om de tijd te doden. Wat moet je anders? Het is zonder plan, zonder hoop. Zinloos en zonder zin.

‘Mierda!’
Mijn rechterhand doet zeer. De pijn en het zonlicht

hebben me wakker gemaakt. Ik kom langzaam bij mijn positieven.

‘Joder!’ Ik heb bonkende koppijn en een droge bek. Ik bekijk mijn hand. De zijkant is helemaal opgezwollen en blauw geworden.

Ik knijp mijn ogen dicht tegen het felle zonlicht, hoor het ruisen van de zee, en kom langzaam overeind van het bankje. Een nieuwe dag. Ik kijk op mijn horloge. ‘Shit!’ Ik hoopte vurig dat ik een uur of twaalf geslapen



51




zou hebben en dat het alweer een uur of vijf in de middag was. Maar nee hoor. Het is pas vijf over negen. Ook dat nog!

Gisteren geleefd alsof het mijn laatste dag was. Geld uitgegeven alsof het allemaal niets meer uitmaakte. En dan toch weer een nieuwe dag. Een hele lange nieuwe dag zelfs. Dat is een hele opgave als je niet meer weet waarheen en waarvoor. En al helemaal met een kater en een gebroken middenhandsbeentje. En niet te vergeten het zelfverwijt. Het stemmetje dat in mijn oor fluistert: je hebt het er zelf naar gemaakt! In het daglicht is zo’n leven niet vol te houden. Het is alsof de eenzaamheid en de zinloosheid in de schijnwerpers wordt gezet, met een spelshow-presentator die de prijs uitreikt: ‘En dit is uw leven. Gefeliciteerd ermee!’ Een kloteleven leef je in de nacht. De nacht dempt.

Ik zie de golven van de Middellandse zee op de rotsen beuken op dit afgelegen stuk strand en mompel: ‘Ik had het gisteren gewoon moeten doen’. Flashback.

[...] ‘A Captain Morgan and a Coke please.’
Terwijl ik mezelf die bestelling hoor uitspreken klinkt er ook een stemmetje dat me waarschuwt. Want ik weet waar dit gaat eindigen. Na de eerste slok is er geen weg meer terug. De tijd dat ik na drie glazen rumcola kon stoppen en netjes naar huis ging is defini- tief voorbij. Nu is die eerste slok het startsein voor een zuipfestijn. Er is geen reden meer om te stoppen. Er is wel een goede reden om er mee te beginnen. Want

nuchter zijn de dagen niet meer vol te houden. Simpel. Nadat ik het wisselgeld terug in mijn zak gestoken

heb neem ik de eerste slok. Fuck mañana. Fiesta!



52




De Ierse pub schuin tegenover de KFC in de eerste zijstraat van de Ramblas waar ik de eerste stap op de schuine helling heb gezet, begint te vervelen. Zoals verwacht. Ik heb het wel weer geprobeerd. Gewoon een gezellig babbeltje maken. Over koetjes en kalfjes. Over voetbal als het niet anders kan. Het begint altijd met de vragenlijst: ‘Where you from? What you’re doing in Barcelona? Really?’ Meestal loopt het op niets uit en kom ik geen stap verder. Maar soms, heel soms, lijkt het even mee te zitten. Gedeelde interesses. Een glim-lach. Een grap. En dan krijg je een gesprek van een heel andere orde. Echte vragen. Echte antwoorden. Echt contact. En iets van verlangen en hoop. Naar vriend- schap. Liefde. Al was het maar een klein beetje en heel even. Maar ook vandaag is alle hoop weer de grond ingeboord en zit ik uiteindelijk met de barman te praten. Lege woorden. Een standaard grap. Liefde is gewoon niet voor iedereen weggelegd. Doe je niks aan. Misschien verdien ik het niet? Maar hoe kan het dan dat al die idioten die ik hier om heen zie wel in aan- merking komen?! Want waar ik ook kijk, ik zie alleen maar luidruchtige, lelijke en domme dronken Engelsen om me heen. Of Ieren. Of Schotten. Of wat dan ook. Een heel leven gewijd aan voetbal, bier en tieten. Echte mannen. Ik-scheer-mijn-ballen-want-dat-is-mode-man- nen. Ik-neuk-mijn-vriendin-anaal-want-dat-doen-ze-in- pornofilms-ook-mannen. Allemaal hetzelfde. Inwissel- baar. Het is me dan ook een compleet raadsel waarom die Ieren zich zo nodig moeten afscheiden. Dat hele eiland zit vol met allemaal dezelfde Missing Links met dezelfde driften. De zeespiegel kan me niet snel genoeg stijgen. Ja, dit is duidelijk het moment dat de stemming



53




begint om te slaan. Het vierde glas rumcola is inmid- dels achterovergeslagen en ik zit alleen aan de bar. De vrouwen in deze tent hebben alleen nog maar interesse in de luidruchtige debielen die nu zelfs de muziek overstemmen en het barmeisje gaat glazen spoelen om maar niet met me in gesprek te hoeven gaan. Want dat levert niks op. Als je hier binnenkomt begroeten ze je altijd alsof je hun beste vriend bent: ‘Hey, how your doing? What can I get ya?’. Zo vriendelijk dat ik bijna altijd de neiging heb in het defensief te schieten. Zo van: wat is hier in godsnaam aan de hand? Zo vriende- lijk heeft nog nooit iemand tegen me gedaan... Maar als je de gefakete vriendelijk niet beantwoord met een vrijgevige tip, krijg je achter je rug om verwensingen naar je hoofd geslingerd. Eigenlijk zijn het net hoeren. En ik betaal hier al bijna acht euro voor een rumcola dus ik wil best een tip geven maar dan moeten ze me pijpen ook.

‘What the fuck doe ik hier eigenlijk nog?’ Die vraag laat ook nooit lang op zich wachten. Waar ik ook ben, met wie ik ook ben, het duurt meestal niet erg lang voordat ik me dat afvraag. Ik voel me eigenlijk nergens thuis. Het is alsof ik de verkeerde partituur voor me heb staan en het hele orkest me steevast verbaasd of geïrriteerd zit aan te kijken. Altijd. En overal. Tja, wat doe je dan? Je doet je best, je improviseert wat. Of je staat op en gaat weg.

Opgelucht dat ik al die dronken mongolen achter me heb gelaten loop ik langs de KFC de Ramblas op. Het is pas halfeen en het is druk. Ik loop met een boogje om de Afrikaanse prostituees heen zonder ze aan te kijken of te reageren op hun uitnodigingen. Want zogauw je oogcontact maakt of zelfs alleen maar vriendelijk met



54




‘No gracias’ hun aanbod afwijst kom je niet meer van ze af. Als het nou mooie Spaanse schonen waren of desnoods Pakistaanse, dan had ik nog getwijfeld, maar nu niet. Die zie je hier trouwens ook in overvloed. Paki- stanen. Het lijkt wel of die met containers tegelijk binnenkomen, samen met al die prullaria die ze in al die souvenirwinkeltjes hier verkopen. Ik begeef me in deze smeltkroes en speur naar een taxi.

‘Club Vientidos, por favor.’
De chauffeur zet zijn meter aan en rijdt verder over

de Ramblas naar Plaça de Catalunya.

De felblauwe neonlichten die het cijfer 22 aangeven maken duidelijk dat we op de plaats van bestemming zijn aangekomen. Club 22 op Bailen 22. De taxi remt af.

‘Aqui esta.’
‘Si. Muy bien, gracias.’
Ik geef de taxista 5 euro, stap uit en loop naar de

ingang. Een paar taxi’s staan voor de deur. In de grote entree staan mannen in zwarte pakken en met oortele- foons. Sportschooltypes. Armen gekruist over elkaar en een blik alsof ze heel nodig moeten schijten. Ik loop er langs en duw de deur aan het handvat van verchroomd staal met daarin het woord showgirls gestanst lang- zaam open. Een halletje. Met tien meter verder nog zo’n deur. En weer mannen in zwarte pakken. Eentje achter een desk.

‘Ola.’
‘Ola, veinticinco por favor.’
De chimpansee achter de computer kijkt me niet eens

aan. Vijfentwintig euro entree? ‘Si. Veinticinco.’



55




Maar het eerste drankje is gratis. Oké dan. Ik duw de tweede deur open.

‘Wow!’

Ik loop de immense zaal binnen. Het is druk. Muziek dreunt uit de boxen. Paradise City. En overal waar ik kijk vrouwen. Mooie vrouwen. Overal. Bijna overdond- erd schuifel ik verder, door de mensenmassa heen. Langs een verhoging links van me, vol volk dat relaxed in de banken hangt. Rechts van me een enorme bar, van zeker twintig meter lang in het midden van de zaal. Met een drankkast die net zo lang is. Ik kijk m’n ogen uit. Bijna teveel indrukken in één keer.

En wat is dat dan? Een meisje in bikini loopt aan de hand van een van de barmannen via een trapje de bar op. Ze pakt met beide handen de zilverkleurige ringen vast die met kettingen aan een rails in het plafond hangen. Dan neemt ze een aanloopje en zwiert gracieus van de ene kant van de bar naar de andere, naar het podium met zo’n glimmende danspaal. Die pakt ze vast en ze slingert zich eromheen. Afgeleid door dit verrassende schouwspel loop ik per ongeluk tegen iemand op, verontschuldig me gehaast, ‘Perdone...’ en loop gefascineerd verder. Dit is Paradise City.

Ik moet hier ergens een plekje zien te veroveren aan de bar! Ook omdat op het podium aan het eind van de zaal, geen stoel meer leeg is zo te zien. Alle banken rondom de tafeltjes zijn zo goed als bezet. Bezet met mannen in pakken. Maatpakken. Stropdassen. Instap- pers. Het lijkt wel een soort VIP-tribune. Zo kijken ze in ieder geval wel allemaal zie ik. Van die Ik-zit-in-de- import-export-types en met zo’n weet-je-wel-wie-ik- ben-blik, alsof ze allemaal de grootste crimineel van Barcelona zijn.



56




Oh, kijk hier is nog een plekje aan de bar vrij. Ik hijs me op de barkruk. En kijk nog een keer naar de VIP’s en denk: jullie kunnen wel stoer kijken, maar ik ben niet onder de indruk. Het is nogal dom om de vage zaken die je doet te verraden door de gangster uit te hangen. Als je de coke met kilo’s tegelijk importeert vanuit Colombia kun je maar beter de ik-ben-maar-een- simpele-autoverkoper-blik opzetten. Maar ik zie het al. Dit zijn simpele autoverkopers die een ik-zit-in-de- coke-business-blik opzetten. Ronduit belachelijk. Je gaat hier toch niet de hele avond moeilijk zitten te kij-ken? Met al die mooie vrouwen om je heen en een glas champagne in de hand?

Ik bestel een rumcola. Captain Morgan hebben ze nog nooit van gehoord. Baccardi dan maar. Ik over- handig het entreebewijs. Terwijl ik wacht op de drank zie ik op twee meter afstand de schoonheid glimlach- end rond de paal zwaaien. Ze heeft haar topje uitge- daan. Die prachtige benen, billen, borsten, zo dichtbij, in het spotlicht. Betoverend. Ik neem snel een slok. Nee maar! Ze ontdoet zich nu ook sierlijk van haar slipje. Ik zie een mooi gladgeschoren gleufje en besluit me maar om te draaien en beetje rond te kijken in de zaal voordat ik zelf een chromen danspaal in mijn broek heb staan.

Toch wel een puike tent, concludeer ik. Bij elkaar zeker veertig meter bar. Drie danspalen. Een paar hon- derd man binnen. Waarvan zeker de helft schaars geklede prachtige vrouwen. En verrassend goede mu- ziek. Guns ‘Roses hebben ze al gedraaid. Net als Metal- lica. Tussen de standaard house en dance door. Ik pak een kaartje van de bar: Club Bailen 22, Night Club, table dance and incalls. Het lijkt een sjieke tent waar je



57




normaal alleen binnen komt als je pasjes en connecties hebt. Een prima plek om mijn laatste avond door te brengen, besluit ik. Laatste avond? Ja. Als ik rustig aan zou doen met het geld, zou ik het hier in Spanje nog een tijdje uit kunnen zingen. Maar wat koop ik daarvoor? In m’n eentje een beetje in de zon zitten... De eenzaamheid en de uitzichtloosheid maken het zonlicht onverdraaglijk. Daarom zit ik hier in deze tent. Ik ga me vermaken met drank en vrouwen. Voor de laatste keer. Het doet er allemaal niet meer toe. Niets doet er nog toe. Morgen hoeft niet meer te komen. Het is hier en nu en daarna mag het afgelopen zijn. Ik ben er klaar mee. Dus fuck mañana. Fiesta!

De meisjes en vrouwen die hier rondlopen hebben me nog niet aangesproken. Ze zijn wel langs komen paraderen. Maar ik heb ze niet aangekeken. Doe je dat wel, al is het maar een fractie van een seconde, dan komen ze naar je toe. Ik probeer het eens met het meisje dat aan komt gelopen. Ze is slank, met lang blond haar en van die stevige, sexy bovenbenen. En ja hoor. Een glimlach, gevolgd door de vragenlijst.

‘Ola, como estas mi amor? Como te llama? De donde eres?’ Hé hoe gaat ‘t schatje? Hoe heet je? Waar kom je vandaan? De antwoorden doen er niet toe. Al zeg je: ‘Muy malo, Napoleon, Pluto y tu?’ ze horen het niet eens. Ze glimlachen alleen en stellen zich vervolgens voor met die mooie meisjesnamen: Sofia, Maria, Melisa, Cecila. Namen waarin de klanken van de sex al te horen zijn. Namen die er niet toe doen omdat ze ook verzonnen zijn. Want er wordt in dit soort tenten net zoveel gelogen als in de echte wereld. ‘Ik zit in de import-export. Mijn Mercedes staat voor de deur. Als je zin hebt kunnen we na afloop nog wel even maar mij jacht in de



58




haven gaan. Nee, nee ik ben niet getrouwd.’ Maar ik doe er niet aan mee. Ik lieg niet. Na het uitwisselen van de persoonsgegevens, stel ik een vraag. De vraag der vragen.

‘Quanto questa?’ Kost me dat?

Ik geloof dat ik me verslikte toen ik het antwoord hoorde. ‘Que?! Quanto?!’ Watte?!

‘Si , media hora. Tres cientos.’ Driehonderd euro voor een half uurtje sex? Ben ik toch weer op de ver- keerde plek en op het verkeerde tijdstip beland. Fuck! Om hier vrolijk van bil te gaan moet je wel degelijk kilo’s cocaïne importeren. Alleen de hoeren die besteld worden tijdens de topoverleggen van staatshoofden en bankiers zijn duurder.

‘Ben ik niet mooi genoeg dan?’

Ja mooi was ze zeker. ‘Si, tu muy guapa.’ Maar je bent net iets boven mijn budget. Of ik dan geen privé- striptease wilde. Voor slechts 120 euro. Een striptease voor 120 euro? Achter me danst een naakte negerin. En voor me staat een blondine naakt en voorovergebogen tegen een danspaal op de bar. En een eindje verderop staat een Braziliaanse met haar borsten en kruis tegen eenzelfde glanzende paal gedrukt en een been erom- heen geslagen. Gratis. ‘No quieres striptease?’ vraagt ze teleurgesteld. Iets voor 220 euro tussen striptease en pijpen en neuken in dan? Wat ik me daar bij moet voorstellen weet ik niet. Dus ik zeg: ‘No gracias. No tengo dinero. Guapa.’

Dus je bent hier alleen om te kijken en te rukken? Die vraag stelde ze deels in gebarentaal. ‘Si. Si.’ Met een minachtende blik en verstomde ‘Cabron...’ ging ze ervandoor.



59




Wat dat betreft is een bordeel erg leerzaam. In één avond krijg je door hoe het echte leven in elkaar zit. Mannen willen sex. Vrouwen willen geld. Meer is het niet. In het huwelijk is het niet anders dan in het bordeel: Hij liegt: ’ik hou van je’ omdat hij sex wil. Zij liegt: ‘Ik hou van je’ omdat ze geld wil. Hij een orgasme, zij een paar nieuwe schoenen. Dus het maakt een wereld van verschil of je kunt zeggen: ‘Tengo dinero’. Of dat je moet zeggen: ‘No tengo dinero’. Heb je geld dan komen die hoeren hier en in de echte wereld op je af als bijen op honing. Heb je geen geld dan ben je geen blik waardig. En zit er niks anders op dan eenzaam aan de bar te hangen en je troost te zoeken in de drank tot de portier je buiten schopt.

Deze scène vat heel mijn leven samen schiet er door me heen. En rijt oude wonden open. De euforie van het allerlaatste feest had moeten worden, maakt plaats voor de angst voor wat erna komt, de leegte, de stilte. Het einde. Precies op dat moment kijk ik weer naar het meisje dat eerder op de avond ook al heb zien dansen. Ze had mijn blik gevoeld en af en toe in mijn richting gekeken. Nu zit ze naast me. Maar ze maakt geen contact. Ze is blond. Slank en gekleed in lingerie die de meest intieme details verhult met allerlei kanten frutseltjes. Ik buig me naar haar toe.

‘Como estas?’
Ze geeft geen antwoord. Ik herhaal mijn vraag.
‘I don’t talk to you if you don’t buy me a drink.’
Ze kijkt me heel even recht in de ogen aan. En het

lijkt of ik een hartaanval krijg. Die ogen! Dat gezicht. Mijn God! Mijn gedachten vallen stil.

‘You buy me a drink?’ En weer kijkt ze me met haar betoverende lichtblauwe ogen aan.



60




‘Ehm...’ En in een vlaag van overmoed, blijdschap, overrompelende verliefdheid, nu-of-nooit, en wat-kan- mij-het-ook-schelen, zeg ik: ‘Vale, no problema.’

Bestel maar. ‘Que tu quieres?’ Ze haalt een pasje uit haar tas en draait zich om naar de barman. Ze bestelt een drankje. En ik gooi mijn geld op de bar alsof ik het gevonden heb. Dit is al gevarenklasse één voordat er iets gezegd is, merk ik. Dit kan fataal aflopen. Ik voel hoop en verlangen die ik allang dacht kwijt te zijn. Hoop en verlangen die ik helemaal niet meer wil voel- en. Maar toch laat ik me erdoor meeslepen. Zou het dan toch? Net voor de eindstreep?

In een klein champagneglas heeft ze iets van Malibu en een of ander fruitsapje gekregen. Promillage nul komma nul waarschijnlijk, en de helft van die zeventig euro is voor haar begrijp ik.

Ze schuift iets dichter naar me toe. ‘Gracias,’ zegt ze. De vragenlijst begint. ‘Como estas?’

‘No se.’
‘Como te llamo?’
‘Marc, y tu?’
‘Elena.’
‘De donde eres?’
Terwijl ik die vragen stel kijk ik haar met een blik

van absolute bewondering aan. Pupillen ongetwijfeld zo groot als schoteltjes. Het kan haar niet ontgaan. Dan verandert ook haar blik, haar houding. Niet dat ze ook verliefd naar mij zit te kijken, maar ze wordt zachter. Echter. Het is niet langer De Vragenlijst. Geen kosten/ baten-analyse. Maar het wordt een echt gesprek.

We lachen. We praten. We drinken. En na ik weet niet hoeveel tijd, ontglippen mij de woorden. De woorden die vanaf de eerste blik door mijn hoofd



61




spookten. ‘Te quiero.’ Ik wil je. Je kunt alles van mij gedaan krijgen meisje. Zeg het maar. Ik heb nu al meer dan tweehonderd euro uitgegeven, alleen maar om met je te kunnen praten en in je ogen te kunnen kijken. Opnieuw schieten er woorden door mijn hoofd. Woor- den die ik ook maar één keer eerder heb uitgesproken. En ook maar één keer eerder heb gevoeld. Die woorden waren bestemd voor Carmen. En het was mijn onder- gang geworden. Daarna waren de dagen lang en nacht- en koud en eenzaam. En nuchter niet meer vol te hou- den. Woorden die je te vaak uitspreekt verliezen hun betekenis. En ‘meisje, ik doe alles voor je’ kun je eigenlijk maar één keer uitspreken. Elena, kijk me aan... Mijn god! ‘Eschucha me.’ Luister Elena...

Ik sta buiten. Voel in mijn zakken. Zelfs geen geld meer voor een taxi. Ik heb geleefd alsof het mijn laatste dag was. Ik heb nog één keer alles op het spel gezet. Mijn geheimen prijsgegeven. Mijn ziel blootgelegd. Alles ingezet op rood. Amor. De woorden toch nog een keer uitgesproken. ‘Todo por ti!’ Maar het werd zwart.

Ik zwalk over straat. Vloekend. Schoppend. Auto- spiegels moeten het ontgelden. Winkelruiten. En de ge- dachte die ik probeerde te dempen met vrouwen en drank galmt door mijn hoofd. Niemand houdt van me. Niemand wil me. Ik doe er niet toe. Voor niemand. Ik sla met mijn vuist keihard tegen het glas van het bus- hokje. ‘Mierda!!!’ En ik neem me voor om als ik straks bij het strand ben aangekomen, de zee in te lopen en hier nooit meer terug te keren [...]

Ik zak weer achterover op het bankje en hoor het ver- wijtende geruis van de zee.



62




Een internetcafé op de Ramblas. Zo volg ik de ontwik- kelingen een beetje. Ik klik op de link van Opsporing Verzocht. Koptelefoon op.

‘Donderdag 9 maart 2006, om 11:45, loopt een overvaller heel rustig de ABN/Amro bank op de Oude Vest in Breda binnen. Er zijn op dat moment meer dan 20 klanten aan- wezig en zo’n 15 personeel. Dat weerhoudt de dader er niet van om op een bankmedewerkster af te stappen en haar te bedreigen met een vuurwapen. De man wil geld en hij moet en tijdje wachten, al lijkt hij zich daar niet teveel van aan te trekken...’

Nee, geduld is een schone zaak.

‘...Ook niet van de mensen om hem heen...’

Nee, nooit gedaan.

’Uiteindelijk loopt hij met het geld net zo rustig de bank weer uit als hij naar binnen gewandeld is. Van de dader zijn goede bewakingsbeelden.’

Succes verder jongens, kom me maar halen.



63




Boven de Wet

I never did finish much of anything the last eight or ten years. I was just pissed at the world, just getting high, get- ting by, making it up as I went

- Matt Dillon in Employee of the month -

De bus rijdt het enorme parkeerterrein op. Het is nog donker. Met een schok komt de bus tot stilstand. Ik wacht tot iedereen voor me is opgestaan. Ik ruik after- shave, werkschoenen en overalls. Ik stap als een van de laatste uit de bus. Rugzak over mijn schouder. En loop naar de ingang van het enorme bedrijfspand. GM staat er op een van de torens.

Het moet snel. Het moet nauwkeurig. En het gaat maar door. Als een robot leg ik de bedrading van het schuif- dak aan. Terwijl de wagen richting het volgende station schuift. Waar iemand anders weer een of ander onder- deeltje toevoegt. Een radertje in de machine. Dat ben ik. Ik zet wagens in mekaar die ik zelf nooit zal kunnen betalen. Van ‘s morgens vroeg tot ’s avonds laat. De zon zie ik niet meer. Gekkenwerk.

Ik heb mijn intrek weer genomen in de Sleep Inn. Lekker goedkoop. Lekker makkelijk. En ook De Zeven- de Hemel is weer opgenomen in mijn vaste routine. Waarom ik weer hier ben? Waarom ik zelfs weer aan het werk ben? Als jij het weet, weet ik het ook.

’Hé, kameraad!’
Fuck! Het kon natuurlijk niet uitblijven.



64




Mike schuift aan.

‘We zijn je een tijdje uit het oog verloren. Zeker richting het zuiden vertrokken of niet? En die bank- overval in Breda, dat was jij of niet? Net zoals die in Leiden een dag na ons avontuur.’

Hij komt net iets te dichtbij staan.

‘Ja, ik heb een tijdje in Spanje gezeten en die overval moet een dubbelganger zijn geweest.’

Ik vertel het met een knipoog. Maar ik voel me hele- maal niet op mijn gemak.

Mike begrijpt het en fluistert:
‘Ik moet je ook een geheim vertellen...’

In de weken die volgen zie ik Mike geregeld. En ik begin me steeds meer zorgen te maken. Tot de dag dat ik me realiseer dat het misschien toch maar beter is met de noorderzon te vertrekken. Ik moet hier weg! Ik weet teveel. Dat zijn de gedachten die door me heen schiet- en. En weer sta ik mijn kleren gehaast in de sporttas te proppen.

Ik sta weer in de ABN Amro in de Breestraat. Drie keer is scheepsrecht. En het is bijna kerst.

‘Hallo, ik wil geld,’ zeg ik terwijl ik tegelijkertijd de namaak Walther PPK tevoorschijn haal.

Een paar uur later zit ik in Antwerpen op een hotelkamer. Tegenover het Centraal station. Ik bel met de Belg uit Kortrijk die op internet een bestelbusje te koop aanbied.

‘Is het goed als ik hem dadelijk kom ophalen? ...Heel mooi! Ik zie je zo.’



65




De Bordelen van Barcelona

Niemand is zo vrij als wie veracht wordt



Barcelona. Tequilabar.
‘Ola guapa, un Captain Morgan and a Coke por

favor!’
Nadat de blonde 18-jarige schoonheid achter de bar

zeer gul is geweest met de rum en het glas voor me heeft neergezet en op de achtergrond Warrior Soul klinkt, de beste rockband ter wereld, ga ik er lekker voor zitten. Beter dan dit wordt het niet.

‘...Let’s get high, get wasted I want fun and I’ll make it...’

‘Muchas Gracias’
Cynthia heet ze als ik het goed verstaan heb. Ze is

prachtig. Maar al een vriend en te jong. Ik te oud, te lelijk, teveel verleden en geen toekomst.

Daar gaan we weer. Met een taxi naar Club New Arribau. Ik stap uit en loop het trappetje op.

Uit de vriendschappelijke knipoog van de portier maak ik op dat ze me nog kennen. Twintig euro entree. Eerste drankje gratis. De tweede twintig euro en vijftig euro voor een glas champagne voor de dames. En honderd euro voor een half uur met eender welke dame, een snuif cocaïne inbegrepen. Ik loop het halletje door, snel de volgende trap op en... het is alsof je in de



66



- Martin Walser -




hemel bent toegelaten. Ik ga aan de bar zitten. Kijk om me heen. Een vrij sjieke tent. Veel spiegels. Veel chroom. Glans en schittering. Je kunt je er een gangster wanen. Aan mij niet besteed. Ik val een beetje uit de toon met m’n t-shirtje, jeans en gympies. Maar omdat de portier met een briefje van vijfhonderd euro betaald heb, krijg ik toch genoeg aandacht en kan niemand mij plaatsen. Ik ga verder waar ik in de Tequilabar geble- ven ben. En leer Luisa en Monica kennen. Allebei uit Bulgarije.

Ik was nogal sceptisch over de aangeboden cocaïne. Zal wel poedersuiker zijn of cafeïne. Bovendien lig ik al met twee mooie meiden in bed. Je moet niet over- drijven. Maar ik probeer het toch. Gratis nietwaar? Een beetje op mijn natte vingertop. Verrek! Het lijkt toch verrekte veel op het echte spul. Dus ik neem een snuif. Godverdomme! Lekker! Gelukkig nieuwjaar!

Drank, coke, hoeren en de zon die schijnt. Een leven als in de film. Heb je mij ooit horen klagen? Prachtige tijd man!



67




De Bajes van Madrid

Vrijdagmiddag 16 maart 2007. Een zonnige dag in Barcelona. Geen vuiltje aan de lucht, zou je zeggen. Ik stap het EasyInternetcafé op de Ramblas binnen en bestel allereerst een broodje gezond. Daarna check ik snel mijn e-mail. Iets dat ik eens in de zoveel tijd doe. Ik verwachtte nu toch onderhand wel een mailtje terug van het thuisfront. Maar net als ik teleurgesteld weer wil uitloggen duiken er vanuit het niets drie mannen op, waarvan er eentje van achteren mijn polsen grijpt en naast het toetsenbord op tafel drukt. ‘Police!’ roept een ander. ‘What’s your name?’

En toen wist ik het. Het zou er ooit eens van komen. Onvermijdelijk. De dag dat alles voorbij is. Afge- lopen... Ga direct door naar de gevangenis. En dit is het moment waarop het gebeurt.

‘What’s your name!’ ‘Marc,’ zeg ik.
Ze lijken te twijfelen. ‘What?’

Ik hou me rustig en kijk van: Wat is hier nou aan de hand?! Waarom moeten jullie mij hebben? Misschien hebben ze de verkeerde. Zijn ze op zoek naar een van de zakkenrollers die hier al die toeristen berooft of zo. Wie weet. Dus ik trek een zo onschuldig mogelijk gezicht.

Ze beginnen in mijn zakken te zoeken.

Pakken mijn portemonnee. Rijbewijs. Ik hoor een soort opluchting in hun Spaanse conversatie als ze de foto en mijn naam hebben gezien. En de grip op mijn



68




handen die even iets losser was geworden wordt stevig. Heel stevig. Ze moeten míj hebben. Duidelijk.

Even twijfel ik of het wel agenten zijn. Ze verschillen namelijk niet van het soort sportschooltypes waar je voor moet oppassen. Dezelfde koppen, dezelfde blik- ken. Leren jacks, spijkerbroeken, gympies. Vrienden van Mike misschien?

‘Policia?!’
Hij laat zijn pasje nog een keer zien.
Nou oké, het zal wel.
This is it... verzucht ik.
En tegelijkertijd schiet er door me heen: Dus toch! Zie

je nou wel! Ik had al tijden het gevoel dat er iets niet klopte. Het mailtje dat maar niet kwam. De bank- rekening die geblokkeerd werd waardoor ik contact moest opnemen, en aan de andere kant van de lijn nogal zenuwachtig gereageerd werd. En dan nog de mannen in de kroeg die er niet thuishoorden en net iets te vaak in mijn richting keken. Gewoon het gevoel dat er iets niet klopte. Normaal gezien, zou ik allang vertrokken zijn. Zeker nu ik met een tot camper omgebouwde Fiat Ducato onderweg ben. Starten die wagen, en weg! Nieuwe dag, nieuwe stad, nieuwe kan- sen. Maar de excuses om te blijven waren talloos. Problemen met de accu was de meest praktische. En gemakzucht de meest overtuigende. ‘Het zal wel los- lopen’‘Het is altijd goed gegaan waarom nu dan niet?’, etc. Het aloude cliché: je wordt gepakt omdat je onvoor- zichtig wordt. Roekeloos. Het gevaar zit ‘em in de routine, zeggen ze altijd.

Maar er was ook één goede reden om te blijven. Een doorslaggevende. Een meisje. Ik zou haar dit weekend weer zien. En heel stiekem hoopte ik mijn leven weer



69




op de rails te krijgen. De kus op mijn wang bij het afscheid de vorige keer was zo zacht, zo... dat ik ter plekke besloot dat het maar eens afgelopen moest zijn met alle drank en losbandigheid. Toen de handboeien strak om mijn polsen geklemd zaten en ik op mijn knieën tegen de muur gezet werd na te zijn gefoui- lleerd, wist ik dat ook dát voorbij was. ‘Head down!’ Ik zal haar nooit meer zien. Misschien dat ze zich afvraagt waarom ik er niet ben en dan zal ze me vergeten... De femme fatal. En mijn hoofd zakt als vanzelf naar beneden. Altijd die verrekte hoop!

Ik word achter in een witte auto geduwd die voor het Internetcafé geparkeerd staat en we rijden naar het politiebureau. Het is iets over vier. Ik word in een cel gezet om een tijdje later meegenomen te worden naar de kelder. Voor vingerafdrukken en foto’s. Als de drie snapshots zijn genomen met een nummer voor mijn neus, en ik mijn jack al weer aan heb, komt er een vent aangelopen die eruit ziet als rechercheur. Met zijn digitale camera maakt hij opnames. Als het te lang duurt naar mijn zin, trek ik een grimas.

Het is me nog steeds niet helemaal duidelijk waarvoor ik gearresteerd ben. Kan van alles zijn.

Er komt al snel meer duidelijkheid als ik door de sportschooltypes naar mijn busje wordt gereden dat geparkeerd staat in een van de straten van Vila Olim- pica. Als we daar aankomen zie ik meer politie en een busje met speurhonden voor explosieven. Explosieven? Ze moeten de kluisjes bij Shurgard in Rotterdam gevonden hebben, realiseer ik me. Maar dan hebben ze niet alleen de explosieven gevonden, maar ook het



70




glaswerk en andere laboratoriumspullen, de handlei- dingen voor de productie van synthetische drugs en ex- plosieven, en... De laptop! Fuck! De laptop waarop ik in de zomer 2005 niet alleen het Hoe&Waarom van die bankovervallen beschreven heb, maar ook van de acties van het E.L.F., het XTC-lab en wat ik nog meer op mijn kerfstok had. Het was een soort biecht. Mijn leven was voor mijn gevoel voorbij en er was niemand die me kende. Ik wilde het vastleggen, opbiechten, om er zo voor te zorgen dat mijn leven niet helemaal voor niets was geweest. En nu zal dat allemaal tegen me gebruikt worden... Ze weten alles! Die gevangenisstraf wordt lang... Maar ach, what the fuck... Ik heb mijn beste tijd toch al gehad. En mijn geld is toch op. Nog een geluk dat ik het allemaal op tijd verbrast heb. Maar hoe hebben ze die kluisjes in hemelsnaam gevonden?

Er is inmiddels een tolk bij. Een Nederlandse onder- nemer uit Lloret de Mar die hier wat komt bijklussen. Die vertelt me dat ze vragen hoe het alarm werkt en of ik het uit wil schakelen en of er nog iets te verwachten is. Nee hoor. Als er eentje het busje instapt en naar de schakelaar van het alarm wijst zeg ik voor de grap in het Nederlands tegen de tolk: Ja, die knop, als ze die indrukken gaan we allemaal de lucht in. Ik word een beetje lacherig van de hele vertoning.

De omvang van de hele zaak wordt me pas echt pijnlijk duidelijk als we terug zijn op het politiebureau en ik het kantoortje met op de deur ‘Zware, georganiseerde cri- minaliteit’ wordt binnen geleidt en het Europees Arres- tatie Bevel onder mijn neus krijg geduwd. Ik zie wat fragmenten voorbij schieten.



71




Voorhanden hebben van zware explosieven... Tja.
Zeven bankovervallen... Was te verwachten.
De moord op Louis Sévèke 15 november 2005. Moord? Ik

word van de moord verdacht?!

De beelden van de overvallen werden getoond op de Nederlandse televisie. Naar aanleiding van deze uitzending werd door de ouders contact opgenomen met de politie... Oké dan, op zo’n manier. Van je familie moet je het hebben... Ik ben vrij desperaat, maar desondanks laat dit bericht me toch niet onberoerd. Verraden door je eigen ouders. Tja. Kan er ook nog wel bij.

De eerste nacht op het politiebureau probeer ik de slaap te vatten na een paar droge biscuits te hebben weg- gespoeld met sinaasappelsap uit zo’n klein pakje. Maar het lukt niet. De smalle cel is koud, de dekens dun, het bed van beton en het is afgesloten met traliewerk dus ik hoor de herrie op de tv van de bewakers en paar meter verderop.

Maar gelukkig duurt de nacht niet lang. Midden in de nacht wordt ik opgehaald, geboeid en achterin een busje van de zwaarbewapende Guardia Civil op een koud metalen bankje gezet. Ik ga op transport zoals dat heet. Waarheen? Zeggen ze niet.

En ik kan je zeggen, geboeid achterin zo’n busje, midden in de nacht over verlaten snelwegen rijdend, je realiserend wat je boven het hoofd hangt, dat stemt niet vrolijk. Maar om te zeggen dat ik er droevig van werd, dat is ook niet waar.

Het licht van de straatlantaarns dat door twee smalle spleten naar binnen schijnt en dat het metalen hok lijkt te veranderen in een discotheek met een glitterbol en deed me even wegdromen. Tot ik me weer realiseerde



72




dat ik helemaal alleen op de dansvloer stond en dat de echte wereld zo goed als onbereikbaar is geworden.

De volgende morgen kreeg ik in gaten waar de reis heen ging. Madrid. Maar het waren eindeloze uren voordat we er aankwamen. Op het laatst ook omdat ik ongelooflijk moest pissen. Ze waren onderweg zelf wel een keer gestopt voor een peuken- en pispauze, maar ik mocht er niet uit. Ophouden dus. Er was een moment dat ik overwoog om het maar gewoon te laten lopen. Toen reden we al in Madrid en bij iedere hobbel vrees- de ik te knappen. Gelukkig werd ik net op tijd de kel- der van de rechtbank voor Extradíccion ingereden. Ook daar opgesloten in een piepkleine cel. Zonder toilet. Maar uiteindelijk lieten ze me pissen. Daarna, liggend op het beton, wachten. Wachten. Wachten.

Uiteindelijk werd ik meegenomen de catacomben in om een kantoortje in geleid te worden. Achter een enorm groot statig houten bureau met vlaggen, onderscheidingen en foto’s van koningen en dergelijke, zat een man en naast hem twee vrouwen. De blik in de ogen van die man is hetzelfde die van een zware crimi- neel, merk ik op. Hard, meedogenloos, in staat over lijken te gaan.

Er komt een advocaat bij. Gezet en klein, zwetend en zenuwachtig. Ook een vertaalster verschijnt. Altijd fijn om weer je eigen taal te kunnen spreken. Zeker nu. Maar we komen al snel ter zake. Of ik instem met een versnelde uitlevering. Ja. Ik zie me al zitten in een Spaanse gevangenis! Allerlei doemscenario’s komen op. De Nederlandse gevangenis boezemt me al angst in. Dus zo snel mogelijk. Hoe lang gaat dat duren? Een week of twee. Oké. Geef hier die pen.



73




Diezelfde dag wordt ik met een chagrijnige Pool en een Algerijn in een busje gezet naar Soto del Real. Een gevangenis in buurt van Madrid.

Het is een enorm complex. Zwaar beveiligd. Zo’n grote toren in het midden die het hele complex overziet. Met hekken vol prikkeldraad. Muren. En nog meer hekken. En patrouillewagens die rondjes rijden. In the middle of nowhere ook. Maar de zon schijnt.

Na een aantal poorten door gereden te zijn stappen we uit. De formaliteiten volgen. Fouillering, vingeraf- drukken, inbeslagname spullen. En in de tussentijd staan we met zo’n vijftien man te wachten in een cel van 10 bij 10 meter. Het is druk, chaotisch. Er wordt geschooid om sigaretten. En hier zit van alles door elkaar. Jong en oud. Blank en zwart. Een internationaal gezelschap. Ik hoor een Engelsman zich voorstellen als Jack Daniel. En schiet in de lach. Als dat geen bijnaam is... Hij ziet er met z’n gebleekte halflange haar uit als een hippie. Ik hoor Russisch, Spaans. Iedereen probeert landgenoten of lotgenoten te vinden. Want hier ben je in je eentje kwetsbaar. Stoer voor je uit blijven kijken en geen centimeter wijken is dan het devies. Want hier wordt de pikorde bepaald. Hier wordt gekeken wie er gebruikt, of misbruikt kan worden. Wie geld heeft, en aan wie er geld verdient kan worden.

Maar we zijn weer één groep als er vrouwen voorbij komen gelopen. Die zie je hier ook. Veel zijn ook van het type prostituee uit Bulgarije of Roemenië of zo. En dan kijk je maar eens een keer extra goed want het zou wel eens de laatste keer kunnen zijn dat je vrouwen ziet...



74




Uiteindelijk vertrek ik met een grote gele plastic zak met twee dekens, een laken, wc-papier, tandenborstel, plastic bestek, beker en 3 condooms naar boven. Con- dooms?! Ja. Ik zit op dubbelcel krijg ik te horen. Oh... vandaar die condooms dus. Extra Strong. En vaseline wordt er niet bij gegeven... dat is één van die doem- scenario’s: het ‘hulpje’ worden van een of andere grote neger. Alsof ik me nog geen zorgen genoeg maak.



75




Het Besluit

Ik zit op cel met een Marokkaan. Zijn uiterlijk en voor- komen doen het ergste vermoeden. Een vers litteken bovenaan zijn boksersneus, een oog dat een paar dagen geleden nog blauw moet zijn geweest en van die werk- handen vol littekens die aangeven dat het werk dat met die handen gedaan is vooral bestaat uit vechtpartijen. En hij is gehuld in sjofele kleren waaruit hij een piep- klein radiootje tevoorschijn tovert. Voor noodsituaties al deze, lijkt het.

Maar goed, het is niet anders. We maken er het beste van. Zolang hij relaxed is, ben ik het ook.

Het duurt niet lang of mijn vermoeden wordt beves- tigd. Hij is er erg openhartig over. ‘Cocaina... Mucho... Fumar.’ Net wat ik dacht. Gezellig. Of ik rook? Nee. Zelfs geen sigaretten. Hij moet nodig sigaretten scoren, zegt íe. Ik beloof hem een pakje te bezorgen zogauw we de inkoopkaart krijgen. Toch een beetje te vriend zien te houden.

De eerste nacht slaap ik ondanks alles toch goed, al was ik wel bevreesd in mijn slaap boven van het smalle stapelbed af te flikkeren. Is niet gebeurd.

Hij is de volgende morgen als eerste op en ondanks dat hij zich gewassen heeft en zijn tanden gepoetst ziet hij er slecht uit. Ik kijk in dooie vissenogen. Ogen ook waarin de waanzin steeds meer zichtbaar wordt naar- mate hij langer droogstaat. Het lijkt wel of hij door me heen kijkt, of ik niet besta. Ik hoop maar dat ze eindelijk het geld op mijn kaart hebben gezet, zodat hij toch iets



76




aan drugs binnen krijgt. Want tot de afkickver- schijnselen behoort duidelijk ook een verstoorde stoel- gang. Die gast heeft gisteravond een paar scheten gelaten voordat ik insliep, bismillah!, Mijn God! daar gingen mijn ogen van tranen. Ouallah! Ik zweer het je.

Geen geld. Geen inkopen. Geen sigaretten. En we zijn al snel uitgepraat. Ik heb mijn hersenen gepijnigd om alles wat ik wist over Marokko boven te halen. Maar had geen nut, want we begrepen elkaar toch maar half. Nadat ChebKhaled ‘Aïsha. Si. Si. Muy bueno’, Amazighen en Allah, ‘Allah akbar si. Pero yo no religioso, soy un perro’, de revue gepasseerd waren was het ge- daan met de pret. Toen begon hij scheermesjes uit el- kaar te halen. Ik was even bang dat hij Allah een plezier wilde gaan doen door de ongelovige hond bij hem op cel af te straffen. Gelukkig knipte hij er alleen improvi- sorisch zijn teennagels mee. Met zijn blote voeten op tafel naast het brood, dat dan weer wel.

Hoe lang moet ik nog hier? was een vraag die zich steeds heftiger opdrong.

Volgende dag. Geld. Hamdullah! Godzijdank. Yes! In- kopen. Sigaretten eerst. Beloofd is beloofd.

Ik zit bovenop het stapelbed en zie dat hij zittend aan het bureautje het pakje gretig opentrekt.

‘Waarom stop je niet? Goedkoper. Gezonder. Goede gelegenheid.’

Hij neemt een diepe inhaal van de eerste sigaret. Hoort me nauwelijks. Houdt zijn adem in en blaast dan langzaam uit.

‘Es mi amigo.’ Hij wijst op de sigaret.



77




Hij behandelde het pakje sigaretten inderdaad alsof het een vriend was die hij lang niet had gezien. Hij veerde op. Hij straalde. Zijn ogen kregen weer iets van glans. Het was een blij weerzien: ‘Hé jongen! Blij je te zien!’ En de manier waarop hij het vastpakte en het plastic eraf haalde, bijna plechtig. Als een omhelzing en een schouderklop en elkaar aankijken en glimlachen: ‘Hoe gaat het met je jongen? Goed? Mooi. Ja, man met mij ook.’

‘Cocaina es un amigo mejor.’

Zo had ik het nog nooit bekeken. Nicotine of cocaïne als vriend... Dat het lekker spul is weet ik wel. Daarom heet het ook drugs. Maar een vriend? Maar Mustapha heeft gelijk. De dope is een vriend waar je van op aan kunt. Hij staat altijd voor je klaar en hij geeft je altijd een goed gevoel. En hij laat je nooit in de steek. Hoe moeilijk je het ook hebt, hij helpt je er doorheen.

Ik kijk naar hem en denk: Zo’n goede vriend vindt je inderdaad nergens. Ook geen wonder dat je er veel, zoniet álles voor over hebt. Dat is vriendschap. Dat is liefde. En misschien is het ook wel het enige beetje liefde dat je krijgt...

Na een paar dagen moet ik met de gele vuilniszak over mijn rug van inkomsten naar de echte gevangenis. Modulo ocho. Afdeling 8. Als ik voor de deur sta staan zo’n 20 man me aan te gapen. Te keuren. Er is nieuw vlees binnen. Nog meer angstbeelden doemen op. Nu is het van belang om me vooral niet te laten intimideren. Ik doe mijn best.

Na wat papierwerk te hebben ingeleverd bij de bewaker achter gewapend glas en tralies mag ik de zaal betreden. Het is net of ik in een Amerikaanse film



78




terecht ben gekomen. In de grote zaal zitten wel 100 man. Sommige zitten te kaarten of te kletsen aan de tafeltjes. Anderen lopen in groepjes rond. Het is ru- moerig, een chaos.

De Engelsman die zich een paar dagen geleden als Jack Daniels voorstelde loopt ook mee naar binnen. Het is toch zijn echte naam. ‘William Daniel Jack?’ riep de bewaker. Weliswaar met een zwaar Spaans accent, maar toch. ‘Yes! That’s me!’

En we wisselen wat woorden. Alles onder het mom: samen sterk.

Na een uur wachten, waarbij ik de vuilniszak met mijn spullen zenuwachtig in de gaten hield, klinkt er ineens ‘Recuento!’. Iedereen loopt terug naar zijn cel. En ik kom erachter dat ik op de derde verdieping op dubbel- cel kom te zitten met een Spanjaard van een jaar of vijftig. Ik had gehoopt dat ze me bij Jack zouden plaatsen. Niet dus. Ik sta er alleen voor.

Ik stel me voor.
‘Mariano,’ zegt ie, ’Bienvenido’. Welkom. Tja.
De cel is niet groter dan 5 bij 2 meter. Een stapelbed.

Douche en toilet.
Ik moet bovenin liggen, maakt mijn celgenoot duide-

lijk en schijten doe je niet hier maar beneden in de recreatieruimte. En ruim je rotzooi op. Oké.

Na de telling mogen we weer naar beneden. En ik ontdek dat je ook de hele dag buiten op de luchtplaats kunt rondlopen. Dat is niet slecht. Frisse lucht. Zon. Een beetje bewegen. Alleen jammer dat het nog winter is en de gevangenis vrij hoog gelegen is. Vanuit het cel- raampje kun je de bergen met de besneeuwde toppen rond Madrid zien. Mariano vertelde me dat daar, en



79




dan wees hij in de verte, het verhaal van Don Quichot zich afgespeeld had. Kortom, het is koud. Maar in de zomer moet het hier goed toeven zijn. Tenminste, als je genoeg hebt aan de zon die schijnt.

Het eten gaat net als in de film. Met je plastic bestek in de hand aanschuiven in een lange rij. De grote jongens hebben voorrang. Krijgen ook een paar extra scheppen of een toetje. En de rest probeert voor te dringen. En als je bord dan vol ligt dan mag je met je dienblad een plekje zien te vinden in de zaal. Lege tafeltjes zijn er natuurlijk niet. En zomaar ergens aanschuiven gaat ook niet. Dus vaak is het wachten geblazen tot de eersten weer de zaal verlaten. En als je dan eindelijk zit, moet je door eten want de tijd is zo voorbij. Eén voordeel: je hebt niet teveel tijd om na te denken over wat je eet. Dus ook de stukken vet met de varkensharen er nog op werk je naar binnen. Honger is de beste kok...

Het schijthok. Aan het einde van recreatieruimte zitten de ‘toiletten’. Maar zo kun je ze echt niet noemen. Het stinkt er. Het is smerig. Deuren kunnen niet dicht. Pleepapier moet je zelf voor zorgen. Zeep en hand- doeken zijn natuurlijk helemaal nergens te bekennen. En deze ruimte doet tevens dienst als ‘gebruikers- ruimte’. Kortom, even op je gemak je behoefte doen is er niet bij. Ik geloof dat ik de eerste paar dagen hele- maal niet heb gescheten. Maar op gegeven moment moet je toch. En toen kwam ik erachter dat de term ‘shitting bricks’ op twee manieren uitgelegd kan worden.

Met mijn celmaat viel niet veel te bespreken. Dus



80




overdag zocht ik mijn vriend Jack maar op. Beetje rondjes lopen over de luchtplaats. Samen een plaatsje veroveren in de eetzaal. Beetje voor de tv in de recrea- tieruimte hangen. De tijd doorkomen. Je tijd verdoen eigenlijk. En er achterkomen dat als je hier binnen zit het belangrijkste gemis het vrouwelijk schoon is. En dat is zo erg dat als op Eurosport kunstschaatsen wordt uitgezonden, je elkaar aankijkt en mompelt: ‘This is fuckin’ porn!’.

Maar helemaal verstoken van vrouwen blijf je hier in Soto Real niet. Zoals gezegd zitten er hier ook vrouwen in de gevangenis. In die paar dagen dat ik bij mijn Marokkaanse vriend op cel zat kon ik ’s avonds vaak de klaagliederen horen, gezongen door vrouwen die een verdieping lager zaten. En ik kan je zeggen: dat komt aan.

Je komt die vrouwen en meiden ook wel eens tegen op het terrein. Als je gaat sporten bijvoorbeeld. Dat is trouwens wel een verhaal apart. Die sporthal is zo groot en luxe dat je je ogen uitkijkt. Ik ben één keer mee wezen voetballen en kwam erachter dat ze hier niet alleen een mooi zaalvoetbalveld hebben, maar dat er ook een goed uitgeruste fitnessruimte is en zelfs een zwembad! Maar goed, die meiden die je dus tegenkomt krijgen meteen alle aandacht. Zeker omdat het gerucht hier gaat dat sommige voor een telefoonkaart wel bereid zijn bepaalde diensten te verlenen. Maar waar- schijnlijk is een wens de vader van die gedachte. Of zoals Jack het treffend verwoordde: ‘The only thinking you do in here, is wishfull thinking’.

En als je zo een paar dagen rondloopt en je ogen en oren de kost geeft dan kom je erachter dat je hier zo



81




slecht nog niet zit. Want naast de hele dag luchten in de zon, het zwembad, de sportzaal, de bibliotheek, de ‘gewillige’ vrouwen, schijn je zelfs hier in Spanje eens in de zoveel tijd recht te hebben op een uurtje ‘intimo’. Een uurtje zonder toezicht, met je vrouw of vriendin. Jack heeft zogauw hij het vernam een ‘instancia’ (ver- zoekbriefje) ingeleverd bij de dienstdoende ‘functio- nario’. Tevergeefs uiteraard, want hij zou binnenkort toch uitgeleverd worden. Maar diegenen die wat langer zitten, en die het wel gelukt is, gebruiken die gelegen- heid ook om wat verdovende middelen binnen te brengen. Want ook daar is hier geen gebrek aan. Daar kom je wel achter als je van het schijthok gebruik maakt en luistert wat er om je heen gebeurt. ‘Chocolate’ (hasj) is volop te krijgen. Maar ook aan ‘pastillas’ (pillen), ‘ca- vallo’ (heroïne, horse) of ‘metadona’ (methadon) geen gebrek. Want er zijn ook hier genoeg ‘drogadictas’ onder de ‘presos’ (gevangenen) of ‘compañeros’ (kame- raden) zo u wilt. Er zijn zelfs gsm’s op de afdeling. Naar het schijnt binnengesmokkeld in magnetrons. Een vervaarlijk uitziende Rus, die volgens de geruchten een hele lijst met liquidaties op zijn naam heeft staan en duidelijk aanzien heeft, schijnt dat verzonnen te hebben.

Als je zo een paar dagen met elkaar optrekt, leer je elkaar toch een beetje kennen. Jack Daniels, zoals ik hem noemde, met z’n geblondeerde haren en relatief onschuldige hippie-uiterlijk is een Engelsman die ‘On the run in the sun’ was. Op de vlucht voor justitie, had hij geprobeerd een nieuw bestaan hier in Spanje op te bouwen. Net als ik. Het was hem bijna gelukt. Als Rod Stewart imitator. Toen hij dat voor de eerste keer



82




vertelde, geloofde ik er ook niets van. Ondanks dat hij inderdaad wel wat weg had van de zanger. Net zo lelijk, net zo blond, net zo’n verlopen kop. ‘Echt waar!’, ging hij verder, ‘Hier in Spanje ging ik kroegen langs en trad ik op.’ Om te vervolgen: ’But there were two us. There was another Rod Stewart impersonator. And I had to get rid of my competition.’ Om lachend daar aan toe te voegen: ‘And that’s how I ended up here.’

Maar toen hij aan het einde van de eerste week een gitaar ergens op de kop had weten te tikken en op de luchtplaats onder luid gejuich zijn versie van ‘I am sailing’ ten beste gaf, kon ik niet anders dan hem het voordeel van de twijfel geven ondanks zijn vage verhalen. Het ontlokte mij de uitspraak: ‘You’re not a criminal, you’re an artist!’. En ik kwam tot de ont- luisterende conclusie dat ik Rod Stewart altijd zwaar onderschat heb. Een akoestische versie van Sailing home in de bajes... Om diep ontroerd te raken.

Zijn verzoek of ik voor hem niet alsjeblieft een pakje sigaretten voor kon schieten, willigde ik dus zonder problemen in. Maar het bleef niet bij één verzoek. Hij was ook vegetariër zei hij, en had de tijd dat hij hier zat nauwelijks gegeten, en zijn vrouw zou langs komen en geld storten maar dat was nog niet gebeurd, of ik misschien ook een paar blikjes tonijn voor hem had. Elke keer als ik in de rij stond voor de ‘economato’, het loket dat een uurtje of zo per dag open was, en waar je koffie en chips en dergelijke kon kopen, wist hij me te vinden. Ik vond hem sympathiek. En ik geef niet veel om geld. Hij zou me sowieso terug betalen voor hij weg ging, beloofde hij. Ik zei: ‘Hoeft niet. Stuur maar een cd- tje met je muziek op.’ Want hij een cd laten maken met al zijn covers erop, zei hij.



83




De wereld is klein. Maar toen ik in de rij voor het eten stond aan te schuiven en in het Nederlands werd aan- gesproken door een Antilliaan, krabde ik toch even achter m’n oren.

Zó klein kan de wereld toch niet zijn? Toen ik er even later achterkwam dat hij ook nog eens uit Nijmegen kwam, kreeg ik mijn bedenkingen. Zo klein kán de wereld gewoonweg niet zijn. Dat kan geen toeval meer zijn. Maar goed, je bent blij dat je weer gewoon Nederlands kunt praten, dat je je eindelijk weer verstaanbaar kunt maken en mensen weer be-grijpen wat je zegt. Dus een nieuwe vriend erbij. En je legt hem uit hoe het er hier aan toe gaat. Hij ook blij.

Gregory Bienvenido Dalnoot heette hij. Is dat een echte naam? Nou goed. Opgepakt op Madrid airport hier vlakbij. Kilo’s cocaïne in zijn bagage. Zal wel. Hij ziet er niet uit als een gangster. En helemaal niet als een Antilliaanse gangster. Want die hebben voordat ze kun- nen lopen al gouden tanden en oorbellen en kettingen volgens mij. En een blik van: ‘Hé swa! Heb ik soms iets van je aan?! Coño bu mama!’.

Maar Dalnoot niet dus. Het enige ruige aan hem is een tattoo van een dollarteken op zijn armen. Maar daarmee zou hij net zo goed een student economie kunnen zijn.

Ik stel hem voor aan Jack Daniels.

‘Die kerel heeft zijn concurrent in het Rod Stewart- imitatiecircuit omgelegd.’

Lachen. ‘Yes, fun as fuck,’ voegt Stewart er aan toe.

Waarom ik hier zit? Fiets gejat. Serieus. Ja, niet één fiets, maar twee! Ja, er wordt wat afgelachen in de bajes. Vanaf dat moment werd mijn bijnaam: ‘Two bikes’.



84




Maar Dalnoot bleef nieuwsgierig. Dus uiteindelijk vertel ik hem toch meer. ‘Ik heb levenslang boven mijn hoofd hangen. Voor... Een hele waslijst’ En ik vertel hem mijn besluit dat ik een paar dagen eerder heb genomen: ‘Ik ga alles bekennen.’

Ik ga gewoon alles bekennen waarvan ze me be- schuldigen... Het hele lijstje. Lijkt me het beste. Of ik nou 12 jaar krijg of 18. Het leven is toch al voorbij. Ik heb niets meer te verliezen en niets meer te winnen. In de bajes ben ik bijna net zo goed af. Voor die acties en bankovervallen krijg ik sowieso een jaar of 12-15. En beken ik die moord dan krijg ik 15-20 jaar. Toch? Je wordt toch bestraft voor het zwaarste delict? Scheelt niks. En als je zit voor moord, dan laten ze je waarschijnlijk wel met rust in de bajes. Trouwens wat moet ik anders? Zeggen hoe het echt gegaan is? Haha. Dat overleef ik niet eens. Dan vermoorden ze me als ik eruit kom. Of in de bajes al. Nee, beter bekennen.

Rod Stewart is verdwenen. Zonder zijn afspraak na te komen. Zonder afscheid. Tachtig euro foetsie. Toch ben ik hem dankbaar. Niet alleen omdat hij me Rod Stewart heeft leren waarderen, maar ook omdat hij me de be- langrijkste les in de bajes heeft geleerd: Alles is gelogen.



85




Thuis

Dinsdag 27 maart 2007 word ik uitgeleverd. Nadat ik alles weer in een vuilniszak gepropt heb en afscheid heb genomen van Mariano ‘Adios Amigo, mucho suerte’ moet ik eerst naar het gebouwtje waar ik ook ingecheckt ben.

Ik krijg spullen terug die niet ingevoerd mochten worden en ik krijg nog geld terug als het goed is. Ik had een paar honderd euro’s op zak toen ik werd opgepakt. 50 euro daarvan hebben ze hier op mijn rekening gezet zodat ik inkopen kon doen bij de economato, de rest werd apart gehouden samen met SIM-kaarten en een mobiele telefoon en nog wat spullen die je niet op cel mag hebben.

Maar dat geld terugkrijgen blijkt nog niet zo gemakkelijk. De bewaarder die hier aan het werk is ruikt zijn kans. Een paar honderd euro cash is blijkbaar verlokkelijk voor hem, want hij telt in eerste instantie alleen het geld uit dat nog op de economato-rekening staat. Hij denkt natuurlijk: die gast zie ik toch nooit meer, die wordt uitgeleverd, en die spreekt geen woord Spaans, ik wordt hier vandaag gewoon een paar hon- derd euro rijker. Geen haan die er naar kraait. Maar gelukkig heb ik al mijn papieren bewaard en spreek ik genoeg Spaans, dus als ik dreig iemand anders erbij te halen, geeft hij uiteindelijk toch mijn geld terug. Op een paar euro’s na. Geript worden door bewaarders, het moet niet gekker worden.

Even later zit ik in een politiebusje richting Madrid Airport Barajas. We rijden de catacomben in en ik word



86




geboeid een halletje ingeleid. Daar zie ik nog meer pechvogels zitten. Maar ik ben de enige die geboeid is. En geboeid blijft. Dat levert enkele verbaasde blikken op. Verbaasde blikken van kerels met tatoeages en een moordenaarsblik in hun ogen. En iets van afgunst ook. Handboeien zijn blijkbaar ook een statussymbool. Het lijkt wel of ze zich in hun eer voelen aangetast. Dus ik zet een zo onverschillig mogelijke gezicht en kijk van: Wat nou?! Niet veel later wordt ik afgevoerd naar een cellencomplex nog dieper in de catacomben van Bara- jas. Het heeft iets weg van een kennel. Niet alleen omdat het hekwerk en het beton van de cellen erop lijkt. Maar ook door de geur. Wat een stank. De stront zit op de muur. Net als bloed. Het doet niet onder voor het schijthok in Soto del Real.

Niet veel later zit ik op een vlucht van de KLM richting Amsterdam. Enkele reis. Weg uit het Spaanse paradijs. Ik mag bij het raampje zitten op een van de achterste stoelen. Ongeboeid. Maar met twee stoere kerels van de Koninklijke Marechaussee naast me om ongelukken te voorkomen. De stewardessen zijn knap maar als ze langs komen kijken ze angstig weg. Dan niet. Hoeren.

Een paar uur later landt het vliegtuig op Schiphol. Gevolgd door fouilleren, uit de kleren. In de cel. Wachten. Uit de cel. Wachten. Hier tekenen. In de cel. Wachten. Uit de cel. Daar tekenen. Fouilleren. Op trans- port. Geblindoekt. Geboeid. Twee man naast je. Die al- leen maar zeggen: ‘Je mond houden. Begrepen?’ En Frans Bauer op de radio. Abu Graib is er niks bij. Sterker nog, ik heb liever dat ze een autoaccu op mijn ballen aansluiten dan met handboeien om en geblind-



87




doekt anderhalf uur lang naar Frans Bauer te moeten luisteren. Als mijn besluit niet allang vast stond had ik onderweg wel gezegd: ‘Oké jongens ik beken wel, zet maar af die muziek!’



‘En John F. Kennedy heb ik ook vermoord.’ ‘Pardon, wat zegt u?’
‘Niks. Laat maar.’



88




Twee rechercheurs zitten tegenover me in de verhoor- kamer. Ik heb een kopje thee gekregen. En een koekje.

‘Oké, start van het verhoor. Tijdstip 21:00 uur. Je bent niet tot antwoorden verplicht. Het verhoor wordt ook opgenomen... We willen over de moord op Louis Sévè- ke praten. Wat wil je er zelf over vertellen?’

‘Niet zoveel eigenlijk. Maar stel de vragen maar.’

‘Wanneer ben je op de dag dat Louis Sévèke ver- moord is naar Nijmegen gegaan?’

‘Ik ben met de trein naar Nijmegen gekomen. Vanuit Tilburg.’

‘Wat had je bij je?’

‘Een tas met daarin de Luger, de munitie en het zwarte jack had ik toen bij me.’

‘Wat voor tas?’
‘Een zwarte sporttas met oranje vlakken.’

‘Wat ben je in Nijmegen gaan doen?’
‘Ik ben door de stad gelopen.’
En aan het eind van de middag heb ik de tas

afgegeven aan Mike. Eenzelfde sporttas met daarin mijn namaak Beretta en zo’n zelfde jack hield ik zelf.

‘En waar heb je Louis Sévèke gezien?’
‘Ik kwam hem toevallig tegen in de Ziekerstraat.’ ’Wanneer is het bij jou opgekomen om Sévèke op te

zoeken?’
‘Tja... Dat is een lang verhaal.’

Flashback. Mike: ‘Ik heb net zo’n hekel aan die gasten als jij. Misschien kunnen we samenwerken? Ik heb een voorstel. Wat dacht je van... We gaan ‘em gijzelen... Ontmaskeren als sympathisant van de islamitische terreur... Effe een lesje leren... Die Luger van jou komt ook van pas...’



89




‘Nou goed, ehm... wat gebeurt er daarna, als je hem bent tegengekomen?’

‘Daarna?’

Flashback. 2006. Terug in Antwerpen. Mike: ‘Ik moet je ook een geheim vertellen... Ja, het is iets anders verlopen dan beloofd, maar dat wist je al. Maar het zit zo. Hij had veel vijanden. Een daarvan... Hij heeft het me verteld... Hij loopt zo dat straatje in... En schiet hem zo... Bam! Bam! Tegen zo’n kutmarokkaan, zegt íe: bel de politie!! Haha!’

’Ja, toen ehm... Toen liep ik hem achterna De Twee- de Walstraat in.’

Nee, klein beetje gelogen. Ik zat in de wagen bij Mike in de Pierssonstraat. Kon alles volgen via de portofoon.

’En toen?’
’Ja, toen ehm...’
Toen ben ik als een gek naar het station gerend.



90




Epiloog

16 mei 2008. Ik kijk naar de omgeving. Zie de bomen, de weg, auto’s, mensen, de blauwe lucht. En heel even overvalt me het gevoel van vrijheid dat doordringt tot achter het glas van het gepantserde busje. Ik word overgeplaatst. Van Arnhem naar... Ik weet het niet. Willen ze niet zeggen. Mogen ze niet zeggen. En de buitenwereld die tussen die betonnen muren van het HvB in Arnhem langzaam is vervaagd en tot decor ge- worden dringt zich nu op en haalt oude herinnerringen boven. Een vaag gevoel van vrijheid, slenterend door de zonnige stad, nonchalant een leeg blikje cola voor me uitschoppend, komt boven.

En het steekt toch een beetje dat ik weet dat ik het waarschijnlijk nooit meer meemaak. Dus ik sluit me er meteen weer voor af. Je hebt er toch niks meer te zoeken, maak ik mezelf wijs. Ik heb er nooit wat te zoeken gehad. Het was toen ook een eenzaam leven. Eigenlijk ook een leven achter glas, achter tralies. Maar ik weet ook dat ik het nu anders zou aanpakken. Ik had een mooi en makkelijk leven kunnen hebben als ik me maar niet zo druk had gemaakt over zaken die toch niet te veranderen zijn. Ik had iets meer aan mezelf moeten denken en me gewoon in het feestgedruis moeten stort- en. Maar goed, dat is voor een volgend leven.

We rijden een soort bedrijventerrein op in Sittard. En als even later de metalen sluisdeur van P.I. Limburg Zuid achter me sluit voelt het net alsof ze mijn grafkist dichtspijkeren. Ik haal nog één keer diep adem...



91




Bijna etenstijd. Ze zullen zo wel komen met de mag- netronmaaltijd. Mijn celdeur is niet op slot, maar ik heb hem dichtgetrokken en loop heen en weer in mijn cel. Dat is beter dan over de reling hangen, tegen al die lelijke koppen aankijken en proberen wijs te worden uit al die klanken die worden uitgestoten en woorden schijnen te vormen. Het is net Artis daarbuiten. Ik heb het geprobeerd de afgelopen weken, maar gaat niet lukken. Vandaag geen bezoek aan de dierentuin voor mij. Gewoon celdeur dicht en zelf als een tijger in een te kleine kooi heen en weer lopen. Eén, twee, drie, draai. Eén, twee drie, draai. Het is een verspilling van leven. Meer niet. Zo zinloos als een tijger die de tijd doodt. Die kun je ook beter afschieten en opzetten. Is voor iedereen beter. Eén, twee, drie, draai. Eén, twee, drie...

Ik probeer nergens aan te denken. Lukt niet. Ik ben eigenlijk nog slechter af dan die tijger, realiseer ik me ineens. Die wordt nog bekeken, gezien, bewonderd. Er wordt gewezen, gekeken, gepraat. Er worden foto’s gemaakt. Ik loop hier heen en weer, zónder dat iemand het ziet. En zonder dat iemand het ene fuck interes- seert. Helemaal zinloos. En om dat draaglijk te maken probeer ik te stoppen met denken. Dus ik tel mijn passen. Neurie een deuntje. Helpt niet. Besta ik eigen- lijk nog wel? schiet er door me heen. Ik weet het niet.

Weet je wat? Ik pak de nagelknipper erbij. Misschien helpt dat. Ik schuif het kettinkje om mijn linker wijsvinger – want dan moet ik echt mijn best doen – en begin weer te lopen terwijl de nagelknipper om mijn wijsvinger slingert. Draaien, draaien, draaien tot je jezelf de gevangenis uit transcendeert. Tot je van zin- loosheid Zen gemaakt hebt. Van niets Nirvana.



92




Het lijkt te werken. Eén, twee, drie... Eén, twee... Eén...

Tot plots de deur van de apenkooi opengaat. Niks Nirvana. Niks Zen. Herrie. Voedertijd.

Als ik even later mijn Hollandse Hachee met het Halal- keurmerk naar binnen werk, realiseer ik me plots dat de kracht van de rozenkrans of een islamitische kralen- ketting die door je vingers schuift dezelfde is als bij dat nagelknippertje: je komt automatisch in hogere sferen door een simpele handeling eindeloos te herhalen.

Na de laatste hap besluit ik de God van de schone nagels opnieuw te gaan aanbidden...

‘Ik hou van je Anita!’ hoor ik Johnny schreeuwen vanuit de keuken op de derde verdieping met zicht op de vertrekkende bezoekers bij de hoofdingang. Zijn anderhalf uur RBB zijn blijkbaar voorbij. Relatie Bevor- derend Bezoek. Natuurlijk houdt hij van je Anita. We houden allemaal van je, als we de kans zouden krijgen.

Gistermiddag klonk Johnny nog heel anders. Toen zaten we met z’n allen op de werkzaal en liep hij ons al te vervelen: ‘Morgen RBB! Morgen RBB!’ En begon hij weer spontaan te rappen zoals íe wel vaker doet.

‘Ja ik heb zin. Morgen gaat hij er in. Lekker diep. Geen gepiep. Op en neer. Telkens weer. Tot ik kom. In het gezicht. Van dat wicht.’

‘Van je nicht zul je bedoelen,’ werd er geroepen. Gelach.

‘Wacht maar tot ik ‘em in jouw vriendin steek! Kankermongool. Ga jij vanavond maar lekker aan die kleine pik van je liggen trekken, ik ga lekker palen



93




laden!’ Johnny laat zich niet van de wijs brengen en gaat verder waar hij gebleven was.

‘Kom hier bitch. Benen wijd. Het is tijd. Dat je ze spreidt. Dan ga ik pompen en komen. Nog lekkerder dan in mijn dromen.’

Ik doe mijn raam dicht. Johnny... Vale joggingbroek, mouwloos t-shirt, petje met dollartekens, gouden ketting met dollarteken. Lomp lijf. Twee blauwe ogen die net iets te dicht bij elkaar staan. Sufgeblowd. De Nederlandse wannabe versie van Eminem. Ik heb me dikwijls afgevraagd hoe hij überhaupt aan een vriendin komt. Maar wonderbaarlijk genoeg heeft hij de ‘chickies’ en ‘bitches’ voor het uitkiezen. En wat hij met ze uitgehaald heeft ken ik alleen uit pornofilms. Laatst vertelde hij over een grietje dat ze flink hadden laten blowen en daarna mee naar huis hadden genomen, waarna ze haar met z’n drieën ‘helemaal sufgeneukt’ hadden. En terwijl ze daar versuft lag ‘met de benen wijd en volgespoten’ hadden ze nog een vriend gebeld, en gevraagd of hij ook geen zin had. Die was inderdaad langsgekomen en ‘die begon in al die kwakkies te naaien, de mafkees!’. Een weerzinwekkend verhaal maar op een of andere manier toch ook jaloersmakend. Dat kan niks anders betekenen dan dat ik al veel te lang geen vrouw meer heb aangeraakt.

Ik zit op mijn cel. Vijfentwintig kubieke meter ruimte in beton. Het is winter. Het is koud. Flashback. ‘Ik ga het gewoon allemaal bekennen. Met een beetje mazzel wordt het 18 jaar gevangenisstraf.’ Tja. Het liep allemaal toch net even iets anders... Maar ik sta nergens meer van te kijken. Behalve dan dat ze me veroordeeld hebben terwijl de bekentenis op cruciale punten niet klopt.



94




Maar goed, ze hadden een zondebok nodig. Ik blader het dossier door. Allemaal weinig verrassend tot ik het volgende fragment tegenkom:

4.10 Van fiets vallen

In ‘Het leven van een buitenstaander’ vertelt de schrijver in onder meer het hoofdstuk “Het verraad” (pagina 65 laptop- versie) dat hij een paar keer bewusteloos van de fiets is gevallen en dat men in het ziekenhuis niets kon vinden. Uit het Bedrijfs Processen Systeem (BPS) van de politie Gelderland-Zuid bleek dat TEUNISSEN op 18 oktober 1999 spontaan van zijn fiets was gevallen. Gedacht werd aan epilepsie, doch gezien zijn pupillen werd aan gebruik gedacht. Hij werd overgebracht naar het ziekenhuis.

Een uitdraai uit het BPS wordt als bijlage Z.K.11 in dit zaaksdossier gevoegd.

Doch gezien zijn pupillen werd aan gebruik gedacht? Dus toch. Ik ben in de tijd dat ik in kraakpand Krisus woonde, en overhoop lag met die idioten inderdaad een paar keer bewusteloos van mijn fiets gevallen. En pas weer wakker geworden in het ziekenhuis. Ook toen dacht ik al dat ze wel eens iets in mijn eten gedaan konden hebben. Maar bewijs het maar ‘ns. Ze hebben me gewoon willen laten verongelukken! Ben ik jullie toch maar mooi voor geweest! Kankerhonden!

Ik vind ook nog een interessant krantenartikel.

Agenten gehoord in moordzaak Intern onderzoek in zaak-Sévèke

Door PAUL BOLWERK/Gelderlander

Zaterdag, 11 november 2006 - NIJMEGEN - In het onderzoek naar de moord op de Nijmeegse activist Louis Sévèke heeft de recherche diverse politiemensen doorgelicht.

Dat gebeurde in de eerste maanden van het onderzoek. De agenten werden door de recherche ondervraagd over hun ervaringen met Sévèke, die als activist mensen adviseerde die problemen hadden met de politie.



95




De verklaringen van de agenten zijn gecontroleerd. Van een enkeling is het alibi nagetrokken.

Dat vertellen bronnen rond het onderzoek. Niet bekend is of de naspeuringen in eigen kring de oplossing van de moord dichterbij hebben gebracht. Woensdag is het een jaar geleden dat Sévèke in het centrum van Nijmegen werd doodgeschoten.

Tot de ondervraagden behoort een binnenstadsagent die als één van de eerste politiemensen het slachtoffer op de moordplek identificeerde. De agent had wel eens problemen gehad met Sévèke. Het ‘Bamboeteam’ van de recherche sprak ook met oud-leden van de Politie Inlichtingen Dienst (PID), de inlichtingentak van de toenmalige Nijmeegse gemeentepolitie. Deze PID werd ontmanteld nadat activisten in de jaren tachtig allerlei privégegevens (woonadressen, kentekens, gezinssituatie) over de mede-werkers openbaar maakten. Louis Sévèke zou daarin een groot aandeel hebben gehad.

De Nijmeegse activisten, onder wie Sévèke, vonden dat ze daartoe het volste recht hadden omdat ‘aartsvijand’ PID volgens hen dezelfde metho- den toepaste op het links-radicale milieu.

Van de oude PID’ers werkt een aantal nog bij het korps Gelderland-Zuid. Eén van hen vervult nu een hoge managementfunctie binnen de politie- regio. Binnen het korps zit hij in de leiding van de Divisie Centrale Opera- tionele Zaken, die diverse specialistische recherchediensten herbergt.

Dan een foto. Een schok.

Ik zit aan mijn bureau. De woorden verschijnen lang- zaam op papier. ...In die steeg in Antwerpen op een koude avond in januari gebeurde het. Er knapte iets in mijn hoofd. En dat is een bijna fysieke ervaring. Een beetje zoals bij ouderwets tv-toestellen als je de stekker eruit trekt: het beeld valt in een flits weg en je hoort de elektrische lading knetteren. En toen ging het beeld op zwart bij mij. En dan kom je daar terecht waar geen regels zijn. Daar waar niets en niemand er nog toe doet. Daar waar alles kan gebeuren. Daar waar goed en kwaad loze begrippen zijn. Een plaats waar je geweest moet zijn om het te kunnen begrijpen. De wereld gaat er heel anders uitzien, geloof me.



96




Ik kan jullie ook vanuit de huidige situatie een voorbeeld geven van wat dat met je doet: als ze me morgen, tweede kerstdag, tegen de muur zouden zetten, doet me dat niets. Er is niets dat ik nog moet doen. Niets dat ik nog wil doen. Alleen deze brief even posten. Klaar. Zoiets dus. Zo onver- schillig. Zo leeg. Zo levenloos. Dát is wat er gebeurt met je.

Ik vouw de brief dicht en schuif ‘em in de envelop. Morgen doe ik ‘em op de bus.

Ik ga bellen met mijn ouders. Waar de spullen blijven. Ze zouden nog wat paperassen en cd’s sturen die eer- der in beslag genomen waren. En aangezien er hier ‘per ongeluk’ nog wel eens wat mis wil gaan met de post begin ik me zorgen te maken. Vorige week nog die brief geschreven waarin ik ze ook gevraagd heb die spullen op te sturen: ‘Eerst moesten die spullen zonodig weg – het laatste wat er rest van mijn leven – en nu heb ik ze nóg niet’.

Maar geen reactie. Dus bellen vandaag. Ik heb lang moeten wachten tot een van de vier telefoontoestellen op het vlak vrij was. Want het is weekend. Alle cellen zijn los. Drie verdiepingen met ieder zo’n 30 man, die allemaal tegelijk willen bellen, koken of douchen. En daarbij een hels kabaal maken.

De telefoon gaat drie keer over, dat betekent dat ze óf niet thuis zijn óf mijn moeder neemt dadelijk op. Ik druk de hoorn strak tegen mijn oor tegen de herrie.

‘Hallo?’
‘Ja, met mij.’
‘Hé.’
We praten over koetjes en kalfjes. Het weer. Het is

struisvogelpolitiek.
‘Je klinkt verkouden.’



97




‘Ja, het heerst.’
‘Maar over die spullen...’
‘Ja, om je brief ben ik erg boos geworden. Alsof wij

zonodig die spullen kwijt moesten. Dat is niet zo.’ ‘Jullie zijn er bij het bezoek zelf over begonnen. Toen kreeg ik het idee dat het in de weg stond.’ Het eerste en

laatste bezoek van drie maanden terug.
‘Dat is niet zo.’
‘Nou, sorry dan.’
‘Die spullen kunnen hier best blijven staan. Hier

staan ze veilig, daar kun je op vertrouwen.’
‘Op vertrouwen? Ik heb daar niet zoveel vertrouwen

meer in.’
‘Hoezo niet?’
‘Moet ik jullie nog vertrouwen? Lijkt me lastig.’ ‘Hoezo dat dan?’ klinkt het verbaasd.
Geïrriteerd door zoveel onnozelheid zeg ik waar het

op staat, in plaats van me in te houden en ze te ontzien zoals ik van plan was.

‘Ja, door jullie zit ik hier nietwaar?’

‘Wat?’ Ik merk aan de intonatie dat ik beter niets had kunnen zeggen, maar het is te laat. Bovendien wil ik nou ook wel eens weten van het Hoe&Waarom. Al anderhalf jaar heb ik ze gespaard, vanaf het moment dat ik het Europese Arrestatie Bevel onder mijn neus kreeg geduwd waarin te lezen was dat mijn ouders de politie getipt hadden over een bankoverval, tot van- daag. Het deed me toen niet veel toen ik het las. Er was sowieso niet veel meer dat me nog iets deed. En eigen- lijk kwam het ook niet als een verrassing. Ik heb het altijd geweten. Altijd geweten dat je van niemand op aan kunt. Dat je er alleen voor staat. Helemaal als het er op aan komt, zoals toen. Toch bleef het een beetje kna-



98




gen. Ondanks het feit dat ik het van een kant ook wel weer kon begrijpen. Ik heb zelf ook altijd mijn geweten gevolgd. Maar toch, verraden worden door je eigen ouders... op een of andere manier hoort het niet.

‘Ja, als jullie die tip niet hadden gegeven zat ik hier niet.’

Stilte.

‘Dat vind ik niet leuk dat je dat zegt. Geef je ons de schuld?’

Ik merk dat het huilen haar nader staat dan het lachen.

‘Dat is toch zo?’
Ja hoor, ze begint te snotteren.
‘Ik ga ophangen hoor.’
Dit was ook niet de bedoeling. Ik wilde ze ontzien.

Hoewel het me moeite kostte.
Mijn vader heeft de hoorn overgenomen. En begint

over tweestrijd. Ze konden niet anders. Voor het blok gezet. Was een moeilijke beslissing. Je kunt die mensen toch niet zomaar een pistool onder de neus duwen?

Het was een alarmpistool pa en geen geweld. Ik heb het alleen maar laten zien en om geld gevraagd.

Ja, maar toch. Tweestrijd. Enorme tweestrijd.
Ja joh?
Je geeft iets van je leven weg.
Oh. Maar was het daarom niet beter geweest het er

eerst met mij over te hebben? Waarom gelijk de eerste avond al het politiebureau binnen rennen om zonder pardon je eigen zoon aan te geven? Hebben jullie nooit gehoord van verschoningsrecht? En jullie hadden me toch ook vooraf kunnen waarschuwen? Of achteraf. Waarom hebben jullie niet gewoon contact opgenomen via de e-mail en gezegd: we weten ervan, we willen dat



99




je jezelf aangeeft, zoiets. Is dat zo ver gezocht? Ging het trouwens om de burgerplicht en was die tip voldoende of was het volgens jullie ook nodig dat ik opgepakt werd. Dat laatste. Oh. Over niet leuk gesproken. Me niet alleen verraden maar me dan ook nog in de val laten lopen. En dan óók nog de sleutel van het Shur- gard kluisje overhandigen met daarin al mijn persoon- lijke bezittingen. Terwijl ik nu juist die sleutel had gegeven om dat te voorkomen. Het was ook de eerste keer van mijn leven dat ik ze gevraagd heb iets belangrijks voor mij te doen. En de laatste dus...

‘Je geeft een deel van je leven weg....’ herhaalt hij zichzelf.

Ja. En jullie gooien mijn leven weg. Bedankt pa en ma. En mijn leven was al zo leuk.

‘We zijn door een hel gegaan, en nu komt het weer boven.’

Een hel? Probeer het eens met: voor je rest van je leven tussen de mongolen en psychopaten zitten tot je van verveling en ellende sterft. Verraden door je eigen ouders. Uithuilen en troost zoeken tegen een betonnen muur. Maar goed, ik zal er niet meer over beginnen. Mijn fout. Sorry. Voortaan hebben we het gewoon weer over koetjes en kalfjes en sturen elkaar verjaardags- en kerstkaarten alsof er niets gebeurd is. Ik vind het best, dan hoeven we het er ook niet meer te hebben over of ik nog van jullie hou.

‘...Nou... Toch nog het beste voor het nieuwe jaar...’ ‘Ja...’

Terug op mijn cel merk ik dat ik niet meer kan janken. Ik zou wel willen want ik zou wel weer iets willen voelen. Je kunt beter pijn voelen dan helemaal niets



100




meer. Maar het punt waarop zoiets nog echt pijn deed is allang gepasseerd. Dat ligt jaren terug. En de ge- vangenisstraf doet de rest. Want gevangenisstraf ver- andert je. In steen. Dat is ook niet zo gek als je ver- stoken blijft van echt menselijk contact, als je nooit meer aangeraakt wordt of bemind, en als ‘We houden van je’ zinloze woorden op een eenzaam kaartje op het prikbord zijn, en als je alleen een kale, koude betonnen muur hebt om tegen aan te kruipen... Ik kijk naar de foto uit het dossier.

En zittend tegen die koude grijze celmuur, kijkend door de tralies, realiseer ik me dat dit het gevoel is dat ik mijn hele leven al ken. Alsof het voorbestemd was...



101