Het verhaal van Marcel Teunissen

Hoe ik het liet gebeuren zonder het gedaan te hebben

 Bedankt en tot ziens!

 

 

Bedankt en tot ziens!

True crime/True love

Door: M.H.T.M. Teunissen

Reg. Nr. 3972685

 

© 2012  alle rechten voorbehouden

 

 Ik hou van de huiver

Dat ik nergens thuishoor

En er niemand is die me kent

Omdat het leven pas echt wordt

Als je zwijgt en verloren bent

- Alex Roeka -

I cannot enter the social order except as a vagabond

- leus boven pisbak van Yates Bikersbar -

 

Inhoud

Proloog
Goede voornemens
De hond en de piano
Loonslaaf
Het Project
Russisch Roulette
Eindbestemming
Sex met een prinses
Gucci&Ferrari
Humanity is overrated
Fifteen Minutes of Fame
Bedankt en tot ziens!
Het Beloofde Land
Viva la Revolución!
Zon, zee & eenzaamheid
Terug bij af
Hotels&Hoeren
Elvis has left the building!
Carmen

 

Proloog

´Aaahh!!´
Ik probeer langzaam overeind te krabbelen. Mijn handen zoeken grip in de koude modderige aarde.
´Waaar?!’ mompel ik.
Door de kale struiken heen zie ik het geel-oranje schijnsel van een lantaarnpaal even verderop.
‘Hoe-oe?!’
Mijn rechterhand glijdt weg en ik duikel weer achterover de ritselende struiken in.
‘Godver-de-godver!’
Bij de zoveelste poging slaag ik er in langzaam op te staan. Ik heb geen idee hoe ik hier terecht ben gekomen.Ik heb ook geen idee waar ik ben, hoe laat het is of watdan ook. Ik heb helemaal geen idee meer. Ik heb alleen een zure smaak in mijn mond en ril van de kou. Een plotselinge kramp doet me voorover buigen. Ik moet kotsen maar er komt niets meer uit.‘Help me…’ kreun ik. Maar er is niemand die het kan horen

Goede voornemens

I raise my glass and make a toast
Here’s to the losers, the substance abusers
To the rejects and all the imperfects
Because I think we’re beautiful

-Warrior Soul -

 

Ik schuif de telefoonkaart in het toestel, toets het nummer in en haal diep adem.
‘Hallo?’
Ik herken de kalme, ambtelijke stem van mijn vader.
‘Ja, met mij.’
‘Oh, hoi.’
‘Hoi, alles goed?’
‘Ja hoor, en met jou?’
‘Ik mag niet klagen, maar ehm… nog de beste wensen voor het nieuwe jaar.’
‘Dankjewel, jij ook hè.’
‘Ja…’
Er volgt een gesprekje volgens het gebruikelijke stramien, waardoor ik me heel even afvraag of het een déjà vu is. Maar dat kan niet, want dit is de eerste keer dat ik bel vanuit Rotterdam. Al snel zijn we weer aanbeland bij het weer en dat betekent dat alles alweer gezegd is.
‘Ja, het is grijs weer overdag en koud, waterkoud, je kent het wel.’
‘Maar daar kun je je op kleden,’ hoor ik aan de andere kant van de lijn.
‘Ja, dat is ook zo.’
Korte stilte. Als ik mijn handschoenen niet kwijt was had ik ze wel aangetrokken, denk ik bij mezelf terwijl ik mijn rechterhand nog dieper in mijn bomberjack steek.
‘Maar eh… mijn beltegoed is bijna op, doe mama de groeten.’
‘Nou oké, zeg…’
‘Ja?’
´…We houden van je.´
Die woorden werden aarzelend en een beetje onwennig uitgesproken. Maar het leek alsof ze per se gezegd moesten worden. Alsof dit de laatste kans is of zo. Ik hoor ze voor het eerst. Weer een stilte. Ik weet welk antwoord nu moet volgen, maar ik voel het niet.
´Ja… ik ook.´
Ik schrik van mijn cynisme en probeer de impact te verzachten met iets dat op een lach lijkt. Alsof het een grap is. Tevergeefs. Ik verbreek de verbinding, gooi de telefoonkaart weg en loop met een zucht de stad in. In het duister slenter ik langs de reling van de koopgoot richting de Coolsingel. Zie auto´s voorbij rijden. Een lege tram. De grote digitale klok bovenop het ABN Amro-gebouw dat bijna overal bovenuit torent geeft aan dat het even na tien uur is.
´We houden van je...´ En daar komen ze nou mee aanzetten. Wat moet ik daar nou mee? Ze kennen me niet eens. Niet meer. Niemand kent me. Ik steek de Coolsingel over richting Lijnbaan. Ik zie ze nog maar een paar keer per jaar. De verjaardagen en zo. Het laatste bezoek is al zeker zeven maanden geleden want mijn eigen verjaardag vier ik allang niet meer. Dus wat heb ik aan die woorden? Hebben ze me een hart onder de riem willen steken omdat ze hebben aangevoeld dat het niet goed met me gaat? Ach, wat doet het er toe. Op een gegeven moment hoeft het niet meer, je gelooft het niet meer. Of het is gewoon te laat. Al ligt dat niet aan hun. En ze zouden eens moeten weten. Als ze er ooit achterkomen wat ik allemaal op mijn kerfstok heb… Ze zullen me niet eens meer als hun zoon beschouwen. Hoeft ook niet. Een claxonerende taxi die me bijna omver rijdt brengt me terug in het hier en nu. Ik loop langs het enorme bankgebouw. ABN Amro. De Bank.  Daar binnen moet een berg geld liggen, denk ik bij mezelf. En stiekem zie ik me al even de kluisruimte binnen wandelen met een grote sporttas. Ik  grijns. Ik sjok verder richting het Raadhuisplein. Het enorme beeldscherm met flikkerende reclameboodschappen bovenaan de gevel van een winkelpand, verlicht de hele omgeving. De schittering wordt versterkt door de natte tegels en een hoop glanzend glas en chroom. Het geluid van een leeg colablikje dat ik voor me uit schop, kaatst door de lege straten. Mannen in groene hesjes die me uit tegenovergestelde richting tegemoet komen gelopen, vegen stoïcijns de rotzooi en vuurwerkresten bij elkaar die gisteravond zijn achtergebleven in het spoor van de feestende massa. En terwijl ik kijk naar een dakloze die op een bankje voor de McDonalds ligt, en herinneringen boven komen uit de tijd dat ik er ook zo bij gelegen heb, realiseer ik me plotseling dat ik ze niet eens heb verteld dat ik ben verhuisd. Nou goed, wat maakt het uit. Ik zie mijn spiegelbeeld reflecteren in de ruit van een onverlichte etalage, wend mijn blik meteen af, en achter me hoor ik een van de schoonmakers schelden in de buurt van de McDonalds. Daarna dool ik verder door verlaten winkelstraten tot mijn gedachten zijn verdwenen in de stilte van de stad.

Rond een uur of half twaalf kom ik terug bij mijn appartement, mijn nieuwe onderkomen, vlakbij metrostation Coolhaven. Met moeite krijg ik met mijn verkleumde vingers het slot omgedraaid van de deur van het muffige halletje. Ik loop in het donker de smalle, krakende trap op, glij bijna uit over een stapel reclamefolders, en merk nu pas dat mijn tenen half bevroren zijn. De gedachte aan een warme douche om weer wat gevoel terug te krijgen in mijn lijf verheugt me, tot ik me realiseer dat de geiser kapot is. Eenmaal binnen gooi ik het jack in een hoek, wrijf mijn handen warm en staar door het grote raam naar buiten. Het schijnsel van een lantaarnpaal langs de kade verlicht het vertrek. Ik zie dat de verkeerslichten op de verlaten kruising aan het einde van de Heemraadsingel aan de overkant van het kanaal op rood springen. De wereld maakt zich op voor weer een nieuwe werkdag… Vermoeid zet ik me neer op het gloednieuwe klapstoeltje. Naast me op de versleten parketvloer ligt een matras en in de hoek staat een kleine draagbare radio. Het enige dat de vorige bewoners hebben achtergelaten is een met een dun laagje stof bedekte gloeilamp die met losse elektriciteitsdraden aan het plafond hangt. Verder is het appartement leeg, op een oude zwarte sporttas met daarin wat kleren, een pistool en een slaapzak na. ‘Nou, daar zit ik dan,’ mompel ik zachtjes. Ik had beter een gordijn kunnen kopen dan die radio, denk ik geërgerd terwijl ik mijn gympies uittrek en in een hoek schop. Want ik zit zonder geld. Dat was ook niet helemaal de bedoeling. Maar mijn zogenaam-de kameraden hebben me niet alleen verraden, maar ook nog eens een klein kapitaal door de neus geboord. Geld dat ik dringend nodig had voor een nieuwe start. Niet dus. Vergeven en vergeten? Never nooit niet. Ik ben eenaardige jongen, een makkelijke jongen, al zeg ik het zelf. Eentje die zijn medemens behandelt zoals hij zelf behandeld wil worden. Heb uw naaste lief als uzelf. Jesus zou er spontaan de tranen van in de ogen gekregen hebben. Maar het houdt een keer op. Ik zie de koppen van die gasten aan wie ik het allemaal te danken heb weer voor me. ‘Jullie ook nog de beste wensen jongens,’ mompel ik, ’mijn tijd komt nog wel.’

De hond en de piano

It’s only after you’ve lost everything

you’re free to do anything.

- Fightclub -

Hoe laat zou het zijn? vraag ik me af terwijl ik langzaam overeind kom en de opengeritste slaapzak die dienst heeft gedaan als deken, van me af schuif. Het geluid van een stationair draaiende motor en gereedschap dat op de grond valt in het garagebedrijf onder mijn appartement dringen langzaam tot me door. Net zoals de geur van uitlaatgassen. Een uur of half twaalf? Moeilijk in te schatten als het zo’n grijs weer is. Maar tijd zat in ieder geval. Ik rek me eens goed uit. Wat ik vandaag wel moet doen is op zoek gaan naar een uitzendbureau, bedenk ik. Want het leven is duur en het geld ligt nog steeds niet voor het oprapen. Alleen de huur al van dit kut appartement kost me een vermogen… ‘Teringzooi!’

Na een lauwe douche en een ontbijt van twee stroopwafels en een paar flinke slokken sinaasappelsap zo uit het pak, ben ik er klaar voor. Als ik de trap af loop en de vegen op mijn vale zwarte spijkerbroek ontdek, schiet me te binnen dat ik ook nog een wasserette moet zien te vinden hier in de buurt. Nadat de deur met een knal achter me in het slot is gevallen, loop ik de kou in. Onderweg naar het metrostation, bij het zien van de overgebleven vuurwerkresten van afgelopen zondag, vraag ik me af wat al die mensen toch te vieren hebben gehad, deze eerste jaarwisseling in het nieuwe millenium, en of ze nou werkelijk denken dat dit jaar zoveel beter zal worden. Het antwoord op die vraag krijg ik als ik in de metro op weg naar het centrum al die chagrijnige koppen om me heen bekijk. ‘Centraal Station, eindpunt!’ klinkt het even later uit de luidspreker. Nee jongens, het wordt alleen maar erger, denk ik bij mezelf terwijl ik de roltrap op loop. Kijk naar mij. Op zoek naar een uitzendbureau om me aan te bieden als loonslaaf. Wie had dat ooit gedacht? Ik in ieder geval niet. Nooit durven denken dat het zover zou komen dat ik mijn tijd en energie ter beschikking moet stellen aan een of andere fabrieksdirecteur in ruil voor een dak boven mijn hoofd en wat brood op de plank. En niet te vergeten een gordijn voor het raam. Nog een geluk dat ik op één hoog woon, verzucht ik. Na een half uur ben ik al bij een stuk of vier uitzendbureaus binnen geweest en net zo snel weer op straat gezet. Ik ben erachter gekomen dat het nog niet zo gemakkelijk is om in die kaartenbakken terecht te komen. ‘Nee meneer, het spijt ons. We kunnen u op dit moment niet van dienst zijn. Er zijn geen vacatures beschikbaar.’ Volgende. ‘Nee sorry. Probeer het over een paar maanden nog eens zou ik zeggen. Dag.’ Volgende. ‘We kunnen alleen nog hoger opgeleiden gebruiken.’ ‘Maar ik ben hoger opgeleid.’ ‘Ja, maar uw cv zit vol hiaten en u heeft geen werkervaring over de afgelopen jaren.’ Ze moeten me niet. Bekend verhaal. Vertel me ‘ns een keer iets dat ik nog niet weet. Volgende. Uiteindelijk vind ik op de Lijnbaan vlakbij het grote ABN-kantoor toch nog een uitzendbureau waar ik me in ieder geval kan laten inschrijven. Al vergt dat nog wel het nodige papierwerk: diploma’s, bankafschriften, huurcontracten, inschrijvingsbewijzen, pasfoto’s, telefoonnummers, verzekeringspapieren en de hele teringzooi. Probleem. Ik probeer me eruit te redden met: ‘Net verhuisd’, ‘De meeste papieren kwijt’, ‘Opnieuw beginnen’  Dat lijkt te lukken. Het blonde studentikoze meisje met de mooie ogen gunt me het voordeel van de twijfel. Maar voor wat hoort wat blijkbaar, want ze polst hoe werkwillig ik dan ben. ‘Produktiewerk dus, ehm… ploegendienst geen probleem denk ik, of wel? En een lange reistijd?  Weekenddienst?’ Het zijn de vragen die haar meteen een stuk minder aantrekkelijk maken. En gelukkig maar. Er wordt godverdomme een enthousiasme verlangd alsof ze een vacature voor me hebben bij de Raad van Commissarissen van Philips, inclusief auto met chauffeur, villa in Wassenaar en een topsalaris aangevuld met bonussen en optieregelingen. En niet te vergeten een gouden handdruk voor als je genoeg bij elkaar gegraaid hebt en je liever aan de rand van het zwembad in je achtertuin wilt blijven liggen, of nippend aan de Champagne op je jacht in de haven van Marbella. Ik kijk haar eens aan. Zijn jullie hier nou helemaal gek geworden?! Ik vind het al een vernedering om me te moeten aanbieden als loonslaaf, dus dit bevalt me helemaal niet. Je verwacht toch ook geen glimlach en een bedankje van een ter dood veroordeelde waarvan net armen en hoofd zijn vastgegespt aan de elektrische stoel?! Nou dan! Want zo voelt het wel. Ik heb die kutbaan gewoon nodig om de huur van mijn kut-appartement te kunnen betalen en al die andere rekeningen! Ik moet me beheersen om het niet hardop te zeggen. Nadat ik weer op straat sta, kijk ik nog een keer achterom om te zien of er niet toch toevallig Arbeit macht frei in felle neonletters boven de gevel flikkert. Nee. DAT MOET ER EEN VAN TEMPOTEAM ZIJN! Om niet aan de bedelstaf te raken zal ik dus genoegen moeten nemen met een van die slecht betaalde klotebaantjes, realiseer ik me als ik richting metrostation Beurs loop. Ergens in een lawaaiige fabriekshal in het kille tl-licht mijn leven slijten aan de lopende band. Met collega’s waar je geen zinnig woord mee kunt wisselen door de herrie, of gewoon omdat je er geen zinnig woord mee kunt wisselen. Een half uurtje pauze om je week geworden boterhammen naar binnen te werken en een hoop geneuzel aan te horen over auto’s, voetbal of breedbeeldtv’s, terwijl je je vingers brandt aan de plastic bekertjes met gloeiend hete automatenkoffie, die je toch voorzichtig opslurpt omdat het anders helemaal niet vol te houden is. En dat voor de rest van je leven. Tot je kaal en impotent bent. Dan mag je met pensioen. Wat een vooruitzicht. ‘Godverdomme! Dit is echt het toppunt,’ mompel ik terwijl ik me door het winkelend publiek worstel met de overvolle boodschappentassen en de ontevreden koppen. Heel mijn leven lang ben ik overtuigd antikapitalist geweest. Anarchist om precies te zijn. En nu is het nog maar een kwestie van tijd voordat ik zelf gedegradeerd en gereduceerd wordt tot een  verlengstuk van een machine, onderdeel van het productieproces, code in de computer. Met als enige doel de decadente consumptiemaatschappij draaiende te houden. Ik zie dat de metro richting Coolhaven net aan komt gereden, pak snel mijn strippenkaart en stempel af. Maar het is zo’n gedrang van mensen die de stad in willen dat ik bijna onder de voet wordt gelopen en de deuren net voor mijn neus sluiten. ‘Typisch…’ zucht ik. Thuisgekomen ga ik op zoek naar het huurcontract en een paar bankafschriften. Tot mijn grote verrassing vind ik in een van de zijvakken van de sporttas ook nog een stapeltje oude papieren en een cd-tje.
Het cd-tje van Chumbawamba verdwijnt in de speler en ik druk op Play. En zittend op het klapstoeltje, lees ik: …Dat was het dan. De strijd is gestreden. Het is allemaal verspilde moeite geweest. Alles wat ik gedaan, gedacht, gedroomd, gehoopt en gevoeld heb is zinloos geworden, weg… Mijn gedachten dwalen af. Terug in de tijd. Een andere stad. Een ander leven zelfs. Een leven dat na Het Verraad eindigde met het dronken, doelloos door verlaten straten dolen. Nacht na nacht. Alleen. Niet meer wetend wat voor of achter is. Geen verleden, geen toekomst. En het ellendige lege heden leek eeuwen te duren. …Ik voel niets meer. Ik weet niets meer. En ik wil niets meer. Mijn ziel is in duizend stukjes uiteen gevallen en ze zijn in de wind verdwenen. Ik ben gestorven. Vermoord… Ik was volledig naar de klote dus. Duidelijk. En reken er maar niet op dat als het slecht met je gaat, mensen je te hulp schieten. Op een of andere manier ben je een welkome pispaal. En dat betekent dus: nagewezen worden en beledigingen naar je hoofd geslingerd krijgen, of dat er gespuugd wordt in je afhaalpizza en meer van dat soort gein. Ik herinner me ook nog dat ik toendertijd eindeloos en wezenloos voor me uit heb zitten staren. En op de vraag die incidenteel voorbij kwam: ‘Wat moet ik nou nog?!’ volgde een oorverdovende stilte. Ik lees verder: …Ik ben iets kwijt, iets fundamenteels. Ik weet niet precies wat het is en of het ooit nog terugkomt. Er is een leegte, de verbanden zijn weg. Muziek, films, geuren, kleuren, geluiden: normaal roepen ze allemaal associaties op, herinneringen, beelden, verwachtingen. En alles hangt met elkaar samen. Maar er zijn geen associaties meer en de samenhang is verdwenen. Muziek gaat het ene oor in, het andere uit. Zonder ook maar iets teweeg te brengen. Ik hoor het eigenlijk niet meer. En zo gaat het met alles. Er is niets dat me nog raakt, niets dat me iets doet. De wereld heeft geen vat meer op me. Het lijkt wel of ik niet langer in deze wereld ben. Mijn hoofd is als een gat waar de wind doorheen waait. Deze onverwachte confrontatie  met het verleden roept nu eigenlijk alleen nog maar vage herinneringen op die niet langer van mij lijken. Het is alsof het over iemand anders gaat. Nu pas hoor ik de cd. ‘…He drinks a Whiskey drink, he drinks a lager drink. He sings the songs that remind him of the good times…’ Doet me niets. Terwijl ik weet dat die vrolijke klanken me ooit door een gevangenisstraf gesleept hebben. ‘…He sings the songs that remind him of the better times…’ De tekst van het refrein staat misschien nog steeds wel in de muur gekrast in die cel op de derde ring van de Koepelgevangenis in Arnhem: ‘…I get knocked down, but I get up again, you never can keep me down…’ Als ik de verfrommelde stukjes papier verder uit elkaar vouw komt de volgende tekst tevoorschijn:

 En het laatste stukje vergeelde papier lijkt wel een persverklaring. En het komt me allemaal net iets te bekend voor. Ik heb het toch niet zelf ooit geschreven?! vraag ik me beschaamd af. Ik twijfel.

Ach, ik wil er ook niet meer aan denken. Weg ermee. Het is allemaal voorbij en allemaal voor niets geweest. Verspilde moeite. Parels voor de zwijnen. De mens is gewoon niet voor rede vatbaar. Je kunt net zo goed een hond een piano cadeau doen. Ik sta op, pak de papieren bij elkaar en gooi ze in de plastic tas van Mediamarkt die in de hoek ligt en dienst doet als vuilniszak. ‘…I get knocked down...’ Ik trek de stekker eruit. Doodse stilte. 22

Loonslaaf

Choose a job, choose a career, choose a fuckin’ big television.
Choose washing machines, cars, compact disc players, electrical
tinopeners […] Choose sitting on that couch watching mindnumbing,
spirit crushing gameshows, stuffing junkfood into your mouth.
Choose life.

-Trainspotting -

Dat mijn laatste dagen in vrijheid waren geteld wist ik toen ik vorige week het uitzendbureau uitliep. En als iemand die weet dat hij nog maar kort te leven heeft, genoot ik extra van de dagen die volgden. Al waren ze grijs en koud. Maar deze donderdag is het definitief voorbij. Ik heb ze een half uur geleden gebeld met de vraag of ze toevallig al iets voor me hadden. En tot mijn grote schrik hoorde ik ze zeggen: ‘Ja, er is net een vacature binnen…’  Mijn eerste reactie was: Dat moet wel een echte kutbaan zijn dat ik er zo snel voor in aanmerking kom! Dat zei ik niet natuurlijk: ‘Oh, mooi.’ En meteen had ik spijt van die opmerking de vorige keer: ‘Alles is goed’. Ik had het maar gezegd om iets van enthousiasme te laten blijken. Er was toch geen eer meer aan te behalen. ‘Kun je even langs komen?’ vroeg ze. ‘Tuurlijk’ antwoordde ik. Voor jou altijd. Lopend op weg naar het uitzendbureau heb ik eerst nog even een plastic tas met was afgegeven bij een wasserette op de Nieuwe Binnenweg, waar ik met gebarentaal duidelijk moest maken wat nou precies de bedoeling was aan die - illegale? - Chinezen. Daarna is me op de hoek met de ’s Gravendijkwal nog coke aangeboden en een gejatte fiets. En heel even heb ik getwijfeld om de herrie en stank van auto’s en scooters en al die andere mensen die ik ook niet versta te ontvluchten door een van de striptenten daar binnen te glippen. Maar dat deed ik uiteindelijk toch maar niet. Nu zit ik weer tegenover het Tempoteam-meisje en ben benieuwd welke verrassing ze voor mij in petto heeft. ‘Ga zitten… Kopje koffie?’ ‘Nee, dank je.’ Vertel me het goede nieuws nu maar gewoon. Ik word magazijnmedewerker. In een distributiecentrum van de Albert Heijn, ergens op een afgelegen industrieterrein. Ik kreeg zelfs een brochure mee over dat fantastische bedrijf dat me de mogelijkheid biedt eindelijk als volwaardig lid van de samenleving te functioneren. En die werd me uitgereikt alsof het om de hoofdprijs uit de staatsloterij ging. En ze verwachtte ook duidelijk dat ik ‘em met blijdschap en enthousiasme in ontvangst nam. Maar dat kon ik toch echt niet opbrengen. ‘Je kunt morgen meteen beginnen,’  zei ze. ‘Oké, bedankt.’ Wat een ellende. Midden in de nacht opstaan. Met de metro van Coolhaven naar Blaak. Daar op de trein stappen naar Delft. Dan kleumend van de kou wachten tot ze met een busje komen voorrijden. Daarna samengepropt met andere pechvogels in het busje met de beslagen ramen stil voor je uit zitten staren tot ze je voor de deur afzetten. Dan met je pasje door de elektronische poortjes. En dan de hele dag met je karretje in die immense hal de bestellingen uit de schappen halen. Om vervolgens aan het eind van de dag dezelfde weg in omgekeerde volgorde afleggen. Je krijgt het daglicht niet eens meer te zien. Waanzin. Aan  het einde van de eerste volle werkweek ben ik vrijdag ’s avonds thuis gekomen, heb me op het matras laten vallen, heb  ‘Dit is geen leven!’  gemompeld en ben met mijn kleren aan in slaap gevallen. Ik ben nu zelf weer eens met de neus op de feiten gedrukt. Het is een stoomcursus Kapitalisme voor Beginners. Niet dat ik zonodig een praktijkvoorbeeld nodig heb, maar goed. Les 1: Ik werk me de tering in het magazijn van Albert Heijn, voor drie keer niks. De winst van mijn noeste arbeid verdwijnt linea recta in de diepe zakken van de heer Albert Heijn zelf, met z’n grote dure villa ergens in Wassenaar, z’n grote dure auto voor de deur en gelegen naast het optrekje van die kerel die bij Philips z’n centen bij elkaar gegraaid heeft. Het schijntje waarmee ik zelf ben afgescheept staat nog geen dag op mijn rekening of het moet alweer overgemaakt worden naar de huisbaas. En dan moet het gas en licht er nog vanaf. En wat overblijft verdwijnt naar… de heer Albert Heijn! Want na gedane arbeid, op weg naar mijn lege appartement met het klapstoeltje, de slaapzak en het cd-tje dat me niets meer doet, moet ik nog boodschappen doen. Een mens moet eten nietwaar? In het metrostation Beurs waar ik moet overstappen zit een kleine supermarkt. Handig. Naam? AH. De Albert Heijn. Haha. Die lacht zich toch dood aan de rand van zijn zwembad of waar hij zich ook moge bevinden? Als hij nu ook nog belegd had in onroerend goed dan was de huur ook nog voor hem geweest. De rijken worden slapend rijk en ik werk me helemaal de tering voor drie keer niks. Ik ben toch niet gek?! Maar omdat ik geen enkele keus heb zit ik toch elke maandagmorgen weer in dat busje op weg naar dat industrieterrein. En ondanks mijn afkeer doe ik mijn werk goed. Ik hou me op de achtergrond en werk flink door. Dan lijkt de tijd ook sneller te gaan. En in de pauze heb ik het gevreesde geleuter aan moeten horen. Ze willen allemaal die stoere snelle wagen met al die technische snufjes die er tegenwoordig bij schijnen te horen, van automatische ruitenwissers voor de  koplampen tot voorverwarmde stoelen. Al die idiote dingen die je terugvindt in de auto van Albert. En ze moeten natuurlijk ook de breedste breedbeeldtv, de snelste computer, de  modernste hifi-toren, de hipste gsm en de grootste inbouwkeuken. En het liefst allemaal vandaag nog. Dan zijn hun dromen uitgekomen. Maar wat moet je in hemelsnaam met zo’n gsm als je elkaar toch niets te vertellen hebt? En denk je nou echt dat Lee Towers of Frans Bauer op zo’n stereotoren beter klinkt? En natuurlijk, zo’n computer is wel handig om al die porno te downloaden, maar wat moet je met een tienpits inductiekookplaat als je toch niet kunt koken? En daar gaan jullie je hele leven lang voor in de fabriek staan?! Zijn jullie wel goed bij je hoofd?! Ik knik naar een collega die me aankijkt alsof ik die vraag hardop gesteld heb. En jullie vergeten ook nog dat je met die snelle droomauto ’s morgens vroeg toch gewoon in de file staat, op weg naar die klotebaan, vervolg ik mijn stille betoog. En als jullie ’s avonds thuiskomen is er op die levensgrote tv toch niets anders te zien dan reclame die jullie wijs maakt dat je om gelukkig te worden een nóg grotere auto en tv nodig hebt. Net een hond die zijn eigen staart probeert te vangen. Ik bekijk de koppen van mijn collega’s en stel vast dat het dagelijkse bombardement van reclame duidelijk zijn verwoestende werking heeft gedaan. Want ze zijn stuk voor stuk gaan geloven dat ze het allemaal nodig hebben om gelukkig te worden. En je kunt ze alles wijsmaken en verkopen. Er is niet veel voor nodig om ze allemaal in een keer hun ballen te laten scheren en rond te laten lopen in die rare kuitbroeken en enkelsokjes. Of wat dan ook. Weer een maandagmorgen. Al zolang aan het werk dat ik mijn eigen naam niet eens meer weet. Ik slurp voorzichtig van mijn hete koffie en het geneuzel gaat gelukkig grotendeels aan me voorbij. Ik zit wat de lege hal in te staren wanneer ik, tot mijn grote schrik, plots bij het gesprek betrokken wordt, waarschijnlijk om me wat beter te kunnen plaatsen. ‘Hé vriend, wat voor auto heb jij eigenlijk?’ Ik kijk om. Ze hebben het weer over auto’s. ‘Ik?! Wat voor auto?’ Ik denk even na. ‘Een blauwmetallic Gazelle. Vijf versnellingen.’ Een prima fiets. Gejat bij het Centraal Station na een avondje stappen in Amsterdam en geen geld meer voor een taxi. De grap wordt niet meteen begrepen. En het sarcasme al helemaal niet. Doet er ook niet toe. Ik hoef allang niet meer begrepen te worden. Om de harde scheet die wordt gelaten wordt wel gelachen. Gelukkig maar, anders zou ik de sfeer nog verpest hebben ook. In Papoea Nieuw Guinea zouden jullie allemaal met niet meer dan peniskokers en rieten rokjes rond het kampvuur huppelen en net zo gelukkig zijn, maar dat realiseren jullie je natuurlijk niet, denk ik bij mezelf terwijl ik me weer omdraai. Als ik er nu over zou beginnen, zouden ze me aankijken alsof ik van een andere planeet kom. Dat weet ik uit ervaring. Dus dat doen we maar niet meer. Ze zijn te dom om hun eigen domheid te zien. Net een hond die zijn eigen spiegelbeeld niet eens herkent. En diegenen die wel intelligent genoeg zijn om in te zien dat het feitelijk allemaal bullshit is, zijn dan toch weer zo karakterloos om gewoon mee te doen. Niet nadenken maar meedoen, is het motto. Doe wat iedereen doet. Doe wat er van je verwacht wordt. Als ook het voetbal de revue gepasseerd is, wordt het volgende onderwerp aangesneden. Je kunt er op wachten… ‘Heb je die griet van afdeling B gezien? Die zou ik wel eens hard achterlangs willen nemen op de plee.’Ik roer wat in mijn koffie. En luister. ‘Anita? Dat lelijke wijf? Die heeft geeneens tieten en een reet als een bouwkeet.’ ‘Ja man, en een kut als een echoput, wat moet je daar nou mee?’ ‘Wat maakt mij dat nou uit? Kut is kut en in het donker maakt het al helemaal niets uit. En ik zei niet voor niets achterlangs!’ Er wordt gelachen. Opeens doet iedereen mee. Mannen onder elkaar. ‘Daar zijn er nog meer op geweest dan op de tram! Haha.’ ‘Ik zou mijn hond er nog vanaf trappen! Hahahaha.’ ‘Maar zeg, je hebt toch al een vriendin?’ ‘Ja en? Dat hoeft ze toch niet te weten?  Vreemdgaan is net als masturberen maar dan met een vrouwenlichaam .En dat gaat zo nog een tijdje door. Het onderwerp is eindeloos en het vocabulaire stuitend. Vrouwen worden wijven, hoeren en sletten genoemd, met tieten, gleuven en scheuren, waar ze ‘em in gaan hangen en die ze door gaan smeren en volspuiten. Zouden ze thuis ook zo praten? vraag ik me verwonderd af. Of zouden ze daar hun ranzige gedachten camoufleren met: ‘Ik hou toch van je!’ ? Ze zijn zelfs de porno gaan geloven… Ik bekijk de koppen om heen, neem de laatste slok koffie en vraag me af hoe het toch in godsnaam mogelijk is dat zoiets aan een vriendin komt. Om me vervolgens af te vragen: En wat de fuck doe ik hier eigenlijk?! Want ik voel me net alsof ik van een andere planeet kom. Déjà vu. Omdat het me begint te vervelen en we zodadelijk weer moeten beginnen, sta ik op en loop zo onopvallend mogelijk de kantine uit. Toch blijft dat niet onopgemerkt. Dat ik niet deelneem aan de gesprekken wordt over het algemeen nog wel getolereerd, als ik af en toe maar een keer glimlach om de domme opmerkingen en grappen, maar dit wordt als een soort verraad gezien. ‘Homo!’, ‘Loser!’ zijn de scheldwoorden die ik hoor als ik de deur van de kantine achter me sluit. Ik ben dus een loser. Oké dan. En weet je wat? Ik geef ze gelijk dit keer. Ik ben een loser, maar niet om de reden die zij daar voor geven. Ik voel me een verliezer gewoon omdat ik hier in dit kutmagazijn aan het werk ben. ‘Godverdomme!’ vloek ik binnensmonds, terwijl ik richting de toiletten loop. Alles waar die gasten van dromen had ik kunnen hebben. Een goedbetaalde baan, een nieuwe Audi, Mercedes of BMW in de carport naast mijn mooie nieuwbouwhuis ergens in een Vinex-wijk, een banksaldo om mijn vriendin tevreden te stellen en de buren jaloers te maken, een paar keer op vakantie per jaar naar een zonnig oord ergens op de aardbol, misschien nog wel ergens een boot in een jachthaven. Ik had het allemaal kunnen hebben. Geen enkel probleem. Niets is makkelijker dan doen wat de rest doet. Ik loop de toiletruimte in, open de wc-deur, zet de bril omhoog en rits mijn broek los. Mijn ouders hebben er ook alles aan gedaan om me een goede start te geven. Mijn moeder zat altijd klaar met een kopje thee en een koekje als ik tussen de middag uit school kwam. Ze hebben er ook voor gezorgd dat ik kon gaan studeren. En ze betaalden bovendien de contributie van de voetbalclub, de gitaarles en de rijschool. En nog veel meer. Na mijn vwo-opleiding ben ik naar de Hogere Laboratorium School gegaan, terwijl de rest economie ging studeren of handelswetenschappen of zoiets. Het yuppiedom vierde hoogtij. Carrière maken, snel veel geld verdienen, daar ging het om. De straal spettert op het porselein. Maar mijn keuze was níet in het kader van de carrièreplanning. De belangrijkste motivatie was het ontlopen van de dienstplicht. Ik zag mezelf nog niet al die stompzinnige bevelen opvolgen. Ik ben tenslotte geen hond. ‘Hier! Zit! Af!’ En al helemaal niet om de belangen te beschermen van de heersende klasse. ‘Schaf maar een peloton Duitse herders aan en leer die schieten, dat gaat sneller dan dat jullie mij zullen zien gehoorzamen.’  Na vier jaar kreeg ik mijn diploma in handen gedrukt en mocht ik me Ingenieur Organische Chemie noemen. Niet dat het me iets interesseerde, maar goed. Bedrijven stonden klaar aan de poort om mensen in dienst te nemen. De sleutel van het nieuwbouwhuis en de BMW al in hun handen, bij wijze van spreken. Makkelijk zat. Maar toch maar niet. Ik ben altijd al mijn eigen weg gegaan. En ik heb ook toen geen seconde getwijfeld. De hele maatschappij stond me niet aan: je status ontlenen aan de auto die op de oprit staat, de hypotheek die je aankunt en het saldo op je bankrekening. Allemaal ten koste van de rest van de wereld. Ik vond het op de middelbare school al belachelijk om met je dure nieuwe gympies of opgevoerde brommer indruk proberen te maken. Ik had nagedacht. Ik deed niet mee. Ik rits mijn broek dicht, trek door en bekijk de gebruikelijke teksten op de wc-muur: Ben je geil bel Anita, Johnny is homo!, Waarom is er geen kanker in Marokko? Omdat al die kankerlijers hier zijn! Dat soort werk. Ik pak een viltstift uit mijn broekzak, en op een lege plek tussen de puberale teksten en tekeningen, kalk ik: We zijn de slaven van de heer Albert Heijn. Ik loop verder. Waar was ik ook alweer gebleven? Oja. Het besluit om de dolgedraaide consumptiemaatschappij definitief de rug toe te keren had nog wel de nodige consequenties: geen auto rijden vanwege het broeikas-effect, geen vlees eten vanwege de bio-industrie, niet naar de McDonalds om duizenden redenen en zeker geen vliegvakantie naar de Costa del Sol om te feesten terwijl de rest van de wereldbevolking ligt te creperen. De lijst was eindeloos en compromisloos. Marcuse had het De Grote Weigering genoemd. Volgens de filosoof was het een moeilijke beslissing en zou je een hoge prijs betalen. De prijs die ik moest betalen voor die zelfgekozen politiek correcte leefstijl was ondermeer dat ik in mijn eentje tegen de stroom in moest. Ik zie mezelf nog staan met mijn versleten merkloze spijkerbroek en afgetrapte gympies. Voor de meisjes was ik daarmee geen blik waardig en ook voor de rest was ik een ‘Loser!’. Op een gegeven moment vatte ik het maar op als een geuzennaam, als bevestiging dat ik buiten de maatschappij stond. Voor de rest was de wereld een groot pretpark. Zuipen, vreten, feesten. De klok rond. Een paradijs. Ik wandel langs het kantoortje waar de mannen zitten met de stropdassen, de belachelijk grote blinkende horloges en de SUV’s op de gereserveerde parkeerplaatsen. Het management. Die hebben het ongetwijfeld over geld. Aandelen, opties, AEX, Dow Jones, de hypotheekrente-aftrek en zo. En worden daar dan weer geil van. Mijn moeder waarschuwde me al: ‘Je maakt het jezelf alleen maar moeilijk. En ons ook.’  Dat laatste zei ze niet hardop, maar daar was ze misschien nog wel het meest bezorgd over. Want wat zullen de buren er wel niet van zeggen, nietwaar? Sommige mensen zijn daar erg gevoelig voor.  ‘Ja mam, ik weet het. Maar ik kan niet anders, ik moet dit doen.’ Ik deed het allemaal voor De Goede Zaak. Volg je hart en je geweten. Op een gegeven moment ging het verzet zelfs nog een stapje verder, tot en met acties met persverklaringen aan toe dus. Nu noem ik het liever De Grote Vergissing, maar van die hoge prijs heeft Marcuse gelijk gehad (en mijn moeder ook). Al dat wereldleed op je schouders, al die principes, al die verplichtingen. Ik ben godverdomme mijn eígen dictator geweest! realiseer ik me plotseling. Hoe ironisch wil je het hebben?! En nu ik ook de idealen kwijt ben, is het enige dat ik er aan over heb gehouden: schulden, strafblad, diploma’s die niets meer waard zijn, verbroken familiebanden en een curriculum vitae waar hele jaren met een zwarte stift zijn weggestreept om niet meteen kansloos te zijn en niet eens in aanmerking te komen voor de kaartenbak. Jaren die nu ook voor mij zwarte bladzijden zijn. Het heeft me tenslotte hier gebracht, in dit ellendige magazijn en met niet meer dan een leeg appartementje in een stad waar ik niemand ken. En waar niemand mij kent. Volg je hart en je geweten… Tja. Maar dit hier gaat niet lang meer duren, praat ik mezelf moed in. Dit is slechts een noodoplossing. Ik loop de trap af naar de werkvloer en neem me voor nog wat meer tijd en geld te stoppen in mijn project. Project Goede Voornemens. Want ik ga toch echt niet voor de rest van mijn leven in dit magazijn werken. Of welk magazijn dan ook. De zoemer zal zo wel gaan, gok ik. En slenterend in de stilte tussen de hoge stellages dwalen mijn gedachten af naar afgelopen zaterdag. Ik heb een meisje gezien. Een heel mooi meisje. Een heel bijzonder meisje. ‘Oh, mijn god…’of iets van gelijke strekking heb ik gemompeld. Ze heeft een gevoel losgemaakt waar ik niet goed mee overweg kan.

Het Project

It’s not that I’m homeless, I have a job, food… Compared to everyone
else I can’t complain. But the fact is, even with the basics I was
still unhappy, I mean, I never really saw the point in busting my ass
all my life just to pay the rent and buy food. No I’d had enough of that shit.

- Millionair -

Ik woon nu inmiddels een paar maanden in de-stad-waar-niemand-me-kent en langzaam is er weer iets van leven in me terug gekomen. Ik voel af en toe weer iets. Vooral afkeer. De afkeer van de maatschappij is eigenlijk alleen maar groter geworden. Ook de vrienden die van het ene moment op het andere in vijanden zijn veranderd kunnen rekenen op mijn haat. Er is een tijd geweest dat ik terug verlangde naar de pijn. Want je kunt beter iets voelen, dan helemaal niets meer. Zolang je pijn voelt weet je tenminste dat je leeft. Maar dit is veel beter. Haat is mooi. Vooral als het het enige is dat je nog hebt. Vrijdagmiddag. Tussen de stellages. Ik pak een krat cola. ‘Auw!!’ Ik grijp naar mijn elleboog en verbijt de pijn. Dit gaat zo niet langer. Ik heb er al dagen last van, maar nu gaat het echt niet meer. De oorzaak is wel duidelijk. Dat is de combinatie van de hele dag dezelfde beweging en het gewicht van de kratten frisdrank en dozen vol ingeblikte groente die ik op mijn karretje moet laden. Je moet elke dag zo’n duizend item’s halen werd er gezegd, en dat lukt lang niet iedereen. Zeker de uitzendkrachten niet. Mij wel. Het aantal kilo’s dat ik zo op een dag verstouw is daarom aanzienlijk. En daarbij heb ik dus mijn elleboog geforceerd. Als eindelijk de verlossende zoemer klinkt, loop ik naar het kantoortje met uitzicht over dat verrekte Albert Heijn magazijn. Ik moet sowieso mijn werkbriefje ophalen en zal meteen doorgeven dat ik volgende week niet kan komen. ‘Hoezo dan niet?!’ vraagt die kantoorklerk met z’n felle lichtblauwe stropdas, waarmee hij denkt origineel te zijn. ‘Ik heb mijn elleboog geforceerd.’ Gefronste wenkbrauwen en een blik vol ongeloof. En iets van minachting ook. ‘Maar dat gaat zomaar niet,’ is het antwoord, ‘neenee.’ ‘Maar het gaat echt niet meer, ik heb er al dagen echt last van en ik heb toch netjes de week volgemaakt.’ ‘Dan moet je maandag een doktersbriefje komen inleveren.’ Ik zie het probleem niet, als uitzendkracht word ik toch per week ingehuurd omdat dat gemakkelijker is en goedkoper? Dan kan ik toch zeker wel een week overslaan? ‘Maar…’ ‘Tot maandag.’ Bijna als een hond wordt ik weg gestuurd. Hij is duidelijk aan het oefenen om de baas te leren spelen. De ambitieuze yup. Ze moeten bewijzen hebben dus. Ik zie daar het nut niet zo van in. Het is gewoon overbelast, een weekje rust zal wonderen doen, dat zal de huisarts ongetwijfeld ook zeggen. Ik heb er gewoon te lang mee door gewerkt dan goed voor me is. Ik heb de week netjes vol gemaakt omdat ik me nu eenmaal altijd aan mijn afspraken hou. De boel belazeren is niet echt mijn stijl. Wat je doet moet je goed doen, vind ik. Dat geldt ook voor werken. Dus ze moeten niet zeuren. Probleem is ook: ik heb geen huisarts en ben niet verzekerd. Ik heb er het geld niet voor. Niet voor over ook, eigenlijk. Ach, het zal wel loslopen, gok ik, als ik richting de uitgang met de detectiepoortjes loop. Als ik een week later bel dat ik weer kan beginnen krijg ik tot mijn grote verrassing en verbijstering te horen dat ik niet meer hoef te komen. Ik denk nog even dat ik het niet goed verstaan heb. ‘Pardon, zeg dat nog ‘ns…’ Ik heb het toch goed gehoord. Langzaam dringt het tot me door. En de aanvankelijke verbazing slaat om in woede. Ik heb me godverdomme helemaal de tering gewerkt voor drie keer niks en dan gaan ze me… ‘Gaan jullie me ontslaan?!’ vraag ik terwijl ik echt mijn best moet doen om niet te gaan schelden. Ik kan me nog maar net beheersen en zeg dat ik het schandalig vind. En ik sluit af met de woorden: ‘Nou, dan verzin ik wel iets anders, de mazzel.’ Ik heb al iets verzonnen. Maar dit geeft me net het zetje dat ik nodig heb om het ook daadwerkelijk te gaan uitvoeren. Dank u vriendelijk. Stelletje kankerlijers. In de bibliotheek vlakbij metrostation Blaak waar ik in mijn vrije tijd wel vaker een krantje ga lezen, ga ik meteen op zoek naar de Quote 500. Om inspiratie op te doen. Ik ga het geld godverdomme gewoon halen waar het zit. ‘Kijk nou!’ roep ik bijna hardop als ik de glanzende glossy doorblader. Een andere bezoeker kijkt even boven zijn krantje uit om te zien waar die verstomde kreet vandaan kwam. Ik lees verder. En kom er achter dat er in Nederland meer dan  honderdduizend miljonairs zijn. Honderdduizend?! Honderdduizend! Die dus allemaal de helft van de tijd ergens in het zonnige zuiden ontspannen aan de rand van een zwembad hangen, stel ik me zo voor, met een sigaar in de ene hand, een glas whisky in de andere en een blondine binnen handbereik. Misschien wel twee blondines. Of brunettes. Net wat je wilt. En ik zeker voor de rest van mijn leven debiel worden ergens aan de lopende band hier in dit kankerland?! schiet er door me heen. Dacht het niet! Als dat rechtvaardig is, ken ik er nog wel een paar. Ik neem nog een slok van mijn warme chocomel uit de automaat en neem de lijst met de  vijfhonderd apen met de meeste bananen nog een keer door. De heersende klasse. Albert en de rest van de familie hebben ook allemaal een leuke positie veroverd, zie ik. Aardig wat centjes bij elkaar gestolen. Gestolen ja, want al dat geld van al die miljonairs is natuurlijk wel altijd vergaard over de rug van iemand anders. In het geval van Albert ook over mijn rug. Want hoe je het ook wendt of keert, ze zijn rijk geworden door anderen voor zich te laten werken. De rijken worden rijker en de armen blijven arm. Les 1 van de cursus Kapitalisme voor Beginners. En de ironie wil dat de loonslaven van tegenwoordig niet eens meer doorhebben dat ze slaven zijn. Je laat ze gewoon een hypotheek afsluiten en ze staan levenslang in de fabriek. Geef ze ook nog voetbal, bier en tieten en je hoort ze helemaal niet meer. Sommigen van mijn ex-collega’s hebben zelfs aandelen van de Albert Heijn. En denken daarmee slim te zijn. Maar dat is toch zoiets als van een dief je eigen spullen terug kopen (Les 2 van de cursus: Eigendom is diefstal!). En Albert en consorten lachen zich dood: ‘Zo gemakkelijk is het nog nooit geweest!’  Want daar waar Oud Geld vroeger hun rijkdom nog bij elkaar moest roven met landjepik, compleet met geweren, zwepen en bezwete negers, wordt nu de boel gewoon voor een vriendenprijsje wereldwijd opgekocht: Enter. Klik. ‘Ziezo, van ons!’ Kolonisatie per computer. Markteconomie&Democratie hebben kettingen en zwepen overbodig gemaakt. En nu maar hopen dat de Saudi’s, de Chinezen of de Maffia op een goede dag de inboedel van BV Nederland niet komen opkopen… Ik neem de laatste slok chocomel en zie dat de buurman van Albert, ook hoog op het lijstje staat. En ik herinner me plots dat die een tijdje terug nog voor de rechter moest verschijnen voor de handel in aandelen met voorkennis. Want het is voor de rijken natuurlijk nooit genoeg. Ze willen altijd meer. Of in ieder geval meer dan de buurman. Als die twee Ferrari’s op de oprit heeft staan en ze hebben er zelf maar eentje dan vinden ze zich te kijk staan als armoedzaaier. Dus vaker wel dan niet wordt die gemakkelijk verkregen rijkdom verder aangevuld door list en bedrog. Van creatief boekhouden tot regelrechte belastingontduiking. Of handel in aandelen met voorkennis dus. Het zijn gewoon allemaal halve of hele witteboordencriminelen, concludeer ik. Moet ook wel natuurlijk, de top van de apenrots bereik je niet door aardig te zijn. Je zult moeten liegen & bedriegen, paaien & naaien. Het is niet voor niets dat CEO’s zoveel op psychopaten lijken. Je kunt het vaak zelfs al zien aan de blik in hun ogen: dezelfde priemende, berekende blik. Het lijkt net of ze door je heen kijken. Dat doen ze ook want ze zien niet jou, maar ze zien geld. In de gevangenis ben ik dat soort types ook tegengekomen. Vol complimentjes en mooie verhalen alsof ze je beste vriend zijn, maar ondertussen pupillen als speldenknoppen:  'Hé, vriend, matti, swa… Respect man… Je weet toch… Luister, we gaan samen een hoop geld verdienen…’ Allemaal onder het motto: Een vriend is waar je aan verdient. En hoe groter de criminelen zijn, hoe meer ze lijken op zakenmensen heb ik geleerd. Ik staar door het raam naar buiten over het lege marktplein, en in de verte zie ik het ABN Amro gebouw. De mannen in de krijtstreeppakken met de Rolexen en de gouden manchetknopen, dáár moet je voor oppassen. En behalve dat die vorm van criminaliteit erg lucratief is, is ook de pakkans zeer gering. En als ze al gepakt worden, ontspringen ze op een of andere manier toch altijd de dans. Gebrek aan bewijs. Procedurefout. Of anders krijgen ze een boete die ze gelijk lachend contant afrekenen als ze de rechtbank  uitlopen. Gewoon omdat de rechter in een goede bui is. Waarschijnlijk ook door een envelop met geld of een handige beleggingstip. Net zoals bij de buurman van Albert dus. Maar goed, iedereen is te koop natuurlijk. Met genoeg geld zet je de hele wereld naar je hand. De top van de apenrots heeft het gewoon voor het zeggen. Het is ons-kent-ons en wie betaalt, bepaalt. Staat en Kapitaal zijn twee handen op een buik. Les 3 van de cursus. Mijn besluit staat vast nu. Veel gewetensbezwaren kan ik niet verzinnen. Zolang de welvaart niet eerlijk verdeeld is, zie ik niet in waarom ik me netjes aan de regels zal houden. Als ik de keus had zou ik ook handelen in aandelen met voorkennis, denk ik bij mezelf terwijl ik een kopietje maak. Geen geweld, geen pistolen. Gewoon een telefoontje naar de bank en… Kassa! Een paar ton rijker. Of meer. Niet dat daar geen slachtoffers bij vallen. Iemand zal het uiteindelijk toch moeten terug betalen. Of er voor moeten werken, nog erger. Maar ik heb geen keuze. Ik ga het geld gewoon halen waar het zit. Nou nog effe de plattegrond van Wassenaar kopieëren…

Russisch Roulette

’…en vergeet uw bagage niet,’ klinkt het uit de luidspreker nadat de trein met knarsende remmen tot stilstand is gekomen. Ik sta snel op van de klapstoel voordat de meute weer probeert voor te kruipen. De keuze voor het balkon is niet omdat het zo druk is, want dat is het niet, maar omdat ik geen mensen meer om me heen kan hebben. De lichte pislucht van het toilet neem ik daarbij voor lief. Dat is misschien nog wel aangenamer dan de walm van al die aftershaves die in de coupé hangt, en die feitelijk ook niets anders doen dan de pislucht verdrijven. Ik stap het perron op en sla de sjaal voor mijn gezicht tegen de koude wind. Voor de massa uit snel ik de  trappen op naar de stationshal van Utrecht Centraal. Het onverwachte en vooral ook onterechte ontslag bij de Albert Heijn is net het zetje geweest dat ik nodig had. Het heeft me net kwaad genoeg gemaakt. En ik zit zonder inkomen uiteraard. Helpt ook altijd. De stok achter de deur. Ik heb even met de gedachte gespeeld om Albert af te persen, maar heb dat idee al snel laten varen. Er is nog een andere mogelijkheid. En daarom ben ik hier. Aangekomen in een stad waar ik ook niemand ken, en niemand mij. Als het goed is. En groot genoeg om anoniem in rond te kunnen lopen. Dat is noodzakelijk. Als ik heel Hoog Catharijne doorgelopen ben, ga ik in het centrum op goed geluk op zoek naar een geschikte bank. En daarbij is het rente-percentage op de  spaarrekening niet zo belangrijk. Na een uur of anderhalf door de stad te hebben gewandeld en de boel verkend te hebben loop ik terug naar het station. De ABN Amro aan het pleintje niet ver van het station lijkt me het meest geschikt. Er is geen sluis, zodat ik ongehinderd naar binnen en weer naar buiten kan lopen, en er zijn genoeg vluchtmogelijkheden om te voet te ontkomen: steegjes, zijstraten en een drukke winkelstraat in de buurt. Ik heb de afgelopen maanden in het kader van het Project Goede Voornemens al allerlei informatie verzameld uit kranten, Internet, Opsporing Verzocht, om uit te zoeken hoe ik het ‘t beste kan aanpakken. Hoe het zit met kasruimte, kluisruimte, alarmsystemen, automatische schuifdeuren, tijdklokken, camera’s, etc. Wat de beste methode is. En wat het oplevert. Samengevat: er zijn ruwweg drie soorten bankroof.

1-Hit&Run. De eenvoudigste methode. Je gaat naar binnen, laat je pistool zien, vraagt vriendelijk om geld en vertrekt weer. Levert niet veel op. Ergens tussen de zes jaar cel en 30.000 gulden. Kasgeld. Kleingeld. En altijd alarm, dus de politie zit je op de hielen.

2-Methode Attila Ambrus. Je wacht het personeel binnen of buiten op voordat de bank opengaat en laat ze het alarm uitzetten en de kluis openen. Er gaat wel de nodige voorbereiding in zitten. Je moet de boel vooraf observeren en je moet er voor zorgen dat niemand alarm slaat. Ook eventuele voorbijgangers of buurtbewoners niet. Je hebt eigenlijk ook meer man nodig. Veel geweld is echter ook hier niet nodig. De opbrengst is hoog of helemaal niets.

3-The Cowboy Score. Je verschaft je toegang tot de kluisruimte met de nodige middelen: moker, auto of explosieven. Of alle drie tegelijk. Net voor opening, dan is de kluis vaak open. Maar het kan ook tijdens de openingstijden. De opbrengst kan hoog zijn. Maar er is altijd alarm dus ook hier komt de politie je achterna. Dus ook hier heb je geen garantie voor succes.

Conclusie: welke methode ik ook kies, ik heb geluk nodig, veel geluk. Het blijft toch een soort Russisch Roulette.

Ik baan me een weg door de menigte. ‘Jullie lopen ook alleen maar in weg,’ mompel ik geïrriteerd. Even later zit ik met een zak patat op een ijskoud metalen bankje in de hal van Utrecht Centraal en bekijk de krioelende massa. De een op weg van A naar B om dozen in te pakken, de ander op weg van B naar A om diezelfde dozen weer uit te pakken. Of iets van dezelfde zinloosheid, stel ik me zo voor. Ik overdenk de zaak nog eens: Hoe ga ik dat nu  precies… Ik maak mijn gedachten niet af en de hap vette patat wordt uitgesteld. Want plotseling wordt mijn aandacht getrokken door het Grenswisselkantoor recht tegenover me. ‘Krijg nou wat!’ Dat kan natuurlijk ook! Tot ’s avonds half tien open. Dan is het al donker. Altijd een voordeel voor de activiteiten die het daglicht niet kunnen verdragen, stel ik met een glimlach vast. Ik zie dat het personeel allemaal achter glas zit en ik heb zelfs zicht op de kluis in de hoek. Ik kijk nog eens goed. De deur staat zelfs een klein stukje open! Wat er in ligt is weliswaar niet te zien, maar toch. En als ik om me heen kijk, zie ik dat de stationshal eigenlijk ideaal is om te ontkomen. Overal trappen en perrons. Kan ik zo in de mensenmassa verdwijnen of in een trein stappen. Maar hoe kom ik aan dat geld, vraag ik me af terwijl ik een hap neem. Ik kan natuurlijk gewoon het kogelwerende glas eruit blazen met explosieven. Net zoals die Eric Jan Q. eerder gedaan heeft bij de GWK’s in Hoek van Holland en Maastricht. Hij ging er toch altijd met minimaal een halve ton vandoor weet ik uit de krantenberichten. Heel simpel eigenlijk: een klein pakketje met springstof op de balie, lont aansteken, vingers in je oren en KABOEM!! Vrij baan. Kan je zo naar de kluis lopen en inladen die sporttas. Zelfbediening. Ik eet rustig mijn patat verder op. De mensen om me heen zie ik niet meer. Om aan springstof te komen is niet zo moeilijk. Ik heb me altijd al bezig gehouden met explosieven. Dat was een van de weinige redenen waarom die laboratorium-opleiding nog wel interessant was. Ik had ooit een hele verzameling underground literatuur en ordners vol informatie. Nog steeds jammer dat die ergens tussen een van de vele verhuizingen verloren zijn gegaan. Maar aan de hand daarvan heb ik in de loop der jaren geleerd hoe ik zelf de meest uiteenlopende explosieven kan fabriceren. Een ritje langs het tuincentrum, de bouwmarkt en de drogist levert de chemicaliën op waarmee ik kilo’s tegelijk kan maken. De primaire springstof voor het slagpijpje moet gesynthetiseerd worden: nagellakremover gemixt met een bleekmiddel en een scheutje accuzuur. Vrij  eenvoudig. Als je weet wat je doet. Anders is dat het laatste wat je in je handen hebt gehad. De secundaire springlading is een kwestie van het bij elkaar mixen van de juiste bestanddelen: kunstmest en nog iets uit de hobbywinkel, en voilà! Eén mengsel heeft zelfs zaagsel als belangrijk bestanddeel. Veel leuker kunnen we het niet maken. En veel eenvoudiger ook niet. Alleen hoeveel ik er voor nodig heb zal ik nog even moeten uitzoeken. Maar dat is allemaal het probleem niet. Want wat me zorgen baart is het gevaar dat eventuele omstanders en het personeel lopen bij zo’n actie. Een paar honderd gram detonerende springstof op een paar meter afstand is al een vrij beangstigende situatie, weet ik uit ervaring. Helemaal als je het niet verwacht en er ook nog allerlei glas in het rond gaat vliegen. Zou ik zelf aan de andere kant van dat glas durven zitten, schuilend achter een bureau…? Twee dagen later. Vandaag is de generale repetitie en loop ik alles nog een keer door, op de toekomstige Plaats Delict. Niet in de laatste plaats om het levensecht te maken en te kunnen beoordelen of ik het wel aankan. Dit is het plan: Ik reis met de trein, aangekomen op het station zal ik via een tunnel aan het einde van het perron het station uitlopen, dan in een steeg ongezien de trainingsbroek en het zwarte jack uit de rugzak halen en over mijn kleren aantrekken. Daarna zal ik het station weer binnen lopen via de onopvallendste route qua camera’s en mensenmassa’s om vervolgens rustig het GWK binnen te wandelen. Om even later met een rugzak vol geld weer naar buiten te lopen, direct de trap links naast het GWK te nemen naar perron 14 om daar een stukje verderop via weer een andere trap in de tunnel uit te komen die onder alle perrons doorloopt. Daar, in het halletje bij de lift en uit het zicht van de camera’s en eventuele achtervolgers kleed ik me weer om en zal verdwijnen zonder een spoor achter te laten. Wat kan er nou nog mis gaan? Thuisgekomen ga ik op mijn klapstoeltje voor het raam zitten en kijk uit over het water. Ik heb het licht uit gelaten. En het is stil. Zal ik het doen? Kan ik het aan? Dat zijn de gedachten die door mijn hoofd spoken. Veel te verliezen heb ik niet. Het is dit of terug naar een of ander kutmagazijn of ellendige fabriekshal. En zo’n fabriekshal verschilt eigenlijk nauwelijks van een gevangenis. Natuurlijk, je mag ’s avonds en in het weekend wel naar huis. Maar ja, daar sukkel je vervolgens ook gewoon uitgeput en zappend voor de tv in slaap. Ik heb al eens een tijdje vastgezeten voor autodiefstal en joyriding. Althans in de bewoordingen van justitie. Voor mij was het gewoon een cursus autotechniek. Voor het regelen van een vluchtauto. Niet dat ik er niet stiekem van genoten heb, dus een beetje joyriding was het eigenlijk wel. Maar de auto’s zijn allemaal terug bij de rechtmatige eigenaar. Ik heb alleen een keertje uit een stapel cd’s die in het dashboardkastje lagen een cd van de Golden Earring gejat. The Naked Truth. De live-cd met dat prachtige  nummer Radar Love er op. En ik vroeg me af of er voor mij ook zo’n soort liefde zou zijn weggelegd (maar ik zou met elk kleine beetje liefde genoegen hebben genomen). In ieder geval, ik weet dus wel een beetje waar ik het over heb en wat de consequenties kunnen zijn. Ik herinner me de lawaaiige Koepelgevangenis nog goed, toen ik daar midden in de zomer vastzat en het zo benauwd was op de bovenste ring. Je moest daar toen zelf je kleren nog wassen in een emmer water, douchen kon je één keer in de week, en er was maar één koelkast voor 50 man. Dus ik vraag me nog een keer af of ik het wel aan kan en of ik bereid ben de consequenties te aanvaarden. Ik stel me voor hoe ik me omkleed in het steegje en hoe ik het kantoor binnen loop. En plots word ik overvallen door de zenuwen. Het is net alsof ik al in het GWK sta! Zo voelt het. Ook omdat ik weet dat als ik nu een beslissing neem er geen weg meer terug is. Als ik nu ‘ja’ zeg, ga ik het doen. Dat weet ik. Want ik heb eerlijk gezegd al eens een keer eerder een poging gewaagd. Alleen is die faliekant mislukt, want ik werd met een overvalpakket afgescheept, iets wat de beslissing nu alleen maar moeilijker maakt. Maar als het besluit is genomen dan is het een kwestie van het draaiboek volgen. De opdracht uitvoeren. Dan moet er wel een héle goede reden zijn om het af te blazen. En daarom voel ik de zenuwen nu ook zo heftig. Ik begin te ijsberen door de kamer. Rondlopen en plannen maken is makkelijk. Maar ze ook daadwerkelijk gaan uitvoeren is totaal iets anders, merk ik opnieuw. Nu ik ga beslissen of ik de stap echt ga zetten verandert alles weer 180 graden. Toen ik de boel aan het verkennen was, betrapte ik mezelf al op een voorpretje bij de gedachte aan die tas met geld. Nu schreeuwt mijn hele lijf: ‘Doe het niet!’. Zo gemakkelijk het leek toen het nog fantasie was, zo moeilijk is het nu. Sterker nog, elk slap excuus klinkt opeens heel plausibel. Ik ben zenuwachtig. Angstig zelfs. Maar ik ga het nu beslissen. Ik staar in het oneindige. Minuten gaan voorbij. Nee. Ik stel het niet langer uit. Ik ga het doen! Een vreemd gevoel maakt zich van me meester. Het lijkt net of ik zojuist een revolver met één kogel in het draaiende magazijn tegen mijn hoofd heb gezet, wachtend op het moment dat het magazijn tot stilstand is gekomen en ik de trekker zal moeten overhalen. De inzet ligt voor me op tafel. Het kan van mij zijn… Wat voel je op zo’n moment? Niets meer. Berusting. Niets meer te verliezen. Het lot bepaalt of de kogel al dan niet voor de loop tot stilstand komt. Het doet me een beetje denken aan de tijd dat ik volledig naar de klote was. Niets had me nog uit gemaakt. Al was ik ter plekke dood neer gevallen. Ergens is het ook een lekker gevoel, merk ik. Bevrijdend.

Eindbestemming

‘Pampampam bada dam pampam!!´

- Robbie Williams -

Het besluit is vorige week gevallen. Mijn lichaam en geest zijn zich blijven verzetten. Geen eetlust. Kreeg nauwelijks een stroopwafel door mijn keel. En weinig nachtrust. En alles behalve dat ene leek onbelangrijk. Logisch ook. Dreigend gevaar roept een reactie op: Vechten of vluchten. En ik heb al mijn wilskracht nodig gehad om niet te vluchten. Nu ben ik gespannen en gefocust. Ik ben er klaar voor. Vandaag wordt de trekker overgehaald. Ik ben per trein op de plek van bestemming aangekomen en heb me omgekleed in het steegje. Maar het loopt natuurlijk nooit helemaal volgens plan. ’Godver-de-godver!’ vloek ik. Dat verzin je toch niet?! Ik sta zo’n 25 meter voor het GWK. Zal ik het riskeren? Even overweeg ik het plan gewoon door te zetten, met een rugzak vol geld en twee Walther P5’sals buit in gedachte. Nee. Zittend op het metalen bankje wacht ik geduldig tot de twee politie-agenten die in de rij staan aan te schuiven, vertrokken zijn. Als het agentenduo me voorbij gelopen is, kijk ik nog een keer om me heen of de kust veilig is, haal diep adem en loop naar het GWK. Daar gaan we. ‘Fucking’ hell!’ De schuifdeuren wijken uiteen, ik pak het pistool uit mijn rugzak en loop direct door naar de balie. Klanten deinzen terug. De medewerkster kijkt geschrokken. Mijn eis dat ik geld wil hebben komt dus niet meer als een totale verrassing. Maar tot mijn grote verbazing schudt ze haar hoofd. Wat nou nee?! Ik zeg nog een keer dat ze geld moet geven en richt mijn pistool op haar. Ik had verwacht dat ze alleen al bij het zien van het pistool aan mijn eis tegemoet zouden komen, zij het met enige tegenzin. Al was het maar om het gevaar voor omstanders te beperken. Niet dus. Ze schudt nog resoluter nee en staat op om naar achteren te lopen. Wat is dit?! Wat nu?! Het staat me tegen om iemand nu het pistool op het hoofd te zetten en te schreeuwen: ‘Geld! Geld! Opschieten anders schiet ik!’ Zelfs nu het op een fiasco dreigt uit te lopen. Geen geld dus. Zelfs geen overvalpakket. Dat is het tweede punt waarop de werkelijkheid van het plan afwijkt. En niet het minste. Blijkbaar geven ze hier pas geld als je ook geweld tegen klanten gebruikt. Wist ik niet. Weer wat geleerd. In de stress glijdt ook nog de sjaal nog van mijn gezicht af. Derde probleem. Dat zou me nog wel eens kunnen opbreken, schiet er door me heen. Maar ik heb geen tijd om er lang bij stil te staan. Het maakt me ook niet meer uit. Dat komt toch een beetje door de het-is-nu-toch-te-laat-houding. Niet erg professioneel, maar goed. En nu wegwezen hier! ‘Fuck!’ Met lege handen naar huis dus. De vlucht verloopt wel vlekkeloos. Want het had nog erger gekund natuurlijk. Het kan altijd erger. De opbrengst is dan wel geen 30.000,- gulden, maar ik zit tenminste niet achter in een politiebusje, verzucht ik terwijl ik door de beslagen ramen van de trein het duister in tuur. Al heeft dat ongetwijfeld niet veel gescheeld. Totaal opgefokt en gestressed ben ik thuisgekomen. Je leven en je vrijheid op het spel zetten en dan met lege handen thuiskomen dat is uitermate kut. Een afgang ook. Ik zie dat mens nog nee schudden. Ik had godverdomme gewoon een halve kilo springstof tegen het raam moeten plakken en de boel moeten opblazen! Kijken wie er dan nog nee schudt. En dan had ik hier niet met lege handen gezeten. ‘Fuck!’ Dat krijg je er nou van als je steeds maar rekening houdt met je medemens. Problemen. Niets dan problemen. Het geweten zit me gewoon nog steeds in de weg… Drie dagen later sta ik weer voor het NS-loket om een kaartje te kopen. Want ik kan geen kant meer op, behalve doorgaan op de ingeslagen weg. Ik moet het magazijn gewoon nog een draai geven. ‘Enkele reis of retour?’ vraagt het meisje. Ik kijk of ik genoeg geld heb voor een retourtje. ‘Retourtje.’ Even later loop ik met het treinkaartje in mijn hand naar het perron. Ik bekijk het. Bestemming: Een beter Leven . Tenminste, daar wil ik naar toe. Maar ik weet dat er onderweg van alles kan gebeuren. Voor hetzelfde geld wordt het treinstel waar ik in zit afgekoppeld om definitief door te rijden naar die andere eindbestemming: De Ondergang. Enkele reis. Maar ik weet dat ik er toch niets over te zeggen heb. Vandaag komt dan toch het oorspronkelijke doelwit aan bod. In een steegje heb ik me ongezien in het pak gehesen en loop nu naar de ABN Amro twee straten verderop. ‘Oké, daar gaat íe dan!’ mompel ik terwijl ik de straat oversteek. In het volle daglicht voel ik me toch vrij ongemakkelijk. Ik heb het gevoel dat iedereen aan mij kan zien wat ik van plan ben. Ik loop de straat door die uitkomt op het pleintje en sla rechtsaf. Dan schrik ik me de pleuris. Een paar meter voor me loopt een agent. Vrolijk fluitend loopt hij richting het bankgebouw. Halen ze een grap met me uit of hoe zit dat?! Waar komen al die smerissen toch steeds vandaan? schiet er door me heen terwijl ik mijn pas vertraag en net probeer te doen of er niets aan de hand is. Met een beetje geluk loopt hij gewoon door. Ik ben zo’n 20 meter verwijderd van de ingang van de bank, als ik zie dat er ook een  geldtransportwagen van Brinks-Nedloyd langs de gevel staat. Verrassing nummer twee. Maar dat hoeft geen slechte te zijn. Nog 10 meter. De agent is de bank voorbij gelopen. Ik zal toch iets agressiever moeten zijn dan de vorige keer, sommeer ik mezelf en loop richting de ingang, nog één keer stiekem achterom kijkend of de agent niets in de gaten heeft. Nee. Jullie vragen er zelf om! Maar veel moeite kost het me niet om mezelf te overtuigen, want ik ben nog steeds een beetje opgefokt van het fiasco een paar dagen terug. Ik haal nog een keer diep adem. De schuifdeuren wijken traag uiteen. Ik weet dat ik nu nog maar iets van 90 seconden heb. Dus ik loop meteen met getrokken pistool op een medewerkster af. ‘Ik wil geld!’ zeg ik verbeten. Dat is voor haar ook wel duidelijk want ze drukt nog voor dat ik het goed en wel gezegd heb op de alarmknop onder de desk. ‘Er is geen geld,’ zegt ze. Een bank zonder geld. Leuk bedacht. Of anders een erg blonde opmerking, want die geldwagen staat er toch niet voor niets, of wel? Trutje. Dus ik zeg: ‘Geef me geld! Opschieten!’ ‘Ik heb hier geen geld,’ herhaalt ze zenuwachtig en in de ijdele hoop mij te overtuigen, ‘ik ben nieuw hier.’ Ja, ik ook, denk ik bij mezelf. Maar dat schiet zo dus niet op. De tijd tikt. Toch wel sneu voor haar, schiet er even door me heen. Al lijkt ze toch ook weer niet heel erg geschrokken. Ik heb het idee dat ze het niet helemaal serieus neemt en denkt dat het een oefening is of  ‘Jij geld halen!’ zeg ik tegen een andere baliemedewerksters die me met grote bruine ogen aankijkt. Ze heeft zwart krullend haar en een mooi gezicht. Ze lijkt een beetje op Femke Halsema. ‘Dat moet ik achter halen,’ zegt ze schuchter. Zij heeft blijkbaar al wel geleerd dat het beter is om gewoon mee te werken. En na een korte aarzeling, alsof ze wacht op mijn goedkeuring, loopt ze naar de sluis die toegang geeft tot de kluisruimte. Ik kan het niet nalaten een blik te werpen op haar mooie figuur. En heel even dreig ik afgeleid te worden. Wat een… Concentreer je godverdomme! We zijn aan het werk hier! ‘En jullie binnen blijven! Zitten!’ roep ik tegen de aanwezige klanten. Mijn god, wat is het druk deze morgen. Heb ik weer. De eerste sluisdeur gaat open. En ik aarzel heel even of ik niet gewoon mee zal lopen. Maar zelfs Femke laten ze niet meteen binnen. Slechts met grote moeite lukt het haar, haar collega’s in de kluisruimte te overtuigen de tweede sluisdeur voor haar te openen. En terwijl ik rustig sta te wachten op wat komen gaat, zie ik helemaal achterin de bank iemand uit een kantoortje tevoorschijn komen. Een soort manager. Zo’n kijk-mij-met-m’n-originele-stropdas-type. Hij kijkt verbaasd rond. Er hangt een gespannen stilte. Dan ziet hij mij. Schrikt. En verdwijnt gehaast het kantoortje weer in. Een seconde later realiseer ik me dat hij waarschijnlijk op het stille alarm is afgekomen om met eigen ogen te zien of er echt een overval aan de gang is. En nu belt hij met de politie. Nou goed, doet er ook niet toe. Ik ben toch zo weg hier. Hoeveel tijd heb ik nog? Hoelang ben ik al binnen? Een halve minuut of zo? Tot mijn schrik zie ik vanuit mijn ooghoek ook nog de schuifdeuren open gaan. Een jongen en een meisje, ik schat ze allebei een jaar of twintig en type student, willen de bank binnen lopen. Maar ze aarzelen. Ik kijk om. Een klant zit te gebaren dat ze weg moeten gaan. Daar stopt íe mee als ik hem aankijk. Maar hij heeft ze aan het twijfelen gemaakt. Het is ze niet helemaal duidelijk wat er aan de hand is maar schoorvoetend maken ze rechtsomkeer. Ik kan ze natuurlijk met getrokken pistool de bank inslepen en roepen dat ze op de grond moeten gaan liggen en dat het een overval is en zo, maar dat is niet mijn stijl. Dus ik laat ze maar gaan, ook met de gedachte dat het alleen maar extra verwarring geeft bij de eventuele agenten buiten. Ik loop naar het kasloket en begin nu toch wel wat haast te krijgen. Dus ik tik hard met mijn pistool op het glas. ‘Opschieten!’ Eindelijk schuift de medewerkster wat geld onder het kasloket door. Gretig wil ik het pakken… ‘Wat is dat?! Dat is toch geen geld! Ik wil briefjes van 1000 hebben!’ Ze denkt me te kunnen afschepen met een stapeltje briefjes van 100 gulden. Zie ik er soms uit als een junk die genoeg heeft aan wat wisselgeld voor het volgende shot? Godverdomme! Misschien is het de baard van een paar dagen. Even later geeft ze een paar van die mooie groene briefjes, bovenop een stapeltje ander geld. Ik stop het in mijn rugzak terwijl ik zeg: ‘Meer!’ Ik krijg nog een stapeltje losse bankbiljetten die ik ook in mijn rugzak prop. Hoeveel seconden heb ik nog? Heb ik nog tijd? Volgens mij niet. Dit gaat te lang te duren. Dus ik wacht niet langer tot ze terug is maar loop richting de schuifdeuren. En even is er de twijfel of ze wel open zullen gaan. Maar die twee konden ook zo naar binnen en naar buiten. Als de deuren langzaam uiteen wijken stop ik het pistool in mijn rugzak en kijk nog een keer om. Zal ik ze bedanken? Nee. Stelletje idioten. Ik wandel rustig de bank uit alsof er niets aan de hand is. Beseffende dat de politie niet ver kan zijn - zeker die ene niet - loop ik de straat uit. ‘Hé!’ hoor ik iemand roepen, ver achter mij. ‘Hé!! Jij daar!’ Rennen! schiet er door me heen. ‘Hé!!!’ Ik sprint linksaf de hoek om, richting het steegje waar ik me weer ongezien kan omkleden. Ren een hoek om en wil de straat oversteken. Op hetzelfde moment zie ik vanuit een ooghoek een fietser recht op me af komen. Ik blijf van schrik staan. Het meisje op de fiets remt uit alle macht, maar te laat. Het voorwiel knalt tegen mijn knie en zij schiet van het zadel, bijna over haar stuur heen. ‘Sorry,’ zeg ik als ik zie dat het voor haar ook schrikken is. Maar omdat me duidelijk de tijd ontbreekt me verder te verontschuldigen, ren ik half hinkend verder. ‘Aaahh!!’ Dat doet pijn. Aangekomen in het steegje wissel ik binnen vijf seconden van kleding en stop alles in een plastic zak. Ik hoor sirenes. Vlakbij hoor ik een auto met piepende banden optrekken. Fuck! ze zijn wel erg dichtbij! Maar ik maak mezelf wijs dat me niets kan gebeuren. Rustig loop ik door de straten tot… ‘Shit!’ Zo’n vijftig meter verderop komt een politiewagen me tegemoet gereden. Ze vertragen. Kijken in mijn richting. En ze lijken te aarzelen. ‘Fuck me!’ mompel ik. Net doen of er niets aan de hand is, sommeer ik mezelf. Werkt altijd. Toch? Dus ik kijk naar een straatnaambordje en doe net of ik niet weet welke kant ik op moet. Vervolgens loop ik vrolijk het busje met de agenten tegemoet. Als ze dichtbij zijn werp ik ze nog een blik toe alsof ik ze de weg wil gaan vragen. Dat is duidelijk voldoende voor ze om te besluiten om verder te rijden. Het leek heel even of ze dachten: Ja, dáár hebben we geen tijd voor! ‘Pfff!’ zucht ik, als ze me voorbij gereden zijn. Dat  scheelde niet veel. Maar dit kost me wel vijf jaar van mijn leven! Is het niet de gevangenisstraf dan is het wel van de stress. Maar ik heb het gered! Yes! Ik juich van binnen terwijl ik zonder op of om te kijken verder richting het station loop. De trein komt langzaam en met piepende remmen tot stilstand in het station van Rotterdam Centraal. Door de luidspreker klinkt de conducteur: ‘Een Beter Leven. Eindpunt van deze trein. Alle passagiers worden verzocht over of uit te stappen. En vergeet uw bagage niet.’ Nee, dat zal ik zeker niet doen. Thuisgekomen tel ik het geld. 15.800,- gulden. Drie keer is scheepsrecht, stel ik tevreden vast. Het is een redelijk groot bedrag voor me. En briefjes van duizend heb ik nog nooit in mijn handen gehad. Maar ik ben dan ook niet meer gewend dan een bijstandsuitkering. Of dat schijntje waarmee ik ben afgescheept bij de AH. De beloning voor jezelf helemaal de tering werken. Net genoeg om een gordijn te kopen en de geiser te repareren. Daar is dit een jaarsalaris bij, stel ik grijnzend vast terwijl ik het papiergeld door mijn vingers laat glijden. Lekker. En als ik de stapel geld opberg in een zijvak van mijn sporttas, bedenk ik dat ik dit eigenlijk al veel eerder had moeten doen. Ik zoek in de stapel cd’s naar de nieuwe van Robbie Williams. Eens effe kijken... Tityo (Come along), Warrior Soul (Last Decade, Dead Century), Johnny Cash (Solitary Man), The Fun Lovin’ Criminals (Scooby Snacks), The Hives (Veni Vidi Vicious), The Red Hot Chilipeppers (Greatest Hits), Foo Fighters, Golden Earring (The Naked Truth) … Waar is íe nou? Onderop ligt nog een tweedehands exemplaar van Gehoorzaam als een hond van Richard Klinkhamer. Even later klinkt The Road to Mandalay. Het volume gaat bijna voluit. Ik zing mee. ‘Pampampam bada dam pampam!’ Ik heb dus alweer een kleine muziekcollectie. Eindelijk weer iets om me mee te identificeren. En daardoor voel ik steeds meer leven terug komen. Het is alsof de stilte, de leegte, langzaam verder volloopt met nieuwe geuren, kleuren, beelden, geluiden, toekomstverwachtingen en herinneringen. En stroopwafels smaken weer naar stroopwafels. Dit is het begin van een nieuw leven, voel ik. Een leven in kleur. Een leven waar de zon niet langer buiten wordt gehouden door het grauwe beton en koude staal van een fabriekshal. Een leven waarin ik me bevrijd heb van de loonslavernij, en ik niet langer opgesloten zit met een stelletje achterlijke idioten. Ik heb tenslotte niets anders te verliezen dan mijn ketens. En de eerste stap is nu gezet. Wat de rest doet moeten ze zelf maar weten. Die moeten zichzelf maar zien te bevrijden. ‘Pampampam bada dam pampam!’ Mijn gedachten dwalen weer even af naar vanmiddag. Dat alles-of-niets-gevoel is ook fantastisch, moet ik toegeven. Tenminste, als het dubbeltje uiteindelijk de goede kant op valt. En zo kan het dus ook, bedenk ik, zo voelt het dus als het meezit, als het leven loopt zoals je wilt. Een totaal nieuwe ervaring. Zo moet het ook voelen als het meisje waar je verliefd op bent, blozend of blij ‘ja’ zegt als je haar mee uit vraagt. In plaats van je af te wijzen of je uit te maken voor loser. Dát gevoel ken ik als geen ander. En dat is zo’n beetje het gevoel waarmee ik me door het leven gesleept heb. Het zit nooit mee. Het loopt nooit zoals ik wil. Ik heb me er maar min of meer bij neergelegd. Alles went. Je maakt er het beste van.  ‘Dan maar niet… Ik heb niemand meer nodig…’  Maar vandaag is het tegendeel bewezen. Ik had het niet verwacht. Een mislukking zoals bij het GWK lag meer in de lijn der verwachtingen. Maar goed. Eindelijk. Lekker. Ik heb mijn bestemming gevonden.

Sex met een prinses

De Wallen zijn weer volgestroomd. Met toeristen van over de hele wereld. En hoerenlopers van over de hele wereld. En verder een hoop randfiguren. Dealers, junkies, pooiers. Kleine criminelen. Je leest het af aan de outfit en de stoere blik. Voor alle zekerheid stop ik mijn portemonnee maar voor in een van mijn broekzakken. Grote criminelen lopen hier ook rond, maar die zijn moeilijker te herkennen. Die verraden zich niet met gouden tanden, een Scarface T-shirt en een hoop blingbling. Ik loop door de St. Annendwarsstraat en sla linksaf het steegje in naar La Vie en Rose. Ik duw de doorzichtige rubberen klapdeur open en loop het halletje in. Kijken of ze er is. Het is al negen uur geweest dus als het goed is kan ik haar aan het einde van de gang zien. Als ze vandaag moet werken tenminste. Ik loop achter een paar aangeschoten en luidruchtige Engelsen de gang in en ruik een wietlucht vermengd met parfum en schoonmaakmiddel. Ik schuifel langs een meisje dat glimlachend in de deuropening van haar peeskamer staat. Uit haar gettoblaster schalt harde Dance-muziek. De gang is zo smal dat als ik niet oppas haar borsten raak in het voorbijgaan. En wie weet wat dat kost, dus ik manoeuvreer me er behendig langs. De Engelsen blijven bij de volgende deur staan waardoor niemand er meer door kan, dus ik probeer over hun schouders alvast een glimp op te vangen van Het Meisje. Ze is er! Opgelucht loop ik naar haar toe en bekijk haar van top tot teen. Ze glimlacht. Ze is zo verschrikkelijk mooi. Die ogen van haar… En net zoals de eerste keer valt mijn mond open en mompel ik iets als: ‘Mijn god…’ Mijn blik is wederom gevangen door haar ogen en haar glimlach. Wow! En dat gevoel golft nog steeds door me heen als ik allang weer door de klapdeur naar buiten ben gelopen. Al was er iemand naast me neergeschoten, ik zou het waarschijnlijk niet eens hebben gemerkt. En anders was ik er overheen gestapt en rustig verder gelopen. De avond dat ik haar voor het eerst zag ben ik nog een paar keer terug gelopen om haar nog eens te bekijken, alsof ik mijn ogen niet geloofde. Maar ik ben toen niet naar binnen gegaan. Dat kon ik niet. Ze was er gewoonweg te mooi voor. Zo mooi als een prinses. Dan ga je niet vragen wat het kost. De gedachte aan sex was ook helemaal niet bij me opgekomen. Het was iets van een heel andere orde. Maar vanavond kan ik het niet langer uitstellen. Het leven is kort. En dat van mij misschien wel heel kort. Want dit zou wel eens mij laatste nacht in vrijheid kunnen zijn. Dus. Maar ik ga eerst iets drinken. Ik loop via de nauwe Trompettersteeg richting de kerk, daarna de brug over, om via een rood verlichte steeg uit te komen op de Oudezijdsachterburgwal. Het hart van de Wallen. Hier is vanalles te beleven. Als ik rechtsaf sla kom ik bij Casa Rosso uit, met de Redlight Bar er schuin tegenover, ga ik de andere kant op dan kom ik uit bij de Bananenbar, Excalibur en de Zeedijk. Sex, drugs en rock ’n roll dus. Ik slenter verder over de Wallen en raak langzaam bedwelmd door de rode lampen, de meisjes in lingerie, de neonlichten… Ik heb het gevoel dat mijn leven gaat beginnen. Als ik de trap ben opgeklommen van de Redlight Bar en langs de portier ben geglipt - signalement: man van Noord-Afrikaanse origine, leeftijd circa 30 jaar, ongeveer 1.70 meter lang, zwart opgeschoren haar en sportief uiterlijk - bestel ik aan de bar een rumcola. ‘Captain Morgan, graag.’ Donkere rum. Niet die Bacardi-rotzooi. Terwijl ik wacht op mijn bestelling kijk ik om heen. De tent zit vol luidruchtige toeristen. Bij het raam zitten een paar vage gasten. Marokkaanse types. Allemaal dezelfde zwartleren jacks en Nikes en het opgeschoren kapsel. En veel blingbling. Gouden sieraden, grote horloges. En ze hebben ook allemaal die typische houding van de kleine crimineel. Veel stoer kijken dus. Dat begint al als ze stoned een reep chocola gejat hebben. En nooit lachen. Alleen om leedvermaak. Of als ze geld verdiend hebben. Vroeger was ik er nog wel ingetrapt. Toen had ik nog de neiging tegen mensen op te kijken, en ze serieus te nemen. Gelukkig weet ik inmiddels dat de meeste mensen tegenvallen in het echt. Het meeste is nep, fake, imago. Ik ben niet meer zo snel onder de indruk, van niets of niemand meer. Deze gasten hier zijn ook niet zo stoer als ze willen doen voorkomen. Ze moeten het vooral van hun vrienden hebben. Je bent wie je kent. Het gaat om aantallen. Aantallen en pistolen als het echt serieus wordt. Dat is de eerste wet van de straat. Maar dat was op het schoolplein al zo, schiet er door me heen. Al moet je natuurlijk wel altijd oppassen voor de idioten met gebrekkige geestelijke ontwikkeling, gebrekkige gewetensfuncties en wat dies meer zij. Die wel gevaarlijk zijn omdat ze gewoon gek in hun hoofd zijn. Lijp geworden door teveel MTV, Scarface die op repeat staat en een steeds hoger wordend THC-gehalte van de Nederwiet. Ik zoek een plekje in een rustig hoekje van waaruit ik alles kan overzien. En neem een slok. Niet erg sterk spul, mompel ik in mezelf. Maar ja, er moet natuurlijk wel geld verdiend worden aan al die toeristen. De harde muziek en het rumoer maken me nog meer tot een toeschouwer. Ik heb zelf niet zo de behoefte om stoer te doen. Ik hou liever een  low profile. Maar eerlijk gezegd kan ik ook moeilijk anders. Met mijn uiterlijk wordt een stoere blik niet serieus genomen. Dat is ook weer zo. Ik heb geen streetcredibility what so ever. Maar ja, wat koop je daar ook voor? Streetcredibility. Dat is gewoon een wedstrijdje wie de grootste mongool is. Ook iets dat ik in de gevangenis heb geleerd. Het is omgekeerd evenredig met je IQ en houdt meer verband met je schoenmaat. Als ze er alleen voor staan, en puntje bij paaltje komt, vallen ze zwaar tegen, schat ik zo in, als ik het groepje bij het raam weer bekijk. Ik zie dat ze allemaal naar buiten zitten te gluren naar de overkant van de gracht. Naar de meisjes achter de rood verlichte ramen naast Casa Rosso. En zij kijken af en toe schichtig richting de bar. Zouden ze aan het werk zijn voor die gasten? vraag ik me enigszins bezorgd af. Ik weet het niet. Moeilijk te zeggen. Wat ik wel weet is dat de pooiers hier het geld er net zo snel doorheen jagen als het door de meisjes verdiend wordt. Ik heb het wel eens in de gaten gehouden. In een kwartier tijd is zo honderd gulden over de toonbank en in de gokkast verdwenen. Het meisje heeft er zich net zo lang voor moeten laten vernederen. En die gasten spelen de stoere bink. Ik vraag me af of het onverschilligheid is of domheid. Waarschijnlijk allebei. De mens is een aap, maar sommige duidelijk meer dan anderen. Zou dit groepje Artis bezoeken, dan zouden de chimpansees bananen naar hún gooien, stel ik grijnzend vast. Ik neem nog een flinke slok. Vooral stoer blijven kijken jongens, jullie spelen in je eentje nooit klaar wat ik vandaag heb klaargespeeld. Never nooit niet. ‘Stelletje kankermongolen…’ Ik heb een hekel aan die gasten, maar wie ben ik om te oordelen? Ik weet dat wat ik doe ook niet goed te praten is. Ik ben tenslotte diegene die misbruik maakt van de situatie. Het zal je dochter maar zijn. Stel je dat nou toch eens voor… Toch zijn er genoeg keurig getrouwde mannen met schattige dochters, die de-dochter-van komen neuken voor 100 gulden. Eén op de vier om precies te zijn. Ach, ik wil er verder niet meer aan denken en neem snel een slok. De tijd van principes is voorbij. Het is nu ieder voor zich, en God bestaat niet. Mijn leven is ook niet echt plezierig geweest. Eenzaam vooral. Ik had maar één meisje nodig gehad. Ze had niet eens mooi hoeven zijn. Dan had je mij hier nooit gezien. Maar op de middelbare school zagen zelfs de lelijke, saaie meisjes mij niet staan. Eén kus, één glimlach had me kunnen redden. Dus fuck it. Toen wilden ze me niet hebben, nu heb ik ze niet meer nodig. Ik spoel de melancholische gedacht-en die even de kop op hebben gestoken en de stemming dreigen te verpesten weg met een paar flinke slokken rumcola. Dit is gewoon een happy end, maar dan op mijn manier. En alles vergeten en vergeven. Tenminste voor vandaag… Ander onderwerp, zeg ik tegen mezelf, en sta op om nog een rumcola te bestellen aan de bar. Het meisje achter de bar is ook mooi. Ik bekijk haar aandachtig. Als ze het merkt lacht ze. Ik lach terug. Dat is ook nieuw, schiet er door me heen. Maar het doet er niet toe. Als de alcohol straks de euforie nog verder versterkt heeft ga ik naar het mooiste meisje van allemaal. ’Hé, schoonheid,’ zeg ik. Ik heb dat woord nog nooit tegen een meisje gezegd en besluit het alleen voor haar te gebruiken. ‘Wat kost het?’ is de vraag die er meteen op volgt. ‘Honderd gulden, pijpen, neuken.’ antwoordt ze. Ze heeft een mooie stem. Het zijn wel niet de woorden die je verwacht van een prinses, maar goed. Dan had ik het ook maar niet moeten vragen. Dus. ‘Oké.’ En terwijl ze de deur afsluit en het gordijn achter me dicht schuift haal ik mijn portemonnee tevoorschijn en pak er een briefje van honderd uit. Een biljet rechtstreeks van de bank. Nog helemaal stijf en glad. Nog bedankt mensen, denk ik bij mezelf en glimlach. Als ze het geld heeft weggestopt in een kastje achter haar en zich weer omdraait kan ik haar voor het eerst eens goed bekijken. Ooh, die heupen, die benen… perfectie bestaat. Ze glimlacht naar me. ‘Carmen,’ zegt ze, en steekt haar hand uit. ‘Aangenaam Carmen,’ zeg ik en voel een schokje als ik haar hand aanraak. Tijdens de sex die volgt, kijk ik haar bijtend op mijn onderlip bewonderend aan. En in een onbewaakt ogenblik hoor ik mezelf mompelen: ‘God bestaat toch…’ ‘Wat zeg je?’ ‘Niks. Laat maar.’ Na afloop geef ik haar nog een briefje van honderd, uit een soort schuldgevoel en dankbaarheid. En na een voorzichtige kus op mijn gloeiende wang loop ik gelukzalig de nacht in. Dit is het echte leven, schiet er door me heen, wanneer ik richting het Paleis op de Dam loop. Vrijheid. Drank. Vrouwen. Mijn nieuwe leven. Ik heb een bank beroofd. Ik heb sex gehad met een prinses. Ik ben gelukkig. Voor het eerst van  mijn leven.

Gucci&Ferrari

Living well is the best revenge.

Ik fiets relaxed naar het park en geniet van mijn herwonnen vrijheid. Het zonnetje schijnt. De lente hangt in de lucht. Je ruikt het. De geur van de belofte. De belofte dat vanaf nu alles alleen maar mooier wordt. De schoonheid zit al in de knop en die hoeft alleen nog maar open te barsten. Ik voel een energie in me opkomen die ik al heel lang niet meer gevoeld heb en slinger met mijn gejatte damesfiets als een blij kind van links naar rechts over de hele breedte van het fietspad. Links… rechts… Zoef… zoef… De claxon van een aanstormende scooter roept me tot de orde. En ik voel me betrapt op mijn kinderlijke vreugde. Ik glimlach als de scooter voorbij raast. Zoef… zoef… Dit is het leven van een miljonair, filosofeer ik. ’s Morgens lekker uitslapen. Rustig je ontbijtje eten. Krantje lezen of een boek. Beetje door de stad wandelen, mensen kijken. In het lentezonnetje zitten. Naar muziek luisteren. Of fietsen door het park dus. Zorgeloos. Alle tijd voor jezelf. Weer verschijnt er een glimlach op mijn gezicht. Dit is een genoegdoening voor alle ellende. Hier wordt een rekening vereffend. Duidelijk. En wel dat deel van de rekening dat niet op naam staat, maar dat in de loop van de tijd toch aardig is opgelopen. Ik denk terug aan vroeger. Als ik voor iedere belediging een knaak had gekregen, had ik allang een Ferrari kunnen kopen. Van alle complimenten zou ik nog geen tweedehands Honda Civic kunnen aanschaffen. En dat wordt nu vereffend. Zo heb ik het tot mijn eigen verbazing ook heel sterk gevoeld, toen ik met de tas met geld naar het station ben gewandeld. Wraak is blijkbaar toch een groter motief geweest dan ik zelf had kunnen vermoeden. Wraak voor het ontslag, de beledigingen en nog veel meer. Ik heb het ‘ze’ betaald gezet. Het was nu weer eens duidelijk ik-tegen-de-rest en dat is me goed bevallen. Die rol is me op het lijf geschreven. Zo ben ik op mijn best. Wachtend voor het stoplicht denk ik even terug aan mijn ex-collega’s die vanmorgen voor dag en dauw hebben moeten opstaan en nu met z’n allen hun zacht geworden boterhammen naar binnen zitten te werken. En elkaar lastigvallen met al die grappen en onzinnige verhalen die iedereen al kent. En als dadelijk de zoemer gaat kunnen ze weer aan de slag en zullen ze nog verder afstompen. Zonder het zelf te merken. En morgen weer. En overmorgen, en… Ik glimlach nog steeds. Ik hou helemaal niet van leedvermaak, maar wie de bal kaatst kan hem terug verwachten. Nog maar vier maanden jongens, dan hebben jullie weer die welverdiende drie weken vakantie! Geniet er van. En over veertig jaar, als jullie niet eens meer tot over jullie eigen schoenen kunnen pissen, dan kunnen jullie met pensioen. Ik ben vandaag met de VUT gegaan! Ha! En als jullie vanavond met de pantoffels aan, onderuit gezakt voor de breedbeeldtv met surroundsound naar Lingo zitten te kijken of zo, lig ik in de armen van Carmen. Dat krijg je er nou van! Die gedachte doet me meteen terug denken aan haar. Ik glimlach. Wat is ze mooi… De afgelopen weken is het me niet gelukt haar uit mijn hoofd te zetten. Ongewild dagdroomde ik over haar. Ze figureerde in beelden van een nieuwe toekomst. Normaal gezien laat ik meisjes niet meer toe in mijn toekomstbeelden. Daar zijn de negatieve ervaringen te talrijk voor. Of eigenlijk: de positieve te gering. In principe kunnen ze allemaal mijn rug op. Maar met Carmen is het anders. Ik herinner me haar zachte warme wang tegen de mijne. Hoe zou het zijn als ze me glimlachend zou aankijken met die wonderschone ogen van haar en ik haar zou kussen? Ik weet het niet. Ik durf er eigenlijk ook niet over te dromen. Het zal toch geen werkelijkheid worden. In een happy end geloof ik niet meer zo. Dat is een verzinsel van Hollywood. Toch? Ik twijfel. En net als ik zie dat het stoplicht op groen staat en ik wil oversteken, springt het weer op rood. Ik heb staan dagdromen. Carmen… Volgende dag. Half twaalf. Ik kom net onder de douche vandaan en trek mijn oude spijkerbroek aan. Wat zal ik vandaag eens gaan doen? vraag ik me af. Eens effe kijken… Er zijn twee dingen die ik móet doen: de huur overmaken en boodschappen doen. Het meeste geld gaat dus nog steeds naar Albert Heijn en de huisbaas. Daar kan ik verder ook weinig aan doen in mijn eentje. Ik denk dat ik vanmiddag ook nog maar eens een paar videobanden ga kopen. Verleden week heb ik een klein tv-tje met ingebouwde videorecorder en een stuk of wat speelfilms gekocht.  Heat als eerste natuurlijk. Die film met Robert DeNiro in de rol van Neil McCauley die met zijn kompanen de deur van een  geldtransportwagen opblaast en er met de miljoenen vandoor gaat, is een inspiratiebron. Ze gebruiken daarvoor een zogenaamde Linear Shaped Charge. En dat is geen verzinsel van Hollywood dit keer. Dat is een springlading waarmee je als het ware staal kunt snijden met een minimum aan  collateral damage. Zoiets zou nog wel eens van pas kunnen komen. Ik ben ook al druk doende geweest om er eentje te improviseren. In het weekend ben ik daarom steevast te vinden in het Internetcafé op het Raadhuisplein om onder aliassen als Neil McCauley, Chris Shiherlis, Tyler Durden of Carter McCoy ervaringen uit te wisselen met andere  explosievenfanaten op het Weapons&Explosives Forum. Om daarna, aan de rand van de-stad-waar-niemand-me-kent mijn nieuwste uitvindingen te testen. Een uurtje later loop ik door het lawaaiige centrum, dat ik vooral ken van mijn nachtelijke tochten. Overal reclame. Ik zie etalagepoppen gehuld in de laatste mode, de nieuwste trends. Glitter en glamour. Hier wordt duidelijk gemaakt wat je aan moet trekken om er bij te horen. Welke jeans en gympies je daar voor nodig hebt. Want je wordt in deze maatschappij niet beoordeeld op wie je echt bent maar op je uiterlijk. Het uithangbord van je banksaldo. Het is in feite een kwestie van de juiste gympies aantrekken, al is je hoofd net zo leeg als dat van een etalagepop, concludeer ik. Natuurlijk moet je ook nog een grote tv in huis hebben en een blinkende auto voor de deur en… Wat doet het er eigenlijk toe?! Het gaat volledig aan me voorbij. Ik hoef er niet bij te horen. Wil er ook niet bij horen. Nooit gewild. Misschien is dat de reden dat ik hier nog altijd in mijn eentje rondloop? Waarschijnlijk. ‘Een stelletje karakterloze meelopers zijn jullie!’ mompel ik, terwijl ik om me heen kijk. Het is allemaal pure imitatie en na-aperij wat ik zie. ‘Kijk al die idioten nou toch…’ Dan denken ze dat ze iemand zijn, met een onderbroek van Calvin Klein. Of ze zuigen lachend hun longen vol teer tot ze kuchend kanker krijgen. Alles om er maar bij te horen. Soms is zelfs te zien welke commercial of videoclip als sjabloon heeft gediend. ‘Ken ik jou niet ergens van? Oja, nou weet ik het weer, de etalage van America Today. Cool man! Jij bent goed gelukt, net echt! Fake it, till you make it!’ Er schiet me een fragment van een documentaire te binnen die ik de afgelopen week zag:  Een kantoorruimte. Aan een lange tafel zitten vier jongemannen naast elkaar. Tegenover hen staat een man in een witte doktersjas met een klembord en een aantal kaarten in de hand. Hij vertelt ze dat ze een aantal van die kaarten te zien krijgen,  waarna ze één voor één een eenvoudige vraag moeten beantwoorden. Nadat ze hebben aangegeven dat ze begrijpen wat de bedoeling is, volgt de eerste vraag: ‘Hoeveel cirkels ziet U?’. De man in de doktersjas laat een kaartje zien waarop twee cirkels te zien zijn. De eerste drie mannen antwoorden zelfverzekerd ‘Vier’. De vierde man kijkt nog eens goed naar het kaartje en zijn voorgangers. Gefronste wenkbrauwen. Verbazing. ‘Twee,’ zegt hij aarzelend. Daarna volgt een kaartje met daarop vier zwarte strepen en de vraag is: ‘Hoeveel strepen zien jullie?’. Nadat de mannen zonder aarzelen ‘Vijf’ hebben geantwoord begint de laatste man toch zichtbaar aan zichzelf te twijfelen. Ik zie toch zeker vier strepen?! Of niet? Dat lijkt hij zich af te  vragen. Met een blik van vertwijfeling zegt hij zachtjes ‘Vier’  Als vervolgens de mannen ‘Rood’ zeggen op de vraag welke kleur het zwarte vierkant heeft, kijkt hij of hij de Messias uit de hemel heeft zien terugkeren. Wat gebeurt hier nou?! Ik ben toch niet gek?! zie je hem denken. En hij weet het niet meer. Daarom antwoordt hij aarzelend ‘Rood’. Bij de vragen die volgen sluit hij zich zonder verder na te denken aan bij zijn tafelgenoten. Hij zegt dat één en één drie is, dat een cirkel vierkant is en dat wit zwart is. Na afloop wordt hem meegedeeld dat hij heeft meegewerkt aan het  Asch Conformity Experiment. Ik heb het niet zo op al die meelopers en napraters. Je moet er ook erg mee oppassen. Want voor je het weet staan ze met hun geschoren ballen, kuitbroeken en enkelsokjes Sieg Heil! te salueren langs de kant van de weg, alsof het de Vogeltjesdans is. Dat is de uiterste consequentie van die volgzame levenshouding. Het zit natuurlijk in de mens ingebakken: aanpassen, alle neuzen  dezelfde kant op, wij-zij. Alleen niet bij mij. Ik doe niet mee. Wit is wit. Simpel zat. Ongeacht wat de rest van de mensheid er over te zeggen heeft. Het wij-zijgevoel ken ik ook niet. Het is voor mij nog nooit wij-zij geweest. Op de een of andere manier is altijd ik-tegen-de-rest. Want net zo goed als ik hun bekijk, zo bekijken ze mij ook. Ook ik wordt beoordeeld. En veroordeeld. Want doe je niet mee, loop je uit de pas, al is het maar een fractie, dan kijken ze je raar aan en ben je een loser, of niet goed bij je hoofd. En op de een of andere manier vinden ze bij mij altijd wel wat. Alleen houden zij hun commentaar níet voor zich. Dat is dus de keerzijde van die verrekte medaille. Ik kan er met mijn verstand niet bij. Daarom ben ik er lang geleden ook al mee opgehouden me er druk over te maken. Het is een vers zonder eind. De mens is gewoon niet voor rede vatbaar. Punt. Einde verhaal. Nadat ik een broodje gezond heb gegeten bij Bakker Bart  op de Lijnbaan en het voorbijsjokkende volk minachtend heb gadegeslagen loop ik terug richting  Free Record Shop. Ik kom weer langs de juwelier en al die hippe kledingzaken. Maar ook nu ik genoeg geld heb kunnen ze me niet verleiden al die winkels in te rennen om het snelle geld net zo snel weer uit te geven aan dure kleding, gouden sieraden en een groot horloge, zoals de meesten zouden doen. Als een soort Pavlovreactie beginnen ze te dromen en fantaseren over Gucci & Ferrari, Rolex & Armani, over whisky en Cubaanse sigaren, over luxe villa’s met zwembaden. En willen ze een plekje veroveren in de Quote 500. Willen ze de hele wereld laten zien dat ze een stapje op de maatschappelijke ladder zijn gestegen. Of in ieder geval de indruk wekken dat het zo is. In mijn dromen komen Gucci & Ferrari niet voor. Ik kan mezelf niet voorstellen in zo’n kar te rijden zonder zelfspot, zonder mezelf belachelijk te vinden met zoveel uiterlijk vertoon. Want of je  nou in een Ferrari rijdt of op een fiets, je bent toch dezelfde persoon? Even aardig, even vriendelijk, even intelligent. Dus wat doet het er toe? Verrekte weinig volgens mij. Wie liever huilend in een Rolls Royce zit dan lachend op een fiets, is gewoon triest. Want als je het moet hebben van Gucci, Versace, Mercedes en Ferrari dan ben je pas écht een loser. Mijn mening. Ik geef zo weinig om geld dat ik nog steeds netto en bruto door elkaar haal. En ik héb geeneens een horloge. Dat heb ik zelfs voor de bankovervallen niet nodig. Dat is ook een voordeel van Hit&Run… Ik zoek in de bakken van de Free Record Shop naar een paar leuke films.  Fightclub… The Getaway… Heat…, heb ik al. ‘Yes!’ Deze zocht ik. Point Break met Patrick Swayze als Bodhi, de leider van een bende bankovervallers die vermomd als de ex-presidenten van Amerika hun eindeloze zomer financieren. Want ik moet nog wat inspiratie opdoen. Daarom loop ik even later met een stapeltje videobanden naar de kassa. Een puistige puber scant ze met gespeelde onverschilligheid: Point Break, True Romance, Lola Rennt, Face (met Robert Carlyle). Ik reken af en keer verwachtingsvol huiswaarts. Met een brede glimlach zit ik in de metro richting Coolhaven en kijk naar mijn afgetrapte gympies en de scheur in mijn oude spijkerbroek. Wat moeten de mensen wel niet denken, vraag ik me sarcastisch af. De ironie van de hele situatie kan ik ook wel waarderen nu. Het heeft tenslotte zijn nut bewezen. Want die onderschatting die me steeds ten deel valt, heeft me nu toch mooi een bundel geld opgeleverd. En ik denk weer even aan dat politiebusje dat in Utrecht plotseling ten tonele verscheen. Je zag ze denken: ‘Zou dat ’em zijn?’ ‘Híj die bankrover?! Nee joh, rij maar verder. Straks gaat íe de weg nog vragen!’ Thuisgekomen heb ik Point Break meteen opgezet. Zittend op het matras heb ik geboeid zitten kijken. Het was alsof Bodhi precies verwoordde wat ik dacht: ‘It was never about the money for us. It was us against the system. The system that kills the human spirit.’   Juist, daar gaat het om. Met het geld koop ik iets veel belangrijkers dan Gucci & Ferrari. Iets waar mijn hele leven op gericht is geweest: vrijheid. Einddoel is bevrijding. Je eigen leven leiden en zeker niet van bovenaf opgelegde en ingeprente lege dromen najagen. En ik wil de ketens van de loonslavernij van me af te schudden. Ontsnappen aan het kapitalistische systeem. Die 15.000,- gulden is dus het startkapitaal voor de grote slag. Nog één keer goed doen, nog één keer risico lopen en dan naar het zonnige zuiden vertrekken. Mijn verleden definitief de rug toekeren. Dat is het plan. Maar voor de grote slag moet nog wel het een en ander worden voorbereid. En dat kost ook geld. Al is het maar voor een treinkaartje naar de plaats van bestemming. Daarvoor had ik de laatste keer nog maar net genoeg geld. Ik was gewoon blut. Ik droom even weg. Ik zie parelwitte stranden, palmbomen, ik zie de zon, de zee… Ik zie prachtige vrouwen… En ik zie dat ik gelukkig ben.

Humanity is overrated

I know you’re tired of being put down
And all the crap that’s said in town
So you get in trouble and your brain is gone
You’re crying out man but the words are wrong

- Warrior Soul -

Het is een aangename vrijdagmiddag. De eerste echte zomerzon verwarmt zachtjes mijn gezicht. Het terras dat ik nader zit vol jonge hippe mensen. Dure zonnebrillen en mobieltjes achteloos tussen de bierglazen. Glanzende bolides op de stoep. Met als topstukken een zilvergrijze Mercedes cabrio en een Porsche. Er wordt gelachen, druk gepraat, ik hoor een schaterlach. Ik ben halverwege het terras als er ‘Hé loser, fiets kopen?!’ geroepen wordt. Die kreet is bijna boven alles uit te horen en duidelijk voor mij bedoeld. Het rumoer lijkt een beetje zachter te worden. Ik kijk om en probeer de schreeuwer te lokaliseren. Een paar gasten kijken mijn kant op en ik zie twee meisjes, ogenschijnlijk vriendinnen, een tafeltje ernaast ook mijn richting op kijken en lachen. Ze vinden het blijkbaar wel grappig dat ik ten overstaan van een heel terras beledigd wordt. Flashback.

[…] Ik lig op de grond. Op mijn rug. Midden op het schoolplein. En bovenop me zit Jan B. De B van Bully. Met zijn volle gewicht duwt hij zijn knie in mijn bovenarm om de vernedering ook nog pijnlijk te maken. Halve klas er om heen. Gejoel. Gelach. Een stomp. […]

Ik vraag me af waar ik de schreeuwer van ken. De Wallen? Of is het weer gewoon omdat op een of andere manier duidelijk is dat ik er niet bij hoor? Misschien door de niet zo hippe scheur in mijn spijkerbroek? En ik vraag me af wat de lol er nou precies van is. Zitten ze daar niet gezellig met z’n allen in de zon een pilsje te drinken om zo het begin van het weekend te  vieren?!

[…] Thuis. In de keuken op een stoel. Mijn moeder knipt een stuk kauwgom uit mijn haar. Met terpentine kreeg ze het er niet uit. Een bijna kale plek blijft achter. Een plek die iedereen morgen op het schoolplein kan zien. Leuk. Zoals al die geintjes. […]

De meeste beledigingen doen me niets. Ik ben inmiddels wel wat gewend. Meestal is een blik naar diegene die me beledigt genoeg om een glimlach tevoorschijn te toveren. Want verreweg de meeste mensen kunnen me niet beledigen, hoezeer ze hun best ook doen. Gewoonweg omdat ze naar mijn maatstaven niet erg geslaagd zijn. Zoals dit exemplaar. Type yup, een salesmanager of zoiets. Ik vertraag mijn pas, draai me half om en kijk hem recht in de ogen aan. Die gast zit nonchalant onderuit gezakt, kijkt me brutaal aan en lacht. Een lach van iemand die zichzelf wél erg geslaagd vindt en zo’n hoofdknikje waarmee hij lijkt te zeggen: ‘Wat moet jij nou? Ik ben niet bang voor je.’ Ik grijns terug en denk: Dat ben je wel maar daar kom je pas achter als het te laat is. Met het grootste gemak zou ik een paar gerichte schoten afvuren en een einde maken aan dat compleet overbodige en inwisselbare leven van die proleet. Daarna zou ik me omdraaien, de goedlachse meisjes ‘Prettig weekend!’ wensen, en weglopen alsof er niets gebeurd was. Er zou ook niets gebeurd zijn, behalve dan dat ik de wereld een stukje beter zou hebben achtergelaten dan ik ‘em heb aangetroffen. Blijkbaar heeft die grijns dat toch enigszins duidelijk gemaakt want de schreeuwlelijk wendt zijn blik af. En ik loop verder terwijl het geroezemoes achter me langzaam wegsterft. Een bankje aan de rand van het grote, en inmiddels lege marktplein bij de bibliotheek. Het plein ligt bezaaid met rotzooi en krijsende meeuwen vechten om achtergebleven etensresten. Ik zit voorover gebogen en staar naar de grond. Die belediging heeft er toch ingehakt. Heeft een hoop los gemaakt. Want zoals ik daar langs het terras ben gelopen, zo sla ik het leven eigenlijk ook gade, realiseer ik me. Altijd van een afstandje. Ik maak er nooit deel van uit. In feite ben ik altijd een toeschouwer, een passant. En ik voel me soms net een vegetariër bij een barbecue. Of een Feyenoorder in een vak vol Ajaxieden. Of gekleed in een onderbroek van Calvin Klein tussen de Papoea’s. En met maar één gedachte: Wat doe ik hier in godsnaam?! Eigenlijk had ik op dat terras willen zitten. Figuurlijk gesproken dan. Dat ik aan kom lopen en dat het terras vol zit met vrienden die me verwelkomen en bejubelen zoals ze elkaar bejubelen. En met wie ik op vrijdagmiddag gezellig kletsend en met een pilsje in de hand het weekend in ga. En waar de leuke meisjes een paar tafeltjes verderop uitnodigend naar me glimlachen. Maar ik heb al geen vrienden meer gehad sinds de middelbare school. Behalve Chris dan. Chris… Die goeie kameraad. Pfff… En ik wordt niet begroet. Ik wordt niet bejubeld. Ik word beledigd. En de meisjes glimlachen naar de schreeuwlelijk en zijn vrienden. Meer herinneringen komen boven. Ik zie mezelf weer staan aan de rand van het schoolplein met mijn Wibrabroek en goedkope gympies. Ik zie een braaf jongetje, netjes opgevoed, tenger gebouwd ‘Spillebeen!’ met uitstaande oren ‘Flapoor!’ en niet zo dom als de rest ‘Studiebol!’. Ik sta daar alleen en kijk hoe mijn klasgenootjes tikkertje spelen, praten, rennen, terwijl ik wacht tot de bel gaat. En ik zie me weer tegen wil en dank tegen de grond gewerkt ‘Sukkel!’. Natuurlijk was er niemand die het voor me opnam. De bully was ook groter en sterker dan de meeste jongens. Dat was waarschijnlijk ook de reden waarom een schoolkameraadje eerder plotsklaps de kant van de bully had gekozen. Dat je het van je vrienden moet hebben werd toen ook meteen duidelijk. Het Goede Doel zong er in die tijd al over:  ‘…Vrienschap is een pakketje schroot met een dun laagje chroom…’  Precies. Die boodschap heb ik goed in mijn oren geknoopt. Maar wat me nog het meest verbaasde was de onverholen sympathie van de meisjes voor de pestkop. Van Desmond Morris had ik toen nog nooit gehoord. Helaas. Dat had een hoop duidelijk gemaakt. Ik had mijn eerste voorzichtige kus al gehad op de lagere school. Maar vanaf dat moment begonnen andere dingen een rol te spelen. Het merk van je gympies, de grootte van je biceps, de baan van je vader. Kortom: status. En die was in een klap verdwenen. Flashback.

[…] Dipoma-uitreiking. Heel de kantine vol met ouders, leraren, leerlingen. Het podium op. Complimenten via de microfoon versterkt de zaal in. Stilte. Zenuwachtig krabbel ik mijn handtekening en krijg het papiertje overhandigd. Nu moet ik langs het meisje dat aan iedereen die geslaagd is een roos uitdeelt en met een kus op de wang feliciteert. In de veronderstelling dat ze mij zeker niet zal willen kussen neem ik knullig de roos aan en loop gehaast het podium af. Gegniffel in de zaal. […]

Ik herinner me ook nog dat ik op een gegeven moment onder voetbal uit ging omdat het machogedrag me tegen begon te staan. Dat vervelende wedstrijdje van wie de grootste heeft, van het willen winnen en het wij-zij. Het bepalen van de pikorde. Ook afgemeten aan wie de duurste voetbalschoenen heeft. Met als meest schrijnende voorbeeld die jongen die jankend achterbleef in de kleedkamer omdat hij onder de douche een halfzachte erectie tegen zijn billen aangedrukt had gekregen. Als grap. Geswaffeld worden was toen een nog onbekend begrip. Maar niet minder vernederend. Dat soort gein dus. Daar wilde ik niet bijhoren. Daar kreeg ik nog wel ruzie over met mijn vader. De man die nooit iets zei. Maar toen schoot hij uit zijn slof. Letterlijk. We hebben elkaar daarna zeker een jaar gemeden (als het niet meer is). Al zaten we tegenover elkaar aan de eettafel. Het besluit een paar jaar eerder om niet langer naar de kerk te gaan omdat ik dat een rare verkleedpartij vond, een soort Sinterklaas voor volwassenen, leverde minder problemen op, gek genoeg. Ach ja, vaders en de dromen over hun zonen… Sindsdien heb ik het niet meer zo op dat soort types. De bully’s, de luidruchtige, domme proleten en macho’s die je overal tegenkomt en die het hoogste woord voeren en het voor het zeggen hebben. De wereld is van hun. Vanaf die tijd is het eigenlijk ik-tegen-de-rest geweest, realiseer ik me. Ik staar over het lege marktplein en zie hoe een plastic zak in de rondte dwarrelt en uiteindelijk de lucht in waait. Ik dacht toendertijd dat ik mijn plek nog wel zou vinden. Een plek waar ik me wel thuis zou voelen, een plek ook waar ik thuishoorde. En ik zou vast en zeker ook wel ergens, ooit, een meisje tegenkomen. Een meisje dat van mij zou houden. En een meisje waar ik van zou houden. Dat dacht ik. Ik was tenslotte een aardige jongen. Ik verwachtte een happy end. Maar op het eerste meisje heb ik nog lang moeten wachten. En in de tussentijd was het enige dat ik te horen kreeg:  ‘Niet terug kijken, je moet een loser geen hoop geven’ . Maar voor het nog goed en wel begonnen was met het meisje dat Angela heette (what’s in a name?) was het ook alweer voorbij (niet zoveel dus).  ‘Ga alsjeblieft weg!’  had ze gezegd, ‘En neem die fles Lambrusco ook maar weer mee.’ Ik was eerlijk geweest op een moment dat ieder ander zou hebben gelogen. Een leugentje om bestwil. Maar zo zit ik niet in elkaar. Ik ben niet zoals de rest. En dat kon ik wederom bekopen. Toen de deur achter me in het slot was gevallen en ik weer alleen op mijn studentenkamer zat en de woorden ‘Ga alsjeblieft weg!  alleen nog maar in mijn hoofd te horen waren, zakte ik in elkaar van eenzaamheid en verdriet. Héél even had ik gedacht dat het allemaal goed zou komen. Eindelijk gerechtigheid. Niet dus. Alleen op de wereld. Het werd de eerste keer dat ik ’s nachts doelloos door verlaten straten ben gelopen. ‘Ik heb jullie ook niet meer nodig,’ maakte ik mezelf wijs. En nu vraag ik me af of mijn eigen leven niet ook een heel andere wending had kunnen nemen. Is het schoolplein de plek geweest waar het allemaal mis ging? Is daar de rest van mijn leven bepaald? Zou zoiets onbenulligs als uitstaande oren of verkeerde gympies mijn levensloop bepaald hebben? Zal toch niet? Met een wazige blik kijk ik uit over het marktplein. Het enige dat ik me nu nog afvraag is waarom ik het allemaal zolang geaccepteerd en geïncasseerd heb. Waarom ik steeds maar weer de andere wang heb toegekeerd. Ik weet het niet. Wat ik wel weet is dat ik veel te lang een aardige jongen ben gebleven. Maar dat is nu definitief voorbij. De tijd van schouders ophalen is voorbij. De tijd van trekker overhalen is aangebroken. Mijn medemens krijgt voortaan de waardering die ze  verdient: Nul. Zero. Nada. Iedereen kan doodvallen. Ter plekke. Zolang ze maar niet in de weg gaan liggen. Ik ben geen misantroop geworden. Die term doet geen recht aan de diepte van mijn afkeer en mijn vaste voornemen om het iedereen betaald te zetten. Diezelfde avond. Ik rijd op mijn gejatte damesfiets naar het Kralingse Bos. Het is een uur of half tien en al donker, maar niet meer koud. De overval is nu ongeveer vier maanden geleden en de rechercheurs zijn nog steeds niet langs geweest. Dus langzaamaan begin ik te geloven dat alles goed is afgelopen. Het onderzoek zal inmiddels wel gestopt zijn. Geen resultaat, andere prioriteiten, geld op, zoiets. Ik rijd het grote park in. Echt prettig is dat niet, hier ’s avonds alleen in het donker rondfietsen, maar goed. Aangekomen op de juiste plek, stap ik van mijn fiets en zet die tegen een boom. Ik luister even of ik alleen ben. Waarschijnlijk wel, maar je weet maar nooit. Zeker hier niet, met die homo-ontmoetingsplek helemaal achterin. Mijn ogen raken geleidelijk gewend aan het duister. Ik rits mijn rugzak open en haal er een zaklamp en een smalle langwerpige plastic huls uit. Vervolgens loop ik naar de groene metalen afvalbak even verderop langs het zandpad en bevestig de huls tegen de zijkant. Ik grijp weer in mijn rugzak en haal er een buisje uit. Nadat ik de dop eraf heb gedraaid en het buisje schuin hou komt een klein aluminium staafje tevoorschijn van ongeveer 5 centimeter lang en 1 centimeter doorsnede. Ik pak het voorzichtig vast en bevestig het tegen het plastic zakje dat gevuld is met een fel oranje, gelachtige substantie dat aan het einde van de plastic huls zit. Dit is een gevaarlijk moment. Want die kleverige substantie is een hoogwaardige springstof die dienst doet als booster en het buisje is de detonator. Alles bij elkaar toch al gauw zo’n 150 gram. Dat lijkt niet veel, maar alleen al de ontsteker zou alle vingers van mijn hand er afblazen. Zou alles nu afgaan dan zal ik zeker sterven. Als de verwondingen al niet direct dodelijk zijn, dan zal ik toch zwaargewond raken. En dat betekent dus, half bij bewustzijn in een donker bos langzaam doodbloeden. Met het warme bloed dat langs je ledematen stroomt en de gloeiende en stekende pijn die zo hevig wordt dat je het uiteindelijk niet meer voelt. En niets anders kunnen doen dan wachten tot al het leven uit je weggevloeid is. Lekker vooruitzicht. Maar ik weet wat ik doe. Als ik voorzichtig ben kan er eigenlijk niets verkeerd gaan. De plastic huls met de V-vormige inkeping is gevuld met een gelijksoortig mengsel met pingpongballen als onmisbaar ingrediënt. Ik zou er patent op moeten  aanvragen, denk ik terwijl ik terugdenk aan die verbaasde blik van de verkoper toen ik 50  pingpongballen wilde afrekenen. Je zag hem denken: Waar heeft iemand in godsnaam 50 pingpongballen voor nodig?! Maar in plaats van hem het smoesje te vertellen dat ik altijd klaar heb in zulke gevallen, glimlachte ik alleen maar. Ik had hem in dit geval ook gerust kunnen vertellen dat het een grondstof was voor een hoogwaardige springstof die niet onderdoet voor de explosieven die worden gebruikt in het leger. Dat had hij toch niet geloofd. Maar het is wel waar: de detonatiesnelheid overtreft die van TNT, evenals de kracht. Het komt in de buurt van Semtex. Alleen kost deze springstof maar een paar tientjes. Per kilo. Ik heb er al vaker mee geoefend in de bossen. Dat moment voor de knal is het spannendst. Je zit te wachten op die enorme knal, die dreun die je in je maag voelt en die tot kilometers in de omtrek te horen is. Het lijkt altijd een eeuwigheid te duren. En de knal komt altijd onverwacht. En is altijd ongelooflijk hard. Daar kun je je met geen mogelijkheid op voorbereiden. Het is een moment vol spanning, angst en verlangen. En al die gevoelens samengeperst in die laatste seconden. Niet in de laatste plaats omdat er ook jaren gevangenisstraf op staat: bezit van explosieven en ontstekers, bezit van grondstoffen voor de fabricage van explosieven, het tot ontploffing brengen van explosieven… Vult u maar aan. Na de knal volgt dan de ontlading en de euforie. Daarna moet je nog even kijken wat het effect is geweest en dan maken dat je wegkomt. Een onbeschrijflijke sensatie. Je moet het meegemaakt hebben. Beter dan sex. Nou ja, bijna dan. Maar het is meer dan een hobby voor me natuurlijk. Het geheel is nu in stelling gebracht. Ik hang de rugzak aan het stuur van mijn fiets, pak een van de twee aanstekers die ik heb meegenomen en loop terug naar de  afvalbak die weldra geen afvalbak meer zal zijn. Ik luister nog even of de kust veilig is. Het is muisstil. ‘Fuck!’ Die klap zal hard zijn! Ik hou de aansteker bij het lont dat uit het aluminium buisje steekt. Als alles goed is heb ik tien seconden om me in veiligheid te brengen. Mijn hand  bibbert een beetje. Dit is het moment dat mijn laatste kan zijn, realiseer ik me plotseling. Een golf adrenaline explodeert in mijn hoofd. ‘Fuck me!’ Wat een hobby. Het lont begint te sissen en ik deins terug. Spetterende gele vonken vliegen alle kanten op en verlichten de omgeving. Weg hier! sommeer ik mezelf, maar daar is nog maar heel weinig overtuigingskracht voor nodig. Op een meter of tien wil ik wegduiken achter een dikke boom als ik een keiharde klap tegen mijn benen en rug voel. En bijna gelijktijdig gevolgd door die oorverdovende scherpe en zware knal van de explosie: KABOEM!! Dan de stilte en de paniek als ik voorzichtig opsta. Ik grijp naar mijn kuit en bekijk mijn hand. Geen bloed. Ik voel nog een keer. Een paar seconden later realiseer ik me beduusd, dat er niets aan de hand is. Het is slechts de schokgolf geweest. Toch geschrokken en half doof door de voortijdige explosie loop ik terug naar de afvalbak. Die is volledig vernield. Met mijn zaklamp beschijn ik de zijkant van de bak en inspecteer nauwkeurig de randen van het metaal waar de springstof was bevestigd. Het heeft gewerkt! stel ik tot mijn grote vreugde vast. Het metaal lijkt in een grote rechte lijn te zijn opengesneden door een snijbrander. Dat is het effect geweest van de aluminiumstrip die ik in de V-vormige holte van de plastic huls heb gemonteerd. Vandaag heb ik mijn Linear Shaped Charge gefabriceerd! Het ding kost bijna niets, want het is zo te maken van de spullen uit de Gamma. Bevestigd op de achterkant van een geldwagen of tegen het gepantserde glas van een kluisruimte van een bank - of het GWK godverdomme! - zal het een mooi vierkant gat eruit blazen. Zonder al teveel gevaar voor omstanders. Behalve dan een fluittoon in hun oren voor een dag of twee. Even zie ik mezelf al een geldwagen in klauteren. Een geldwagen tot de nok gevuld met geldcassettes die op hun beurt weer barstensvol bankbiljetten zitten… De Grote Slag. De spullen heb ik er nu voor. Je moet groot denken anders kom je nergens. ‘Mijn god, wat was dat een knal,’ mompel ik terwijl mijn oren nog piepen en ik euforisch terug fiets naar mijn appartementje. En nou maar hopen dat een van die stiekeme homo’s op die parkeerplaats even verderop zich niet van de schrik verslikt heeft, grinnik ik.

Fifteen Minutes of Fame

’Fuck it!’ scheld ik. De grote slag gaat niet door. Dat is vandaag in een klap duidelijk geworden. Diezelfde woorden heb ik uitgeroepen toen ik vanmiddag het tvtje aanzette en de verrassing van mijn leven kreeg: […] Vanavond in de uitzending: Poging tot overval op het kantoor van het GWK […] Ik had het tv-tje toevallig aangezet. Midden op de dag. Dat doe ik anders nooit. De eerste twee maanden na de bewuste overval heb ik het programma wel gevolgd en ook op Internet heb ik met enige regelmaat gecontroleerd hoe het er voor stond met de zaak. Maar omdat het rustig bleef heb ik aangenomen dat de kust veilig was. Vooral de eerste dagen na de overval was ik erg gestresst. Ik heb bijna constant over mijn schouder gekeken. Ik verwachtte ieder moment agenten die met getrokken pistolen en kogelvrije vesten uit auto’s zouden springen en me toe zouden schreeuwen op de grond te gaan liggen. Dezelfde agenten die een paar dagen eerder net een paar seconden te laat waren geweest en nu hun gram konden halen. Ik had me nooit gerealiseerd dat de euforie zo snel overschaduwd zou worden. Geldproblemen net opgelost en je kunt je al weer zorgen gaan maken of je al dan niet opgepakt zult worden. Maar nu. Nu ben ik pas echt gestresst. Ik zit in Opsporing Verzocht. Ik kom zodadelijk met mijn lelijke hoofd op tv. En kan alleen maar hopen dat de camera’s me niet al te duidelijk hebben vastgelegd. En niet alleen vanwege mijn uiterlijk. Mijn Fifteen Minutes of Fame zijn aangebroken. En ik wil helemaal niet beroemd worden. Nooit gewild. En nu helemaal niet. ‘Godverdomme!’ Hoe kan dat nou?! Het onderzoek is normaal gezien toch allang afgerond? Het is al meer dan vijf maanden geleden. Hebben die lui niks beters te doen? Moeten ze geen verkeersboetes aan brave burgers uit gaan delen of zo?! Dit stuurt alles in de war. Maar ik had het kunnen verwachten natuurlijk. Net voor mijn verjaardag. Net als alles eventjes de goede kant op lijkt te gaan. Het leven heeft altijd dit soort verrassingen voor mij in petto. Ik kan niet anders dan toch maar weer glimlachen en mijn schouders ophalen. Oude gewoonte. Mijn appartement is donker en benauwd door het warme weer van vandaag, en ik zit op het klapstoeltje naar de tv te staren. Frits Sissing lijkt net zo zenuwachtig als ik, door zich bij de aankondiging een paar keer te verspreken. ‘Utrecht. Poging gewapende overval op het GWK,’ klinkt het.’…Dinsdag 6 maart om 20:20 heeft een gewapende man geprobeerd het GWK in de stationshal van het Centraal Station in Utrecht te overvallen. Ondanks dat er meerdere klanten aanwezig zijn en twee loketten in gebruik loopt de dader naar de middelste balie, trekt een pistool, dringt zich voor de klant en zegt dat hij geld wil hebben. Hierop wordt niet gereageerd. De overvaller besluit rechtsomkeer te maken en verlaat, zonder geld het GWK. De dader loopt vervolgens richting spoor 14 en 15, rent de trap af en is spoorloos verdwenen. Gelukkig heeft de camera goede videobeelden gemaakt…’ Waarom laten ze alleen die mislukte overval zien? vraag ik me geërgerd af. Als ik dan toch nationale bekendheid krijg, moeten ze niet alleen de mislukkingen laten zien. Maar goed, je wordt natuurlijk altijd afgerekend op je nederlagen. Succes roept alleen maar afgunst op. Ik had niet anders kunnen verwachten. In eerste instantie lijkt het nog mee te vallen, de beelden van de bewakingscamera zijn van ver af. Er is alleen iemand te zien met een muts op, een sjaal voor zijn gezicht en donker gekleed. Dat kan iedereen geweest zijn, stel ik enigszins gerustgesteld vast. Zelfs de minister president. Als íe het lef had gehad. ‘Ooh! Shit!’ Ik schrik me de tering als mijn gezicht ineens close up en zonder sjaal te zien is. Voor heel Nederland… Diezelfde afgezakte sjaal waarvan ik toen al dacht dat die me nog wel eens de das om zou kunnen doen. ‘Fuck!!’ Hing daar een camera?! Ik had godverdomme die sjaal moeten voorhouden! Amateur! ’…Het signalement van de dader: Blanke man, leeftijd 25-30 jaar, ongeveer 1 meter 85 lang, slank postuur, stoppelbaard van een paar dagen. Hij was gekleed in een wollen muts met omgeslagen rand, donker ski-jack en donkere trainingsbroek en sportschoenen. De man droeg een donkere rugtas waarin het vuurwapen zat en sprak Nederlands…’ ’Jajaja…’ ’…Wie herkent de dader aan de hand van het opgegeven signalement, mogelijk in combinatie met de videobeelden?...’ Nou, dat gaat niet lang meer duren, concludeer ik. Toen later die avond in het tweede deel van de uitzending de eerste resultaten bekend werden gemaakt en de leider van het onderzoeksteam Peter Boots meldde dat er al vijftien tips waren binnen gekomen,  ‘Waaronder enkele zeer interessante,’  waarbij hij nauwelijks in staat bleek een triomfantelijke glimlach te onderdrukken, was alles duidelijk. ’Ik  moet hier weg!’, mompel ik terwijl ik de kleren bij elkaar graai en in de sporttas prop. Maar het grote probleem is dat na vijf maanden het geld zo goed als op is. Wat er nog van rest zal me niet ver brengen. En voor de grote slag heb ik wel de spullen maar niet het plan. Toch heb ik snel veel geld nodig. Er is eigenlijk maar één oplossing…

Bedankt en tot ziens!

We’re taking it back from the system, the system that has been screwing us for years.

- Set it off -

‘Hallo, goedemorgen, ik wil geld hebben,’ zeg ik rustig. Het pistool dat ik bij binnenkomst uit mijn rugzak tevoorschijn heb gehaald laat ook weinig twijfel meer bestaan over de reden van mijn bezoek. Dat dit een overval is zal voor de meeste betrokkenen nu wel duidelijk zijn. Ik sta in de ABN Amro in de Breestraat in Leiden. De vrouw achter de balie kijkt me geschrokken aan. De afstand is niet meer dan een meter. In een soort reflex verdwijnt haar arm even onder de balie, waarna ze meteen op haar stoel achteruit schuift. Het ging bijna gelijktijdig. Haar ogen zijn nu wijd open gesperd en ze kijkt me recht in het gezicht aan. Ongetwijfeld heeft ze op de alarmknop gedrukt. Dat kan niemand zijn ontgaan en dat is waarschijnlijk ook de reden waarom ze me nu zo gespannen aankijkt. Het activeren van het stille alarm wordt namelijk over het algemeen niet zo gewaardeerd door de klanten met een pistool in hun hand. Dat zou zij toch moeten weten. Waarom heeft ze het zo opzichtig gedaan? Was het echt een reflex en is ze zelf ook geschrokken van de mogelijke consequenties of hoort het tegenwoordig bij de procedure? Als ze denkt dat ik nu de benen neem heeft ze het in ieder geval goed mis. ‘Ik wil geld hebben,‘ herhaal ik. De klant die naast me geholpen wordt krijgt nu ook in de gaten in welke situatie hij verzeild is geraakt en doet een stap achteruit. Als is doorgedrongen wat ik heb gezegd, antwoordt de baliemedewerkster: ‘Ik heb hier geen geld, daarvoor moet ik naar mijn collega.’ Ze zei het ook rustig en duidelijk, waarna ze opstond en zich omdraaide, om naar achteren te lopen. ‘Rustig blijven zitten dan gebeurt er niets,’ zeg ik tegen de klanten achter me, die me verschrikt, en vooral verbaasd zitten aan te staren. Die woorden zijn ook genoeg om een enkeling die aanstalten leek te willen maken om op te staan, weer terug te laten zakken op zijn gifgroene plastic kuipstoeltje. De rest blijft nu ongetwijfeld ook zitten, stel ik met enige minachting vast, het zijn tenslotte net schapen. Ik loop om de balie heen, achter de medewerkster aan die mij niet uit het oog verliest. Aangekomen bij haar vrouwelijke collega helemaal achterin, die inmiddels is opgestaan vanachter haar bureau, buigt ze zich naar haar toe en fluistert iets in haar oor, wijzend naar mij. Ik kan het niet verstaan, maar de situatie is wel duidelijk toch? Totaal verrast hoor ik de vrouw dan ook vragen: ‘En wat kan ik voor u doen meneer?’. De vraag irriteert me. Net zoals de druk op de alarmknop en de trage pas van de baliemedewerkster. Het is allemaal bedoeld om tijd te winnen en me zenuwachtig te maken, weet ik. Ze hopen dat die vertragingstechniek ervoor zorgt dat ik uit pure stress en gillend van paniek het pand sprintend verlaat. Maar ik heb mezelf onder controle en neem me voor rustig en beheerst te wachten tot ik het geld heb gekregen. All good things come to those who wait, nietwaar? Ik heb mijn hele leven al gewacht op de goede dingen die mijn pad zullen kruisen, dus die anderhalve minuut kan daar nog wel bij. Maar om toch enige duidelijkheid te scheppen en ze van de ernst van de situatie te doordringen laad ik het pistool door, richt het op de vrouw die de domme vraag heeft gesteld en herhaal mijn eis. ‘Ik wil geld hebben, opschieten nu!’ Afgelopen met die ongein. Dat lijkt te helpen. ‘Ik moet het achter gaan halen,’ zegt ze. Toch loopt ze met een rustige pas richting kluisruimte. Ze heeft wel lef. Dat moet ik haar nageven. En weer twijfel ik heel even of ik niet gewoon zal meelopen, de kluisruimte in. Een graai in de kluis, wie droomt daar niet van? Een manshoge kluisdeur, van zeker dertig centimeter ondoordringbaar staal, die wagenwijd openstaat en daar achter allemaal schappen met stapeltjes netjes gebundelde bankbiljetten… Dat is Kassa! Eén ton, twee ton, een half miljoen? Wie zal het zeggen. Het blijft een gok. Maar ik kan zo snel niet overzien wat de consequenties zijn. Misschien laten ze me wel niet binnen en blijf ik vastzitten in de sluis met die vrouw. Misschien laten ze me wel niet meer naar buiten gaan of blijf ik te lang binnen. Misschien is de kluis ook wel dicht inmiddels. Die vertragingstechniek is er tenslotte niet voor niets. Maar één ding is wel duidelijk: dit is niet het moment om te gaan improviseren. De tijd is te kort en ik ben te  gestressed om te kunnen nadenken. Have a plan and stick to it. Het plan is duidelijk en ligt vast. Hit&Run. Ik besluit me er aan te houden. Intussen sta ik midden in de bank achter de  balies. In een ooghoek zie ik een meisje dat kort daarvoor is binnen gekomen onrustig heen en weer bewegen op haar stoel. Het is duidelijk dat ze in gaten heeft gekregen dat het niet pluis is en dat ze op zal staan om naar buiten te gaan als ik even niet oplet. ‘Zitten blijven en rustig blijven, dan gebeurt er niets… Anders wordt het een puinhoop,’ zeg ik. Bijna had ik ‘bloedbad’ gezegd, maar vond dat iets te overdreven. Onnodig ook. Onmogelijk zelfs. Het pistool in mijn rechterhand is namelijk slechts een replica van een Beretta. De Beretta 92F om precies te zijn. Normaal gezien gevuld met vijftien 9mm patronen in het magazijn en eventueel nog eentje schietklaar in de kamer. Onder meer in gebruik bij Amerikaanse en Italiaanse overheidsdiensten. Een schot in het bovenbeen zou het bot breken of verbrijzelen en het desbetreffende slachtoffer uitschakelen. Die van mij bevat een aantal 8mm knalpatronen. Volkomen onschuldig. Doen zelfs geen pijn aan je oren. Maar dat weet niemand en dat wil ik graag zo houden. Gewoon doen of het een echt wapen is, dat is de truc, praat ik mezelf moed in. Het zelfvertrouwen en de overmacht uitstralen alsof je met een schietklaar wapen in je handen staat. Dat is ook meteen het moeilijkste van deze hele operatie. Dit toneelspelen en weten dat ik in feite met lege handen sta. De rest van het personeel is blijven staan in de houding zoals ze stonden toen ze me met het pistool voorbij zagen lopen. Het lijkt alsof de tijd is blijven stilstaan. Ook voor mij. Het duurt een eeuwigheid voordat de vrouw terugkomt uit de kluisruimte. En alsof dat nog niet erg genoeg is, komt er in de tussentijd ook nog een mevrouw van een jaar vijftig de bank binnen gewandeld. Ze pakt nietsvermoedend een foldertje van de balie en gaat rustig zitten. Ze heeft gelukkig niets in de gaten. Ik kan een glimlach niet onderdrukken. Er is ook niets van te merken dat er een overval in volle gang is. Iedereen lijkt gewoon geduldig op zijn of haar beurt te wachten. Ze zijn alleen nog even bezig met een veeleisende klant. Eindelijk gaat de sluisdeur open. Daar komt ze aan. Ze heeft een groen plastic tasje van de ABN bij zich. Als ze voor me staat zeg ik: ‘Maak die leeg in mijn rugzak!’. Ik wil het risico niet lopen dat er alleen maar papiersnippers in zitten. Ze heeft immers ook het lef gehad om mij die domme vraag te stellen en tergend langzaam naar de kluis te lopen. Kijk, er kan van alles misgaan bij een bankoverval, maar thuiskomen en ontdekken dat je in plaats van een bundel geld een stapel folders over hypotheken hebt buitgemaakt, is net iets teveel van het goede. Dan nog liever op de stoep overmeesterd worden door een overmacht aan agenten met getrokken pistolen en kogelwerende vesten, om vervolgens afgevoerd te worden naar een kale, kleine betonnen cel op het politiebureau. Ik zie dat het een bundel papiergeld is, en dat het genoeg is. ‘Oké, bedankt en tot ziens!’ zeg ik voordat ik me omdraai, en wandel rustig richting uitgang. De schuifdeur gaat open, ik stop het pistool in mijn rugzak en nagekeken door de enigszins verdwaasde klanten loop ik naar buiten. Ik sla linksaf de hoek om, het steegje in. De Diefsteeg. Tijdens de voorverkenning heb ik al gegniffeld bij het zien van die straatnaam. Ik zag de krantenkop al voor me. Dat moest hoe dan ook de vluchtroute worden. Na een meter of tien begin ik te rennen. De hoek om, achter de bank langs en dan rechtsaf weer een steegje in. Hetzelfde steegje waar ik onzichtbaar voor eventuele voorbijgangers mijn werkkleding heb aangetrokken. Nu moet die werkkleding zo snel mogelijk weer uit. Ik pak de plastic tas uit mijn jaszak en stop daar mijn rugzak in. Daarna rits ik mijn trainingsbroek los. Die heb ik speciaal laten maken voor dit soort gelegenheden. Over de hele lengte heb ik een rits laten zetten zodat ik hem in een tel kan uittrekken. Nadat ik ook de trainingsbroek in de tas heb gepropt, volgt het jack en het petje. Ik kijk of niemand mij hier ziet. Nee. Dan zet ik ook mijn zonnebril af. Alles verloopt volgens plan. Hiermee staat of valt ook de hele onderneming. Binnen luttele seconden ben ik van gedaante verwisseld. Iedereen is nu op zoek naar een man met een zwart jack, een blauwe Adidas trainingsbroek, een rugzak en veel haast. Ik heb nu een lichtkleurig spijkerjack aan, blauwe jeans en loop rustig met een grote tas van Mediamarkt de stad in. Ik zou bij wijze van spreken zo weer terug kunnen lopen naar de bank. Maar toch maar niet. Ik had eigenlijk voor de gein zo’n linnen tasje van Greenpeace willen gebruiken met de leus: No time to waste, maar die was te klein. Dus deze maar. Zie je mij al voor de rest van mijn leven als loonslaaf? Dacht het niet.  IK BEN TOCH NIET GEK?! Ik loop het steegje uit richting de bushalte een paar straten verderop. Wel in dezelfde straat waar de bank zit die ik net beroofd heb. Maar als ik eenmaal in die bus zit ben ik veilig. Ik heb nog zo’n tweehonderd meter te gaan. Wat kan er nou nog misgaan? Gewoon nu linksaf langs de kerk, de straat verder uit lopen, dan de hoek om en dan door het steegje met de hippe kapperszaak om weer uit te komen in de Breestraat. Dan ben ik er. Ik ken de omgeving als mijn binnenzak. Ik heb uren door de stad gewandeld om de boel te verkennen en het geheel te overdenken. En niet in de laatste plaats om mezelf geestelijk voor te bereiden op de missie. Maar dan. De schrik slaat me om het hart. ‘Shit!’ zeg ik bijna hardop. Aan het einde van de straat slaat een politiebusje de straat in en komt op me af gereden. Ik kan geen kant op. Een politiesurveillance! Alweer! schiet er door me heen alsof ik niet kan geloven wat ik zie. Nu is Leiden in last. Rustig blijven! spreek ik mezelf moed in. Gewoon rustig door lopen. Niets aan de hand. Net zoals de vorige keer. Het busje is nu zo dichtbij dat ik zie dat de agenten erin driftig rondkijken. In de verte hoor ik ook nog een helikopter. En de agenten kijken nu ook naar mij. Vooral niet opvallen! Net doen of er niets aan de hand is! Het busje komt stapvoets op me af gereden… Ik heb één voordeel: Ik heb een vrij onschuldig uiterlijk. Wel een tikkeltje lelijk, maar onschuldig. Zachtaardig eigenlijk. In ieder geval absoluut niet het Lombroso-type waar ze nu waarschijnlijk naar op zoek zijn. Een uiterlijk ook waarmee je in criminele kringen niet serieus wordt genomen. Ze zouden het gewoonweg niet geloven als ik zou zeggen dat ik een bank heb beroofd. Twee inmiddels. Niemand zou dat geloven. Ik heb het na de eerste keer voor de grap eens gedaan ergens in een louche kroeg in het Schipperskwartier in Antwerpen. Mijn ruig uitziende gesprekspartner was in de lach geschoten, zoals verwacht. Terwijl ik het toch met een zo serieus mogelijk gezicht had verteld. Ik kon zelf een sarcastische grijns niet onderdrukken. Als het goed is zal die eeuwige onderschatting nu eindelijk weer eens in mijn voordeel werken. Het busje is nu enkele meters bij me vandaan. Nonchalant sla ik een blik in hun richting, en zie dat ze niet langer naar mij kijken, maar naar het steegje achter me. Oké dan! Het busje rijdt me langzaam voorbij. Succes verder jongens! Wie het laatst lacht, lacht het best… Ik loop verder naar de bushalte. Het is de laatste bushalte voor het NS-station. Hier stopt om de vijf minuten een bus, dat heb ik ook vantevoren al uitgezocht. Het plan is tot in detail voorbereid. Zelfs de strippenkaart heb ik al klaar in mijn jaszak. Mijn linker, voor het gemak. Na twee minuten wachten stopt er - Pfff… Eindelijk! - een bus. ‘Naar het station,’ zeg ik kortaf en met een droge mond. De chauffeur stempelt twee strippen af en ik ga achterin zitten. Als ook de andere passagiers zijn ingestapt, vertrekt de bus en rijdt luttele seconden later voor de bank langs. Ik zie dat het wemelt van de agenten met blauwe kogelvrije vesten aan en er staan twee politiewagens voor de deur. Ik kan opnieuw een glimlach niet onderdrukken. Toch wel een stunt. Net als in de film. Even schiet me een fragment van Thelma&Louise te binnen: ‘I’ve always believed armed robbery doesn’t have to be a totally unpleasant experience, when done properly’. Precies. Erg jammer dat ik niet het uiterlijk van Brad Pitt heb, maar verder… Het is allemaal precies verlopen zoals ik me heb voorgesteld. De film in mijn hoofd. Op het perron ga ik een beetje achteraf zitten, uit het zicht. De helikopter is in de verte nog steeds hoorbaar en ook voor het station hebben agenten rondgelopen. Duidelijk op zoek naar iemand. Naar mij. Maar zonder het te weten. Ik ben er vlak langs gelopen. Even later stap ik op de trein naar Amsterdam. Als de deuren puffend achter me sluiten kan ik eindelijk opgelucht adem halen. Operatie geslaagd. Bedankt en tot ziens! Langzaam rijden we de stad uit, het landschap glijdt voorbij. In de verte zie ik hier en daar de zon door de bewolking breken. Dat gebeurt ook bij mij. De deining van de trein heeft een rustgevend effect op me. Ik zak ontspannen onderuit. Eigenlijk is het simpel, denk ik bij mezelf, je loopt een bank binnen, vraagt om geld en je loopt weer naar buiten. In anderhalve minuut verdiend waar je normaal een heel jaar voor moet werken in een of andere kutfabriek. Maar zo simpel is het natuurlijk niet. Het principe is simpel, maar de praktijk niet. Het verschil tussen woorden en daden, tussen denken en doen. En er kan ook zoveel verkeerd gaan. Zelfs al heb je het perfecte plan. Het verloopt toch altijd anders dan verwacht. Je hebt vooral geluk nodig. Veel geluk. In feite leg je je toekomst dus gewoon in handen van het lot. En je kunt alleen maar hopen dat het lot je gunstig gezind is. Ik heb geluk gehad vandaag, dat besef ik maar al te goed. Ik denk nog even terug aan de agenten die in het GWK stonden aan te schuiven. Zoiets verzin je toch niet? En voor hetzelfde geld staat er een agent in burger in de rij, of een oud mannetje dat in een reflex de held gaat spelen zoals íe ook gedaan heeft in Het Verzet. Of er is net een hele politiemacht uitgerukt naar de banketbakkerij naast de bank omdat daar een junk stennis loopt te maken omdat íe betrapt is op het gappen van een krentenbol. Kan allemaal gebeuren. En is allemaal gebeurd. Het zal me maar gebeuren, denk ik zorgelijk, daar sta ik dan met m’n replica. Een echt pistool zou in zo’n geval wel handig zijn om je aftocht te vergemakkelijken. Een waarschuwingsschot, al dan niet gevolgd door de woorden: ‘De volgende is voor jou!’ Dat moet genoeg zijn. Kijken wie er dan nog de held uithangt. Maar ik weet ook dat ik niemand wil verwonden, ook al loopt het slecht voor me af. Zelfs een schot in een bovenbeen kan dodelijk zijn, weet ik. Een slagaderlijke bloeding en hulp die net te laat komt. Meer is daar niet voor nodig. Dat wil ik toch niet op mijn geweten hebben. Of het moet net iemand zijn waarmee ik nog een rekening te vereffenen heb, maar dat zou wel heel toevallig zijn. Maar ook praktisch, mijmer ik even terwijl ik enkele geschikte kandidaten aan me voorbij zie trekken. Of het moet iemand zijn die me ter plekke beledigt en dat gebeurt ook niet zo snel in zo’n situatie. Dus die replica moet maar voldoende zijn. Het bankpersoneel krijgt op de jaarlijkse overvaltraining immers ook te horen dat het meestal niet te zien is of het gaat om een echt pistool of een namaak, dus die werken altijd mee, al sta je met een banaan in je handen. Maar ze zullen ook het stille alarm indrukken en tijdrekken. Dat is vandaag ook wel weer gebleken. En goed opletten hoe je eruit ziet, dat doen ze ook altijd. Zodat ze de politie een goed signalement kunnen geven. ‘Zwart ski-jack, blauwe trainingsbroek, baseballpetje en een zonnebril. Oja, en een rugzak, meneer de agent.’ En ze zeggen altijd dat er geen geld is. Dat ze de code niet hebben. Dat de kluis dicht is. En nog meer van die ongein dat je je bijna gaat afvragen of je wel in een bank staat of dat je toch per ongeluk de banketbakkerij bent binnen gelopen. Verkeerd gelezen in de haast of zo:  De Banketbakkerij. Maar goed. Als ik de hoteldeur achter me in het slot heb gedraaid en de plastic tas op het bed heb gelegd kan ik pas echt rustig ademhalen. Nu pas komt het gevoel van euforie langzaam opzetten. Ik heb het ’em weer geflikt! Yes! Ik sluit de gordijnen om eventuele pottenkijkers te vermijden, pak de stapel bankbiljetten uit de rugzak en leg ze op bed, trek mijn jack uit en begin te sorteren. Er zit een flinke stapel tientjes tussen. Vulling. Hoort er ook bij. Standaardprocedure. En ik vind een stapeltje 25 gulden biljetten met een elastiekje er omheen. De rest zit gewoon los op elkaar gestapeld. Ik vermoed dat dit het overvalpakket is. Alle nummers genoteerd of gemerkt met een stift. Of allebei. De vrouw van de domme vraag en de trage pas is ook heel rustig en gecontroleerd bezig geweest, zoveel is duidelijk. Ook precies volgens het boekje. Misschien houdt ze er wel een promotie aan over. Dan heeft zij er ook geld aan verdiend. Ik moet meteen terugdenken aan wat ze vroeg: ‘Wat kan ik voor U doen meneer?’ Dat had ze gevraagd, met een gemaakt onnozele blik. Terwijl ik voor haar stond, midden in de bank, in het zwart gekleed, zwart baseballpetje op en een zonnebril, pistool in mijn rechterhand, rugzak in mijn linker. Wat zou ik nou in godsnaam willen?! Ik kan er nu wel om glimlachen. Eigenlijk had ik moeten zeggen: ‘Ik wil snel een rekening openen’ of ‘Ik wil graag een hypotheek afsluiten mevrouw’. Dat was grappig geweest. Maar de situatie was toch net iets te serieus om dergelijke grappen te maken. Met een echt pistool had ik het me nog wel kunnen permitteren. Nu niet. Buiten hoor ik de tram door Raadhuisstraat rijden. Als ik klaar ben met tellen, blijkt dat ik er, op drie tientjes na, 36.000,- gulden aan over heb gehouden. Dat is snel verdiend, maar niet makkelijk, dat zeg ik je. Het is godverdomme net Russisch Roulette, maar dan wel met echte kogels. Zo voelt het tenminste. En nu? Nu moet ik alleen nog de rugzak met werkkleding en het pistool opruimen. Ik ga het opslaan bij Shurgard, bij de rest van de spullen die ik daar gestald heb: het matras, de klapstoel, de tv en cd’s. Ook een gedeelte van het geld ga ik daar stashen. Daarna keer ik terug naar het goedkope hotel met het personeel dat nauwelijks te verstaan is maar in ieder geval niet moeilijk deed toen ik zei dat ik geen legitimatie bij me had, ga me scheren, neem een douche, en ga dan de stad in. Om alvast een begin te maken met het witwassen van al dat criminele geld. Gewoon door het uit te geven. Simpel zat. Ik moet hier wel weg, maar niet voordat ik het gevierd heb. Daarna ga ik ergens een tweedehands busje op de kop proberen te tikken en dan vertrek ik naar Het Beloofde Land. Yes! Het voelt alsof ik de bully alsnog op zijn bek geslagen heb. Iets dat ik veel eerder had moeten doen. Zo’n vijftien jaar geleden. Maar vanaf nu wordt alles beter. Mijn tijd komt.

Het Beloofde Land 

And my ties are severed clean The less I have the more I gain Rover, wanderer, nomad, vagabond Call me what you will

- Metallica -

‘Kapoet?! Nee, is niet kapoet’ De verbazing wordt vol overtuiging gespeeld. Ik sta op het, door de zomerse onweersbui van gisteravond, modderige terrein van de garagehouder, net terug van een proefrit met de wagen die hij me heeft proberen aan te smeren. Want het busje waar ik eigenlijk voor kwam en dat hij via Internet had aangeboden, was al verkocht zei hij. Halverwege de rit begon die wagen te sputteren en verscheen er een waar rookgordijn uit de uitlaat. Achterliggers begonnen te toeteren omdat ze niets meer zagen. En die rit was sowieso al een beproeving, want het is jaren geleden dat ik voor het laatst auto gereden heb. ‘Koemt oemdat lang stilstaan, ikke maak meteen.’ ‘Nee, laat maar zitten.’ Ik heb mijn oog laten vallen op een ander busje dat helemaal achterin tussen de andere sloopauto’s staat. Een Nissan Vanette bestelbusje. Als we er naar toe lopen zie ik dat er ‘Vagebond’ op de zijkant geschilderd staat. Bloemgordijntjes voor de ramen. Als ik de deur openschuif stel ik vast dat hij zo is omgebouwd dat je achterin kunt slapen. Al moet hij wel eerst goed gelucht worden. Vast van een oude hippie geweest. Prima. Nadat alle formaliteiten geregeld zijn en de Turk me tevergeefs een verzekering heeft proberen aan te smeren kan ik vertrekken. Ik heb wel 3000,- gulden voor die 11 jaar oude roestbak moeten neertellen. De garagehouder had snel genoeg door dat ik die wagen dringend nodig had, dan heeft afdingen geen zin meer. Als ik instap om weg te rijden komt de Turk op de wagen toegelopen, zegt ‘Dankoewel’ en nog iets onverstaanbaars, ‘Amanna koyem… Iepne…’ ‘Ja, jij ook,’ zeg ik en start de wagen. ’En je moeder ook trouwens,’ mompel ik terwijl ik  langzaam het terrein af rij. ‘Verrekte afzetter!’ Ik word er schijtziek van dat iedereen altijd en overal bezig is geld aan je te verdienen. Altijd en overal! Je kunt hier nog niet eens fatsoenlijk dood gaan zonder dat iemand er iets aan probeert te verdienen. Maar als het goed is, is dit de laatste keer. Vanaf het garageterrein rij ik terug naar het station en haal mijn tas met kleren en andere spullen uit de kluis. ‘En nu?’ mompel ik in mezelf, ’Op naar het zonnige zuiden!’ Gewoon rijden in de richting waar de zon hoog aan de hemel staat en dan een keer linksaf. Je komt vanzelf wel een keer met de voorwielen in het zand van het strand langs de Middellandse Zee terecht. Dat is zo’n beetje de routebeschrijving. Route de Soleil avant la lettre. Ik zet de draagbare radio naast me op de passagiersstoel, zoek een cd-tje uit en start de wagen. Op naar het avontuur. ‘…Pampampam bada dam pampam…!’ Ik rij tot diep in de nacht door. Over zo goed als verlaten snelwegen. Als de batterijen van de radio er mee ophouden en er niets anders te horen is dan het ronkende geluid van de dieselmotor onder me, zit ik nog te roffelen op het stuur. En elke witte streep die onder de wagen verdwijnt verhoogt de euforie. De zon verwarmt de wagen. Ik heb goed geslapen. En wordt wakker in een nieuw leven. Het leven van een  vagebond. Bankrover op de vlucht. Moeilijk te geloven eigenlijk, mompel ik in mezelf terwijl door het zijraampje naar de maïsvelden om me heen kijk. Toch is het zo. Ergens midden in Frankrijk ben ik gisternacht van de snelweg afgegaan om een rustig slaapplekje te zoeken. En weer heb ik alles achtergelaten, al mijn schepen achter me verbrand. Weliswaar enigszins gedwongen door de omstandigheden, maar toch. Want het is natuurlijk ook een vlucht. Maar af en toe heb je een zetje in de rug nodig. Ik denk even terug aan het ontslag en vooral de gewraakte uitzending van Opsporing Verzocht. Maar eigenlijk is dat wel aangenaam als het  leven met je op de loop gaat, als je geen keus meer hebt, filosofeer ik. Dat voelt pas echt als leven. Dat er iets groters is dat je stuurt, in plaats van dat je zelf alle beslissingen moet nemen. Hoe het ook zij, ik ben weggereden van alle schulden, alle problemen, de politie die achter me aan zit en alle andere achterlijke idioten. Alles wat ik nog had aan rekeningen, bankafschriften, inschrijvingsbewijzen, etc. is weg. In een vuilniszak aan de straatkant gezet. Tabula rasa. Ik ben nu officieel zonder vaste woon- of verblijfplaats zoals dat zo mooi heet. Zo vrij als een vogel dus. En alles dat ik nodig heb, heb ik bij me. Het is ook meteen alles dat ik bezit, maar dat betekent ook vrijheid. Toen ik de grens bij Hazeldonk over scheurde viel er een last van mijn schouders: ‘De mazzel, veel plezier nog! Mij zien jullie hier in ieder geval niet meer terug! Adios Amigo’s!’ Vandaag is een nieuwe dag. Nieuwe speelronde, nieuwe kansen. Ik schuif de deur open en snuif de plattelandslucht op. Als ik me heb uitgerekt en in de struiken heb gepist naast het landweggetje waarbij de kletterende, en in het zonlicht schitterende straal me prachtig voorkomt, stap ik weer in. Ergens lijkt het wel of ik voor gemaakt ben. Alles lijkt samen te  vallen. Wat wel erg is, is dat ik ook Carmen heb moeten achterlaten. Ik had haar willen vragen met me mee te gaan. Samen iets nieuws beginnen. Een ander leven. Een beter leven. Maar ik kon haar niet vinden. Het mocht blijkbaar niet zo zijn. Het lot, daar begin je niks tegen… Wat ik nu als eerste moet doen is ergens een tankstation vinden om wat eten en drinken in te slaan, bedenk ik terwijl ik de wagen start. Water om me te kunnen wassen. Batterijen. En, niet te vergeten, een zonnebril. Dat is het plan voor vandaag. Voor de rest geen zorgen. Zorgen zijn voor morgen. Dat zou mijn lijfspreuk kunnen zijn. Er is natuurlijk genoeg om me zorgen over te maken. Want naast het rechercheteam dat nu naarstig naar me op zoek is, hangt me ook nog steeds een gevangenisstraf van een jaar of tien boven het hoofd voor een actie uit de tijd dat ik anarchist was. Ook daarom wil ik zo snel mogelijk Frankrijk door. Ik geef vol gas als ik de snelweg naar het zuiden weer op draai. Ik zet de radio aan en neem een hap van het broodje gezond. De prijzen wel waren schrikbarend hoog bij dat tankstation, maar goed een kleinigheidje hou je. Ik zit nu zo vol energie dat mijn handen lichtjes trillen. Het lijkt wel of ik net een lijn coke heb gesnoven of een xtc-pil met 180 mg MDMA op heb. Ik draai het raampje open en zing hardop mee. De zwoele lucht waait de wagen in en ik snuif als een hond al die  nieuwe geuren op. Geuren van een nieuw leven. Ik zwaai zelfs naar de mensen in de voorbijrazende auto’s die verbaasd naar mij en mijn gammele busje kijken. Glimlachen naar mijn medemens, dat is ook nieuw, realiseer ik me. De wereld lijkt te stralen, lijkt als nieuw. Er heeft een revolutie plaatsgevonden…

Viva la Revolución!

Palamós. Gisteren ben ik het Beloofde Land binnen gereden via een binnenweg door de bergen bij Perpignan. Ik heb over de hele tocht twee, drie dagen gedaan. En heb me vergaapt aan het wonderschone landschap. De bergen, de wijngaarden, de zonnebloemvelden, de wolkeloze, eindeloze, lichtblauwe hemel… Het was alsof de zon en de wereld me omarmden. Gelukkig waren er geen grenscontroles. Want niet verzekerd. En misschien zelfs gesignaleerd? Dat was het enige moment dat de euforie plaatsmaakte voor zenuwen. Even vreesde ik dat op het laatste moment de Guardia Civil roet in het eten zou gooien. Maar niet dus. Ik had geluk en kon zo doorrijden, de Spaanse bergen in. Mijn hart bonkte in mijn keel toen ik aan het eind van de middag van ver een glimp opving van die immense, en intens blauwe Middellandse Zee. De weg liep af waardoor ik op een kilometer of twee de zee tussen de flats van het eerste Spaanse kuststadje kon zien. De toeristenflats van Palamós. De zon stond hoog aan de hemel. El Paraíso was bereikt! Toen ik mijn Nissan Vanette ergens langs de boulevard had geparkeerd, ben ik het strand opgelopen, heb mijn kleren uitgetrokken en ben in mijn onderbroek de zee in gerend. Het voelde als een doop. Ik ben vol overgave het zoute water ingedoken waarbij de golven van de branding de laatste resten van mijn oude leven van me af spoelden. Ik kwam als herboren het strand op gelopen. Hier gaat mijn leven beginnen! Ik voelde het gewoon.

Lloret de Mar. Als ik het stadje kom binnengereden lijkt het net of ik in Las Vegas ben aangekomen. Overal hotels, discotheken, bars, hamburgertenten, reclame, uithangborden, flikkerende neonlichten. En het is een drukte van jewelste. Als ik de hoofdstraat uit ben gereden en bij het strand ben aangekomen sla ik rechtsaf en rijdt het steile weggetje op, hopende dat mijn bus niet halverwege de geest geeft. Dat was onderweg ook nog wel stressen geweest, bij het beklimmen van sommige hellingen in de Franse Pyreneeën toen de wagen in z’n twee en met nog maar dertig kilometer per uur - terwijl ik toch plankgas gaf - de helling hortend en stotend beklom. Ik heb menig schietgebedje gedaan. Maar het is gelukt, ook nu weer, zij het met moeite, pfff… Ik parkeer hem vlakbij een parkje, sluit hem af en loop het weggetje weer af. De zon brandt in mijn gezicht, en er hangt een vettige geur van hamburgertenten, zonnebrandolie en zoute zeelucht. Ik heb honger. Eerst maar eens een hapje eten. Ik loop richting de McDonalds vlakbij het strand. Als ik voor de balie sta en het menu bekijk, krab ik ‘ns achter mijn oren en vraag me af waar ik nu precies terecht ben gekomen. Fuck! Dit is toch Spanje?! Waarom kan ik er dan geen wijs uit? Als ik aan de beurt ben bestel ik in mijn beste Spaans een salade, friet en een Big Mac. Maar ze lijken me niet te begrijpen. Staren me onbewogen aan. Nog maar een keer. Zo moeilijk is dat toch niet? ‘Salada y fritas, si.’ Ik wijs er ook maar meteen bij. Dat daar! Maar nee hoor. Ik kan geloof ik net zo goed Russisch praten. Stel je dat toch eens voor: Sta je in de McDonalds, hét symbool van kapitalisme en conformisme - ook om aan mezelf te bewijzen dat ik al mijn principes heb laten varen - en het lukt niet eens een vettige hap junkfood te bestellen! Doen ze net of ze je niet verstaan. Spreken ze alleen Kutalaans of zoiets. Stelletje idioten. Uiteindelijk sta ik dan toch met een dienblad vol vettig eten en een emmer waterige cola (medium) in mijn handen en vraag me even af hoeveel vierkante meter regenwoud dit gekost heeft. Hoe meer hoe beter, denk ik bij mezelf en zeg: ‘Muchas gracias, hijo de puta’s…’ terwijl ik richting het terras loop. Ja, dát verstaan jullie wel hè. Het is inmiddels een uur of half acht ’s avonds en nog aangenaam warm. Ik loop door het centrum op zoek naar een leuke kroeg. Ik heb de hele middag in de zon gelegen met dat zaligmakende vakantiegevoel: lekker niks doen, vrij zijn, in de zon, op het strand… In een steegje dat uitkomt op de hoofdstraat zie ik in grote rode neonletters: Yates Bikersbar. Dat zou nog wel eens wat kunnen zijn. Als ik dichterbij kom zie ik dat er zo’n halve Hells Angel in de deuropening staat. Armen vol tatoeages gekruist over een dikke bierpens die uit zijn leren jack lijkt te barsten en loerend door het sluike blonde haar dat half voor zijn gezicht hangt. Hij is daar waarschijnlijk neergezet om de naam ‘Bikersbar’ een beetje geloofwaardig te maken. Niet zo moeilijk om stoer te kijken als je zo’n hele club achter je hebt staan, schiet er door me heen. In je eentje met een alarmpistool een bank overvallen, dat moet je ‘ns proberen... De klanken van de rockmuziek komen me al tegemoet, net zoals de penetrante pislucht uit een portiek. Geef mij tien man en een echt pistool en ik verover België! bluf ik, als langs die stoere gast de kroeg in glip. Bij wijze van spreken dan, want wie wil er nou in godsnaam België veroveren... Ik word altijd een beetje lacherig bij het zien van zoveel uiterlijk vertoon. Dan komt het wat-jij-kan-kan-ik-ook-maar-dan-beter-gevoel bovendrijven. Ook ingegeven door het nieuw veroverde zelfvertrouwen. Ik kijk nog een keer om naar de Hells Angel. Die gast stonk wel een uur in de wind zeg. Naar alcohol, rook en zweet, in combinatie met een leren broek en een week geen zeep. Als een natte hond voor de verwarming. Maar goed, ik zal zelf ook wel niet meer al te fris ruiken. Doet er ook niet toe. Deodorant is voor meelopers. Rebellen ruiken niet okselfris. Echte rebellen ruiken naar rum, diesel, oud zweet en ongewassen kleren, en worden met de nek aangekeken. Achter in de schemerige en rokerige kroeg zie ik een Harley Davidson aan de muur hangen. De barkrukken zijn gemaakt van aan elkaar gelaste stukken H-balk. Stijlvol… De bar zit vol luidruchtige toeristen. Zo te zien en te horen, vooral Engelsen. En bijna alleen maar mannen. Dat is het nadeel van dit soort tenten: goede muziek maar niets moois om naar te kijken of mee aan de praat te raken. Ik bestel een rumcola, ‘Cuba Libre por favor!’ en ga aan het tafeltje in de hoek zitten. Ach, voor nu is het genoeg, mijmer ik. Ik ben een vrij man, met mijn broekzak vol geld en mijn hoofd vol dromen.

Barcelona. Vila Olímpica. Nette buurt vlakbij het strand en het haventje met de sjieke eettentjes en dure jachten in water. Het zonlicht dat door de gordijntjes valt heeft me wakker gemaakt. Ik rek me uit, kruip van onder mijn slaapzak vandaan en kijk met toegeknepen ogen door het  zijraampje richting het strand. De zon schijnt al fel, de lucht is lichtblauw en er is geen wolkje te zien. Even later loop ik met een fles shampoo en een handdoek op mijn blote voeten naar het strand. Ik ruik de tapas al van de strandtentjes die net open zijn. En er liggen al een paar mensen op het strand te zonnen. Na een korte duik in zee spoel ik me onder een koude douche op het strand af en was me. Heerlijk. Zo moet je elke dag wakker worden eigenlijk. De zon droogt de laatste druppels op mijn rug als ik terug loop naar mijn busje. Het is gisteravond laat geworden. Mijn eerste nacht in Barcelona. Eerst ben ik naar de bioscoop geweest in het winkelcentrum hier vlakbij, Cinema Icaria. De film was niet zo bijzonder maar ik had toch niets beters te doen. En zo kon ik meteen een beetje Spaans leren want het was niet nagesynchroniseerd maar ondertiteld. Daarna met de metro naar het centrum gereden. Ergens uitgestapt en op goed geluk naar de Ramblas gelopen. En in een vaag steegje met dealers en verlopen en alternatieve types op de hoek, in de buurt van de Plaça Reial heb ik bij toeval een leuke rockkroeg gevonden. Met niet alleen goede muziek, maar dit keer ook gevuld met vrouwelijk schoon. Zowel achter de bar, als ervoor. En de eigenaar was een man van een jaar of zestig, maar hij huppelde tussen de mooie meiden door als een jonge hond. Een soort Hugh Hefner. Geinig. De Tequilabar. Toen ze laat in de nacht sloten en ik in m’n eentje voldaan de straat weer op liep, waren de  schoonmakers al weer bezig de boel schoon te spuiten. En er waren bijna alleen nog maar dronkaards, dealers en hoeren te vinden aan het begin van de Ramblas. Verdwaalde toeristen werden aangeklampt met: ‘Me like you, we go for sex?’. En als er niet meteen werd ingegaan op het voorstel werden ze handtastelijk en sleurden ze de potentiële klanten bijna letterlijk het dichtstbijzijnde steegje in. Waarschijnlijk om ze te beroven van hun portemonnee op het moment dat ze met hun broek op hun knieën staan. Maar hoe het ook zij, een geslaagde avond. Nu loop ik in mijn oude spijkerbroek en versleten Tshirt weer nonchalant over de Ramblas. Ik ben net bij El Corte Inglés, het enorme warenhuis op de Plaça de Catalunya, wezen schijten (altijd schone wc’s, wat je van die strandtentjes niet kunt zeggen. Daar durf je vaak nog niet eens met ingehouden adem te pissen, uit angst een enge ziekte op te lopen) en blijf nu even staan bij een winkeltje met tijdschriften en rekken vol ansichtkaarten. Ik bekijk er een paar en glimlach. Deze met een ondergaande zon en palmbomen is wel mooi. Zal ik? Nee, toch maar niet. Even overwoog ik een kaartje te sturen naar De bank die dit alles heeft mogelijk gemaakt. En ik denk weer terug aan de vrouw die me geholpen heeft. Zou ze erg geschrokken zijn? vraag ik me af. Ze zal er toch geen trauma aan over gehouden hebben? Ik heb weliswaar geen fysiek geweld gebruikt maar plotseling tegen een pistool aan kijken is natuurlijk ook niet erg bevorderlijk voor je gemoedsrust. Ondanks de jaarlijkse overvaltraining die ze hebben gehad. Het zal wel meevallen, denk ik bij mezelf, terwijl ik verder loop. Ik hóóp vooral dat het meevalt, eigenlijk. Het geluk dat me ten deel is gevallen, in combinatie met de blauwe lucht en overvloedige zonneschijn heeft me mild gestemd. Ik probeer het voor mezelf goed te praten. Het was ik-tegen-de-rest… Ik mag toch wel proberen aan de loonslavernij te ontsnappen…? En was het niet Bertolt Brecht die jaren geleden al zei dat het nog altijd beter is een bank te beroven dan voor een bank te werken? Of dat bankrovers kruimeldieven zijn en dat als je het professioneel wilt aanpakken je geen bank moet beroven maar een bank moet beginnen. Zoiets toch. Het zijn tenslotte de bankdirecteuren die er met de miljoenen vandoor gaan. Dus ze hebben er om gevraagd. Niet persoonlijk natuurlijk, maar ‘ze’ in algemene zin. De tragiek ervan ontgaat me niet. Het is net een rij dominostenen, filosofeer ik, terwijl ik me door de menigte manoeuvreer. Ik kreeg een duw en ben omgevallen. En stootte op mijn beurt weer iemand anders om… Ik heb inmiddels wel trek gekregen. Waar zat ook alweer die Kebabzaak? In een zijstraatje aan het begin van de Ramblas bij de haven heb ik er een gezien. Daarom draai ik me om en loop met de zon in mijn gezicht rustig terug richting de haven met al die luxe jachten in het water en die armoedige Afrikaanse straatverkopers op de kade. Die stakkers die zo gauw ze ergens in de verte de geel-blauwe kleuren van de politie ontwaren al die namaak Gucci zonnebrillen en Louis Vuitton handtasjes in een laken bijeen graaien en er vandoor gaan, en wiens zussen zich ’s nachts te koop aan bieden op de Ramblas. (Die zullen ook wel een ander idee van Het Paradijs hebben gehad toen ze met die lekke roeibootjes de Middellandse Zee overstaken, maar goed dat is hun probleem.) Vanuit mijn ooghoek wordt mijn aandacht getrokken door zo’n levend standbeeld. Daar zijn er ontelbare van hier, maar deze bekijk ik. Het is een imitatie van Ché  Guevara. Compleet met Kalashnikov, Cubaanse vlag en de leus: ‘Viva la revolución!’. Ché is terug. Je ziet hem tegenwoordig overal. Op T-shirts, buttons, jasjes, tasjes en van alles en nog wat. Niet dat de revolutie voor de deur staat. Verre van. Het beeld van een vader en zoon, allebei met zo’n shirt op het terras bij de McDonalds met volle boodschappentassen naast het tafeltje vol junkfood, schiet me voor ogen. Ché is een modetrend geworden. Meer niet. Er wordt geld aan hem verdiend. Zo eindigt het altijd. In mijn tijd was hij nergens te bekennen. Ik zou diep geraakt zijn door een scène als deze. Ook omdat dit Barcelona is. Ooit het hart van een anarchistische revolutie, waarbij vrijheid, gelijkheid en broederschap eindelijk in de praktijk werden gebracht. Maar de utopie werd al snel aan flarden geschoten door de fascisten, daarbij goed op weg geholpen door het verraad van de communisten (prachtig verfilmd door Ken Loach in ‘Land and Freedom’, de video die ik in een mislukte nostalgische bui kocht ligt bij Shurgard). En de begrippen vrijheid, gelijkheid en broederschap zijn door  Markteconomie&Democratie ingeruild voor holle reclameslogans, die je als een soort stalinistische propaganda overal waar je kijkt worden ingeprent. Maar het laat me nu koud allemaal. Ik bekijk Ché nog een keer. Dan verschijnt er een grote glimlach op mijn gezicht. Mijn eígen revolutie is in ieder geval gelukt, realiseer ik me: De dictator is verdreven, de loonslavernij afgeschaft en de welvaart eerlijk verdeeld… Ik steek mijn duim omhoog naar Ché en gooi glimlachend een paar peseta’s in de hoed terwijl ik mezelf aanmoedig: Viva la revolución! Hasta la victoria siempre! Eindelijk bereik ik de Kebabzaak. Ik bestel een broodje lamsvlees, ‘Cordero si,’ met geitenkaas, ‘y con queso por favor.’ Als het klaar is overgiet ik het met knoflooksaus en met een binnenpretje neem ik afscheid: ‘Muchas gracias hermano…’ Bedankt kameraad!

Zon, zee & eenzaamheid

You’re not your job. You’re not how much money you got in the bank.
You’re not the car you drive. You’re not the contents of your wallet.
You are not your fuckin’ khakis. You’re the all-singing, all-dancing
crap of the world.

- Fightclub -

Ik rij door een prachtig landschap. Urenlang, over verlaten weggetjes langs de kust, door kleine dorpjes met die typisch Spaanse bouwstijl en kleuren, met de bergen op de achtergrond en de blauwe zee links van me. Een idylle. Als in mijn dromen. Op de draagbare radio die ik inmiddels improvisorisch heb aangesloten op de accu klinkt Titiyo:  ‘…Dust settles, cities turn to sand…’  De soundtrack van mijn eigen roadmovie. ‘…  Tresspassing this is their land…’ Samen met de felle zon, de wolkenloze lichtblauwe hemel, de hitte die het asfalt doet zweten, het stof dat opwaait vanuit de dorre berm en het geronk van de verhitte dieselmotor onder me, geeft het me een fantastisch gevoel. ‘…Time flies make a stament make a stand…Ik speel in mijn eigen Thelma&Louise film. Het gevoel van vrijheid is overweldigend. Ik adem diep in en snuif de geur van het landschap op terwijl mijn haren in de wind wapperen. ‘…Come along now, come along with me. Come along now and you’ll see…’  Ik zet de radio nog iets harder en zing mee met het refrein. ‘…What it’s like to be free…’ Ik ben high van de vrijheid. En ik zet opgewekt mijn zwerftocht langs de Spaanse kust voort, met als eindbestemming Tarifa, een  surfparadijs in het zuidelijkste puntje van Spanje. Daar wil ik leren surfen, een beetje zoals  Bodhi in Point Break. Ik zie het helemaal voor me. Ik ben nu zo’n twee maanden onderweg. Het was een mooie tocht. Ik heb ontdenkt dat reizen met zo’n busje de ultieme vrijheid betekent. Je komt aan in een stadje waar je niemand kent, en niemand jou. Je kunt doen en laten waar je zin in hebt. En als het je gaat vervelen of je hebt het te bont gemaakt, dan stap je weer in en rij je naar het volgende stadje. En alles dat je nodig hebt, heb je bij je. Altijd een plek om te overnachten. Perfect. De zomer loopt nu wel langzaam op haar einde. Het toeristenseizoen is definitief voorbij. Dat merkte ik toen mijn gele nummerplaten de nodige aandacht begonnen te trekken. Al heb ik zelf al wel de kleur gekregen van een local. En hoe zuidelijker ik kwam, hoe  warmer het werd. En ook de vrouwen werden alsmaar mooier. Dat was ook een reden om uit Barcelona te vertrekken. Want behalve dat ze daar dat lelijke Kutalaans spreken in plaats van dat zingende Spaans, zijn hun gezichten er klaarblijkelijk ook naar gaan staan. Maar richting Valencia, Murcia, Malaga is dat allemaal veranderd. Daar zag ik ook de vrouwen waar ik van gedroomd heb. Met dat glanzende lange zwarte haar, die mysterieuze donkere ogen en die heupen, die vormen… Precies zoals een vrouw eruit moet zien. Dat is ook voor een niet onbelangrijk deel die Moorse invloed geweest, weet ik. Misschien dat ik daarom de oversteek naar Marokko zal wagen waar al dat vrouwelijk schoon gewoon los rondloopt. Het is tenslotte maar een kleine stap vanuit Tarifa. Al zal ik ze daar nog wel eerst moeten zien te bevrijden uit de klauwen van het geloof, dat dan weer wel. Tarifa 150 km, lees ik. Ik ben bijna thuis. Zo voelt het. En denk even terug aan de hoogtepunten van de reis. In Benidorm werd mijn radio gestolen. En dan die aanrijding met een geparkeerde auto - toch een paar flinke deuken in die Spaanse heilige koe - waarbij ik me toch maar snel uit de voeten heb gemaakt omdat ik tenslotte niet verzekerd ben en daarbij het halve dorp achter me aan kreeg. Of dat ik bijna verdronken ben toen ik probeerde te surfen in… Waar was dat ook alweer? Alicante? Man, als je door die golven onder water wordt getrokken en alle kanten op wordt geduwd, behalve naar boven… Net of je in een enorme wasmachine zit. Om dan uiteindelijk proestend het strand opgegooid te worden… Ik heb toen geloof ik meer zeewater gedronken dan iets anders. Of heb ik daar die parachutesprong gemaakt? Bij dat vliegveldje net naast het strand. Ik weet nog wel dat ik me  weer even verloren voelde in de uitgestrekte dorre woestijn rond Almería. Leuker was het avontuur met die liftster die geen liftster bleek te zijn… Voor de rest viel het eigenlijk wel mee met de avonturen, realiseer ik me. Op een of andere manier valt alles tegen in het echt. Of ligt dat aan mij? Maar hoe het ook zij, ik heb de eindbestemming bijna bereikt. Daar begint het echte avontuur.

Tarifa. Het is al avond als ik het busje parkeer op een heuvel die steil afloopt naar het strand. Het strand is leeg. Er is niets te doen. Het centrum van het stadje leek ook al uitgestorven. Ik kijk uit over het water. Zo’n tweehonderd meter  verderop, links van me zie ik een soort fort uit  zee oprijzen. Ik besluit er een kijkje te gaan nemen. Op het smalle weggetje er naar toe staan twee vissers. De golven van de zee slaan met volle kracht tegen rotsblokken. Het fort blijkt een soort militaire basis te zijn en ik keer daarom al snel weer om. Ik sta er niet bewust bij stil maar eigenlijk had ik een ander beeld voor ogen bij een surfparadijs. Vermoeid door de lange rit, kruip ik even later in mijn muffige slaapzak. Morgen een nieuwe dag. In het paradijs. Ik  dommel weg. Plots schiet ik wakker. Iets heeft me uit de diepe slaap gehaald. Ik luister. Iets anders dan het ruisen van de zee en getik op het dak hoor ik niet. Ik luister nog eens goed. Regendruppels?! Het regent?! Op een of andere manier heb ik dat nooit geassocieerd met  Spanje. En net als ik door het zijraampje wil kijken valt er een grote druppel op mijn voorhoofd. ‘Godver! Hoe kan…’ Ik kijk naar het dakraampje en zie een groot gat. Meteen schiet me die kleine gezette en behaarde Spanjaard te binnen die wild met zijn armen had staan zwaaien toen ik een parkeergarage in wilde rijden. Verbaasd was ik weer achteruit gereden en zag toen dat de garage alleen bedoeld was voor personenwagens. Maar dat ik toen het dakraampje er half vanaf heb gereden, heb ik niet gemerkt. Dat was een maand geleden in Benidorm. Al die tijd heeft het dus niet geregend. Nu begint het steeds harder te regenen. Met een stuk plastic dicht ik het gat improvisorisch af en kruip geïrriteerd in mijn slaapzak. De volgende morgen. Het weer is grauw en grijs. En het is fris. Vol goede moed stap ik de wagen uit. Om een eerste glimp op te vangen van het paradijs en mijn nieuwe vrienden. Het echte avontuur gaat nu beginnen. Maar er is geen surfer te bekennen. En er zijn ook geen golven te zien. Het strand is leeg, afgezien van de vuiligheid die is aangespoeld. Het enige teken van leven is een zwerfhond die tegen een half omver geduwde stranddouche staat te pissen. Het begint ook zachtjes te regenen. Misschien ligt het daar aan? denk ik bij mezelf. Misschien zitten ze met z’n allen in de kroeg? Ik ben door het stadje gelopen om die verklaring te checken. Maar er was niemand te bekennen. Behalve een paar mannen die me, zittend voor het reiskantoortje van de ferry naar Tanger argwanend zaten aan te staren. En tegen de tijd dat ik weer terug was bij mijn busje was ik doorweekt tot op het bot. Toch ben ik nog een paar dagen gebleven. Hopend op golven, surfers en zon. Wachtend op dat nieuwe leven. In de tussentijd heb ik maar geprobeerd mijn dakraampje te repareren. Moest ook wel want het was blijven regenen. Dat was nog wel een heel gedoe. Eerst heb ik uren moeten zoeken naar een  Ferreteria in dat klote-dorp en daarna moest ik nog aan de juiste onderdelen zien te komen. Voordat dat gelukt was, was er een halve dag voorbij. Probeer het maar eens. Die lui spraken geen woord Engels, en mijn woordenschat op het gebied van ijzerwaren was ook nog vrij beperkt. Het deed me terugdenken aan die scene in de Mc-Donalds in Lloret de Mar en al die andere scènes die daarop volgden waarin ik ook tevergeefs mijn best had gedaan om begrepen te worden. Om wanhopig van te worden. Ook nu leek het ook weer een uur te duren voordat ze begrepen welke schroeven ik nodig had. En toen was er al een uur voorbij voordat ze begrepen hadden dát ik schroeven nodig had. En ondertussen natuurlijk de grootste lol om de rare buitenlander met z’n hippiebusje. Het sarcastische ‘Adios Amigo!’ toen ik de winkel uit liep was de druppel. ‘Ja, jij ook. Y su puta madre!’. Ik heb gelukkig onderweg wel een paar nuttige woorden Spaans geleerd. Het meeste van wat ik zelf naar mijn hoofd geslingerd heb gekregen. Een kleine greep uit het vocabulaire: ‘Cabrón!’ (Klootzak!), ‘Gilipolla!’ (Rukker!), ‘Su puta madre!’ (Je hoerenmoeder!), ‘Polla!’ (Lul!). Die grap willen ze bij shoarmatenten nog wel eens maken:  ‘Quieres Cordero o Polla?’ vragen ze dan in plaats van pollo (kip). Of je dus een broodje lamsvlees wil of een broodje lul. Lachen is dat. Maar dat houdt wel op als je zegt: 'Chupa mi polla! Hijo de puta!’ (pijp me, hoerenzoon!). Maar goed, en verder: ‘Imbécil de mierda!’  (Kankermongool!), ‘Me cago en tus muertos!’ (Ik schijt op je overleden familieleden!), ‘Maricón!’(Flikker!). En als het je dan teveel wordt mompel je in jezelf:  ‘Mierda!’ (Shit!), ‘Coño!’ (Kut!), of ‘Joder!’ (Fuck!). Ja, het is erg leerzaam geweest. Het zegt misschien wel genoeg over de mens dat dit de woorden zijn die je altijd als eerste leert. En gaandeweg ben ik er ook achter gekomen dat mijn nieuwe leven op de een of andere manier toch wel erg veel op het oude lijkt. Het begon met de beledigingen. Het maakt blijkbaar niet uit waar ik heen ga of hoe ver ik reis. Op een of andere onverklaarbare manier trek ik het aan. En ik kan wel zeggen dat het me niets doet, dat dacht ik op de middelbare school ook, maar ik heb wel eens een paar foto’s terug gezien uit die tijd, en daar stond ik toch steeds minder vrolijk op. Ik liet mijn schouders steeds meer hangen. Alsof ik bij iedere belediging een stukje verder in elkaar ben gekrompen. En wat ook niet veranderd is, is dat ook hier iedereen alleen maar bezig is geld aan je te verdienen. Dat heb je als toerist natuurlijk al snel genoeg in de gaten als je de drankjes afrekent, of als je letterlijk bestolen wordt, maar ik kon er echt niet meer omheen toen ik mijn remmen moest laten repareren in Tarragona. Ze hebben me daar afgezet... Gewoon niet leuk meer. Wat zullen ze gelachen hebben toen ik de zaak verliet:  ‘Muchas gracias señor, adios!’. De Turk die me de wagen verkocht heeft was er niks bij. En nu dit surfparadijs zonder surfers, zonder golven en zonder zon… Het paradijs begint langzaam zijn idyllische karakter te verliezen. Als ik dan op een avond, na nog een paar regenachtige dagen, in de kroeg zit en in de spiegelwand zie dat er ook nog stiekem een vaatdoek boven mijn rumcola wordt uitgeknepen, en de enige surfers die ik ben tegengekomen een paar getatoeëerde patsers zijn, die met hun gepimpte Honda Civics (spoilers, siervelgen, getinte ramen en ja zeker: een verchroomde  dubbele uitlaat) een beetje lacherig doen over mijn busje, is de maat vol. En ik besluit: Dit wordt niks meer. Dus fuck it, ik ga hier weg. Alles beter dan dit. Dan maar ergens naar een grote stad met kroegen, dronken toeristen en flikkerende neonlichten. Zonder het te merken trek ik de muur rond mezelf weer op, komt het oude vertrouwde gevoel van ik-tegen-de-rest als vanzelf weer boven. ‘Dan maar niet…’
Ik schrik wakker. Doodse stilte in het holst van de nacht. Ik zie geen hand voor ogen. Dan hoor ik weer het geluid dat me uit de slaap heeft gehaald. Ze zitten godverdomme aan mijn wagen! ‘Hé!’ schreeuw ik en kom overeind. De kreet maakt blijkbaar geen indruk want het voorportier wordt geopend. Ik zoek naar mijn schoenen. En de kruissleutel. ‘Hé! Rot op!’ Hebbes. ‘Stelletje kankerlijers!’. Als ik een fractie later de schuifdeur open gooi en met de kruissleutel in de aanslag uit het busje spring, ben ik nog net op tijd om te zien hoe de dief in het struikgewas naast het strandtentje verdwijnt. ‘Hijo de puta!’ Het blijft stil. Dan draai ik me om, en kijk waar ze precies mee bezig zijn geweest. In het schijnsel van de straatlantaarn zie ik hoe ze net onder het slot met een schroevendraaier hebben staan wrikken tot het is opengesprongen. ‘Verrekte amateurs,’ mompel ik. En tegelijkertijd vraag ik me af waarom ze het op mijn gammele busje hebben voorzien. Hier valt toch niets te halen? Er lag toch niets voorin, behalve… Blijkt dat ze al die moeite hebben gedaan voor mijn zonnebril op het dashboard. Het exemplaar dat ik onderweg voor een paar gulden uit het rek bij een benzinestation heb gehaald. Waar moet dat heen met de wereld? vraag ik me af. Een paar honderd meter verderop in de sjieke wijk staan de Mercedessen en BMW’s voor het uitpikken. En die idioten weten niets beters te verzinnen dan een oud hippiebusje open te breken. In plaats van dat ze bij de rijken gaan jatten die het wel kunnen missen, bestelen ze liever hun lotgenoten. Een stelletje ambitieloze armoedzaaiers, dat zijn het. Daarom mislukken al die revoluties natuurlijk ook altijd, schiet er door me heen. Omdat de Verworpenen der Aarde, die schooiers, niet anders zijn dan de rijken: zichzelf opwerken ten koste van de ander. ‘Imbécils de mierda!’ De belofte van het Beloofde Land is grotendeels vervlogen als ik met mijn busje maar weer richting het noorden rij. Metallica op de radio. ‘… On a long and lonesome highway, east of Omaha. You listen to the engine moaning out a one note song…’  Ik zet koers richting Marbella. De beroemde badplaats waar de hele jetset bij elkaar komt. Daar waar alles draait om geld en uiterlijk. Op de heenweg ben ik er met een grote boog omheen gereden. Omdat ik toen nog hoopte in Spanje een ander leven te vinden. Een plek waar dat soort dingen er niet toe doen. Waar ik gewoon mezelf kan zijn. En waar  mensen je waarderen om wie je bent. Maar nu ik er achter ben gekomen dat het leven en de mensen eigenlijk overal hetzelfde zijn, wil ik het wel eens zien. Al die types met teveel geld en die dat per se aan de hele wereld willen laten zien. De apen met de gouden ringen. De mannen met de pakken van Armani en de Ferrari’s. En die daar zonder zelfspot in rondrijden. En de vrouwen gehuld in de creaties van Gucci die daar dan weer spontaan harde tepels van krijgen. Daar kom ik dan aangereden met mijn verroeste Nissan Vanette. Wat naast mijn auto ook mijn onderkomen is. Niet echt iets dat indruk zal maken, vrees ik. Althans geen goede. ‘Vagebond’ zal ook daar zonder al teveel moeite vertaald worden in ‘Loser!’. Geen twijfel mogelijk. Maar fuck it.  ‘…Here I am, on the road again, here I go, turn the page…’

Puerto Banús
. Gelijk de eerste dag ben ik al mijn cd’s en de radio kwijt. Kun je dat geloven? En dat terwijl ik mijn wagen nog wel in een ondergrondse parkeergarage heb gezet midden in het centrum. Ik heb er godverdomme nog voor moeten betalen ook. Zelfs hier geen gebrek aan armoedzaaiers dus. Alleen zijn ze nog iets ambitielozer. Want als ze alleen al een wieldop van een van die talloze Ferrari’s of andere luxueuze wagens hier jatten en verpatsen, kunnen ze een jaar lang high blijven. Maar nee, moeten ze mij per se hebben. Stelletje verrekte mongolen. Ondanks dit slechte begin ga ik mijn geluk hier beproeven vanavond. In de straatjes net achter de jachthaven met de wit geschilderde huisjes en de luxueuze miljoenenjachten, is het gezellig druk en warm. Ik duik de eerste de beste kroeg in. Het zit vol jong volk. Hip volk. Ook mooie meisjes. Allemaal op vakantie. Vrolijk. Aangeschoten. Het duurt niet lang voordat ik dat ook ben. Maar nog voordat de avond goed en wel begonnen is ben ik er al achter dat het op een of andere manier toch niet wil vlotten. Zeker de mooie meisjes haken snel af. Iets te snel naar mijn oordeel. Een groot probleem vormt ongetwijfeld de taalbarrière. Ik spreek nog steeds geen fatsoenlijk Spaans en de rest blijkt geen Engels te spreken. En de enkeling die dat wel doet, begrijpt alleen steenkolen Engels. En dan nog is het vocabulaire zeer beperkt. Probeer dan maar eens iets zinnigs te zeggen. Of iets grappigs. Lukt niet. En dat is toch waar ik het van moet hebben. Niet van mijn uiterlijk. En niet van mijn auto. Dat weet ik ook wel. Alleen als je erg knap en rijk bent heb je hier genoeg aan de woorden: ‘Me like you, we go for sex?’ Eventueel kracht bij gezet door nonchalant met de sleutels van je Ferrari te spelen. Want veel meer  begrijpen ze hier niet. Dus ik schroef mijn verwachtingen nog iets verder naar beneden bij. Ik zit alweer een tijdje alleen aan de bar als drie uitgelaten meisjes naast me aanschuiven. Ze bestellen hun drankjes in perfect Spaans. Ik bekijk ze onopvallend. Het meisje naast me springt meteen in het oog. Ze is echt ontzettend mooi. Die lichtgetinte huidskleur, halflang golvend zwart haar, donkere ogen… Zou ze Spaans zijn? Ik luister aandachtig naar de conversatie, maar die hapert al snel. Een uitgelezen kans om mijn geluk te beproeven. Er is al vluchtig oogcontact geweest toen ze licht verveeld om zich heen keek. Bij de tweede keer heb ik geglimlacht en ‘Cheers’ gezegd toen ze een slok rumcola nam. Ik kreeg een glimlach terug, maar ze draaide zich toch weer om naar haar vriendinnen. Nu hun gesprek opnieuw stil valt tik ik haar voorzichtig op de arm. Ze draait zich naar mij om. ‘Hablas Inglés? Do you speak Englisch?’ vraag ik. Ze kijkt me aan. Ik smelt bijna. ‘Yes, little bit,’ is het antwoord. Heel mooi, denk ik bij mezelf. Zolang we dezelfde taal spreken maak ik nog wel een kans. Ik heb over elk onderwerp wel iets te zeggen of weet er een grappige draai aan te geven. Bovendien heb ik toch wel een interessant verhaal vind ik: Bankrover op de vlucht. En ik ben oprecht geïnteresseerd in mijn medemens, van trotse Ferrari-bezitter tot ambitieloze armoedzaaier. Al was het maar uit verbazing. De enige moeilijkheid is nu dat het meisje dat naast me zit adembenemend mooi is. ‘Where are you from?’ ‘I am from Mexico.’ ‘Ooh, so you are on holiday I presume?’ ‘What?’ Ik herhaal mijn vraag. De muziek staat zoals altijd veel te hard om een fatsoenlijk gesprek te voeren. Ook op deze manier moet je het dus bijna wel hebben van je uiterlijk en je autosleutels. Ze doen het er om volgens mij. Maar goed, ik geef niet op. Ze is een studente uit Mexico-city. Dus ze is ook nog intelligent. En heel even komt de belofte van het Beloofde Land dan toch weer boven. Zou het dan toch… Als zij nou eens… En als ik dan… Het gesprek verloopt vlot en hoopvol. Ik heb me al laten ontvallen dat ik haar bijzonder mooi vind. Vrij direct, maar met genoeg reserve. Verlegenheid zelfs. Maar ik ben van mening dat je gewoon moet zeggen waar het op staat. Versiertrucs en spelletjes zijn niet aan mij besteedt. Ze heeft het complimentje ook gecharmeerd in ontvangst genomen. Dus als het nou maar eens een keer meezit… We zitten al aan het tweede drankje als ik vraag: ‘Do you know Marcos?’ ‘Marcos?’ vraagt ze alsof ze het niet goed verstaan heeft. ‘Yes, Marcos.’ Als ik Marcos ken, dan moet zij hem helemaal kennen. ‘You know, the wellknown spokesman of the Indians in the southern part of Mexico, Chiapas. Subcommandante Marcos.’ Die even mysterieuze, als charismatische voorman van het EZLN die te paard, pijprokend, en met proza en poëzie tegen het neo-liberalisme ten strijde trekt. ‘Oh, yes, of course.’ ‘The Zapatista’s. Para todos todo...’ ‘Yes.’ Ik twijfelde om het onderwerp aan te snijden, en niet alleen vanwege mijn eigen veranderde politieke opvattingen. En nu merk ik aan haar reactie dat die twijfel terecht was. Die Marcos staat haar blijkbaar niet aan. Ik denk dat er toch nog iets teveel sympathie in mijn vraag heeft doorgeklonken. Het vrolijke gesprek valt een moment stil. Niet veel later en vooral na aandringen van haar vriendinnen die tijdens het gesprek verveeld om zich heen hebben zitten kijken, maakt ze aanstalten om te vertrekken. Ik doe nog een keer extra mijn best, ontlok haar nog een glimlach maar het mag niet meer baten. Het mooie, intelligente Mexicaanse meisje verlaat de bar. En vooral mij. Teleurgesteld staar ik naar mijn bijna lege glas. ‘Another rum and coke?’ vraagt het meisje achter de bar. Half in gedachte zeg ik: ‘Yes please.’ De teleurstelling moet duidelijk van mijn gezicht af te lezen zijn geweest. Dit is duidelijk weer zo’n moment dat me heel sterk doet herinneren aan mijn oude leven. Eén keer maar, godverdomme. Het hoeft me maar een keer mee te zitten, verzucht ik. Dan begint het langzaam tot me door te dringen. Ik kom gewoon geen stap verder, hoe ver ik ook reis… Ook hier zien ze me niet staan. Ook hier sta ik buiten de maatschappij. En ook hier tel ik niet mee met mijn oude spijkerbroek en gympies. Daar helpt alleen drank tegen, besluit ik. En drink het glas in enkele flinke teugen leeg nadat het barmeisje het voor me heeft neergezet. ‘Another one please…’ Omdat het vrij rustig is gaat ze op een kruk achter de bar zitten. ‘Where are you from?’ vraagt ze. ‘Holland,’ zeg ik kortaf. ‘Nederland? Echt waar?’ zegt ze enthousiast. Ik ben verbaasd en verrast. ‘Ja, jij dus ook.’ ‘Ja, uit Rotterdam.’ Wat is de wereld toch verrekte klein, denk ik bij mezelf. ‘En wat doe je hier?’ vraagt ze geïnteresseerd. Klantenbinding is dit gesprek allang niet meer. ‘Vakantie,’ zeg ik. Ik ben er met mijn gedachten niet helemaal bij. Vraag me ook af of dit niet link is. Wat nou als ze Opsporing Verzocht gezien heeft? Maar het lijkt er niet op. Het lijkt alsof ze gecharmeerd is geraakt van mijn gesprek met de Mexicaanse. Ze heeft waarschijnlijk gezien dat mijn woorden gemeend waren en dat het alles behalve een versiertruc was. De teneergeslagenheid toen ze de bar was uitgelopen was het bewijs. Dus ze zet het gesprek voort. Ik vertel haar dat ik hier in Spanje een nieuw bestaan wil opbouwen. Maar dat ik eerst vakantie ga vieren en feesten en pas als het geld op is op zoek ga naar werk. Ze luistert aandachtig, heeft uiteindelijk zelfs een baantje voor me, als ik wil. Ik twijfelde even om op haar aanbod in te gaan, maar de stemming was definitief omgeslagen en dus liep het allemaal op niets uit. Aan het eind van de avond ben ik de kroeg uit gelopen en heb uit nieuwsgierigheid nog een discotheek bezocht. Maar de muziek beviel me niet. En het volk ook niet. Dezelfde idioten als overal. Luidruchtig. Dom. Wel modieus en hip natuurlijk. Merkkleding. Alles precies zoals het hoort. De MTV-generatie. De generatie die is gaan geloven in de voorgespiegelde lege  dromen. Ze zijn wie ze moeten zijn. Het zijn kopieën van imitaties van kopieën. Ze ruiken zelfs zoals het hoort. (Alsof de lucht van al die feromonen die er voor moeten zorgen dat al die gedegenereerde genen worden doorgegeven niet penetrant is.) De Lost&Last-generation. Maar ze hebben niets in de gaten... Er waren ook een hoop mooie meisjes te zien, maar jammer genoeg van hetzelfde niveau. Ik voelde me er niet erg op mijn gemak. Wat de fuck doe ik hier?! Wegwezen hier! was al snel de gedachte. En dat was overduidelijk wederzijds. Déjà vu. Na een tocht over de boulevard langs de ruisende zee die overstemd wordt door dronken, lawaaiige toeristen waar ik me tussendoor worstel kom ik uit bij mijn busje. Zuipen, vreten, neuken. Dat is ook overal hetzelfde, schiet er door me heen. Waar je ook komt. Of het nou de Costa del Sol is of Casablanca, Miami Beach of Marbella, Rio de Janeiro of Pataya: Stranden vol proleten op zonvakantie. De helft weet niet eens waar ze liggen. Soms met de sloppenwijken op nog geen honderd meter afstand, net uit het zicht, liggen ze daar hun roes uit te slapen op het strand na al die nachten zuipen en feesten. Decadente vertoning. Een levensstijl die wordt betaald met bloed, zweet en tranen. Als de wind verkeerd staat kun je het ruiken. Niet dat het mij nu nog iets kan schelen, daar niet van. Alleen jammer dat ik me er vroeger zo druk om heb gemaakt. Wat een  kansloze missie was dat. Want je komt het grote zuip-vreet-en-neuk-festijn verstoren. En daar zit niemand op te wachten. Maar goed, die tijd is voorbij. Kranten lees ik allang niet meer. Het nieuws zie ik niet meer. Dus fuck het milieu en fuck de stervende massa’s. Ik rijd zelf met plezier de laatste Pandabeer nog overhoop als die voor mijn wielen komt. En dan maak ik er pantoffels van. En als het moet zet ik zo het restant tropisch regenwoud in de fik, gewoon om al die achterlijke indianen een regendans te zien doen. Kortom, ignorance is bliss en de wereld kan vergaan. Maar dat hoeft natuurlijk niet per se vandaag. Een van de volgende avonden zit ik in de Ierse Pub. Zo eentje zoals je die overal vindt. En raak per ongeluk in gesprek met een meisje uit Engeland. Ze is niet echt mooi. Een beetje ordinair. En ze drinkt bijna als een kerel. Ze is ook al redelijk aangeschoten en schaamt zich daar helemaal niet voor. Misschien is dat wat me in haar aantrekt: ze lijkt een beetje aan lager wal geraakt. Die indruk krijg ik. En dat schept toch een band, want dat gevoel ken ik en is nu ook weer langzaam komen bovendrijven. Die slecht verborgen triestheid maakt haar mooi. Ik probeer er achter te komen waar die vandaan komt. ‘Why the hell do you drink so much?’ ‘I like it, I like the holidays. Here I can be myself. I don’t have to pretend like at home with my friends.’ Ze moet haar stem verheffen om zichzelf verstaanbaar te maken en buigt zich onnodig ver naar mij toe. ‘You mean the other way round? Here on holiday, you can pretend and be who you want?’ vraag ik terwijl ik op mijn beurt mijn hoofd naar haar oor breng en haar decolleté en parfum me bijna doen stotteren. ‘No.’ Niet? Als je bij je vrienden al niet jezelf kunt zijn… Volgens mij heb je dan geen vrienden. ‘Well, okay…’ Meisje toch… Ze is in ieder geval sympathiek genoeg om dronken mee te worden. Op veel meer hoef ik in dit leven ook niet meer te rekenen, volgens mij. Maar zo slecht is dat niet. Sterker nog, jezelf gesteund weten door lotgenoten maakt bijna alles draaglijk. Niemand houdt van ons maar we hebben elkaar. Zoiets. Samen tegen de rest van de wereld, er is niets mooiers. Na een uur neemt ze me op sleeptouw naar een rustig plekje achter in de kroeg. En het gesprek krijgt een heel andere wending. Zo verdwijnt haar hand plotseling in mijn broek. Ik stribbel voor de vorm nog een beetje tegen, ook omdat we niet helemaal uit het zicht zitten. Maar zo ordinair dus. Net als ik. Het eindigt met een onbeholpen, bezopen vrijpartij op het strand. Ik geloof dat ik zelfs een orgasme gefaked heb. Daarna zijn we ieder door het losse zand in tegenovergestelde richting weggelopen. Als ik haar een paar dagen later weer tegenkom, doet ze net of ze mij niet ziet. Ze zit op een terrasje naast de Ierse pub met een of andere gozer. Aan de intelligente uitstraling te zien een Engelsman. Vast een nieuwe verovering. In het voorbijgaan roept ze me nog iets na. Dat is dus ook voorbij. Toch jammer. Ik hoopte dat we in alle nuchterheid het nog eens een keer over konden doen. Ik voelde toch iets van verbondenheid. Herkende iets van mezelf in haar. Maar zij zag niets in mij blijkbaar. Ze zal wel gezien hebben welke auto ik rij, probeer ik het voor mezelf goed te praten. Een van de volgende avonden ga ik weer op stap maar als ik de Ierse pub wil binnen lopen, word ik onverwacht tegengehouden door de portier. ‘Het is vol,’ is het verweer. Maar ik zie dat het niet zo is. Plek zat. Dus ik probeer me er enigszins geïrriteerd langs te wurmen. ‘Met gympies kom je er niet in,’ wordt er nu gezegd. Terwijl ik verbaasd om me heen kijk, zie ik een groepje vrienden waarvan zeker de helft gympies aan heeft doodleuk langs me de kroeg in wandelen. Ik attendeer de portier er op. ‘En hun dan?!’ Met een grijns pakt hij me bij mijn schouder, schudt nee en duwt me weg. Ik ben dus niet meer welkom. Waar doet me dat ook alweer aan denken… Ik voel me flink te kijk gezet maar doe net of ik me erbij neerleg en loop weg. Als die dombo een paar minuten later even niet oplet schiet ik via het zijkant van het terras de kroeg weer in. Nu sta ik aan de bar en bestel een glas rumcola. ‘Gracias.’ Maar net als ik de eerste slok wil nemen word ik ruw bij mijn kraag gegrepen en hardhandig de straat op geduwd. Omdat ik een tree mis van het afstapje struikel in bijna de straat op. Hij is blijkbaar in zijn eer aangetast want hij komt op me af, geeft me nog een duw en snauwt: ‘And now fuck off, you fuckin’ loser!!´ Het is duidelijk dat als ik niet maak dat ik wegkom, geweld de volgende stap is. Hij heeft zijn vuisten al gebald. Het uitgaanspubliek dat langsloopt en die van het terras kijken nieuwsgierig toe. Het is menens nu. Gezichtsverlies staat op het spel. Maar omdat dit me iets teveel herinnert aan de bully en ik mijn leven gebeterd heb, blijf ik staan, recht mijn rug en kijk hem aan. Wat moet jij nou stuk onbenul, rare aap die bent? Kom dan jongen! Ik zeg het niet maar we begrijpen elkaar. Hij begint te briesen. ‘Fuckin loser!!’ en duwt me de straat door. Een trap. Ik struikel. En sta langzaam weer op. Hier kan ik toch weinig tegen beginnen. Hij is net iets te groot. En problemen met de Spaanse Guardia Civil is wel het laatste dat ik kan gebruiken. Dus ik draai me om en loop weg, de nacht in, nagekeken en nagewezen door de ramptoeristen. De rest van de avond breng ik door in een klein café in een achterafstraatje. Café Ché. Ik verzin het echt niet. Zelfs hier is hij een held. Alhoewel, er zit weinig volk binnen. Is maar beter ook. De melancholische klanken van de Buena Vista Social Club klinken uit de luidsprekers.  Voor een scène als deze heb ik mijn vrijheid op het spel gezet, schiet er door me heen, maar nu betekent het niets meer. En starend naar de flessen drank voor de spiegelwand dringt het plotseling tot me door. Spanje het paradijs… Niet dus. Ik blijk iets teveel een vakantiefolder-idee van Spanje gehad te hebben. Het zou mijn thuis worden. Daar was ik rotsvast van overtuigd. De muziek, de taal, de vrouwen, de zon, de zee, het was mijn land. Hier wachtte mij een beter leven. Maar er is iets waar ik niet voor kan vluchten. Er is iets dat ik ongemerkt met me meesleep. Ik staar voor me uit… Dan realiseer ik me plots wat het is. Overal waar ik kom blijf ik een buitenstaander, schiet er door me heen. Dat is het. Ik ben alleen. Overal en altijd. Eigenlijk al zolang als ik me herinner. Op het schoolplein was ik alleen. Thuis alleen. In de voetbalkantine alleen. In de bedrijfskantine alleen. Tussen kameraden alleen.  Overdag tussen het winkelend publiek alleen. ’s Avonds in een verlaten stad alleen. In een volle discotheek alleen. Hier aan de Costa del Sol alleen. Er is geen ontkomen aan. Zelfs in mijn dromen ben ik alleen… Het raakt me als een mokerslag. Ik glij van de barkruk, laat het halfvolle glas Cuba Libre staan en loop verdwaasd de kroeg uit. In de warme nazomernacht waggel ik over de verlaten strandboulevard tot het moment dat ik geen stap meer kan zetten. Een diepe vermoeidheid overvalt me. Ik zet me neer op een stenen muurtje en kijk tussen de palmbomen door naar de zee. Het beeld vervaagt, ik hoor alleen nog maar ruis, en krijg het koud. Voel kippenvel over mijn hele lichaam. Het leven lijkt uit me weg te stromen. Met mijn laatste krachten en in een soort waas sleep ik me naar het busje en als de schuifdeur in het slot valt, begin ik te janken. Te janken zoals ik nog nooit gejankt heb. En ik kan niet meer stoppen. ‘God, verdomme, ik kan niet meer…’ snotter ik, en val ongemerkt in slaap.

Terug bij af

I’m on a highway to hell, highway to hell

And I’m going down all the way…

AC/DC -

De muziek klinkt hard. De snelweg glijdt onder me door. ‘…I’m going out tonight and going out drinking. Don’t bother waiting up because I’m coming home stinking…’  Ik ben op weg naar Nederland. ‘…I’m tired of sitting around watching my world going down. Gonna get kicked out of every bar in town…’  Ik heb niets meer te zoeken in Spanje.  ‘…Because I’m a punk and I’m belligerent. And I get drunk and I don’t give a shit…’  Ik had me opnieuw in elkaar gezet. Een nieuw leven met nieuwe dromen en nieuwe kansen. En dat kleine beetje hoop. En dat is allemaal verdampt onder de Spaanse zon. Ik ben weer in stukken uit elkaar gevallen. Alleen geen duizend dit keer. Dat wordt elke keer minder. Hoogstens een honderdtal. En weer zijn ze in de wind verdwenen. ‘And I don’t give a shit!’ zing ik hardop mee. Het landschap glijdt langs me heen. Waar ik op de heenweg euforisch was, met mijn hoofd vol dromen, mijn lijf vol adrenaline, zo vrij als een vogel, zo hoopvol als een kind, daar ben ik nu leeg, gedesillusioneerd op weg naar het ijskoude noorden. Ik ben er klaar mee. De wereld kan vergaan. Nu. Na een korte aarzeling laat ik het stuur los. De wagen begint langzaam af te buigen naar rechts. De berm van deze verlaten snelweg staat vol bomen. Zal ik? Met 110 km per uur? Het geluid van takken en afval dat onder mijn banden vermorzeld wordt is te horen. Ik rij al half in de berm. Op zo’n 200 meter staat een groot verkeersbord. Nog een paar seconden en de voorkant van mijn busje zal zich om de paal vouwen… 5… Ze zeggen dat je in die laatste seconden voor jedood je hele leven aan je voorbij ziet trekken. 4… Net zoals de mensen die van je gehouden hebben. 3… Ik zie nog helemaal niets. 2… ‘Fuck it!’ ‘Oh shit!!!’ Dat ging maar net goed. Ik remde uit alle macht, greep het stuur met beide handen vast, maar het busje bleef bijna net iets te lang in de berm hangen. Ik geef niks meer om het leven, maar er zelf uitstappen is wel het allerlaatste dat ik doe, zeg ik tegen mezelf als ik weer enigszins bekomen ben van de schrik. Hahaha. Wat een grap. Maar dat genoegen gun ik ze gewoon niet. Dat heb ik op de middelbare school al besloten. Ik ga het helemaal uitzitten. ‘s Kijken welke verrassingen het leven voor mij nog in petto heeft. En wat stond er nou op dat bord? Hel 1500km? Zag ik dat goed? Net voorbij Sodom&Gomorra?
Sodom&Gomorra
. Aangekomen in Nederland, waar het hartje winter is, weet ik ook niet meer precies hoe het verder moet. Maar hier kan ik al die achterlijke idioten tenminste verstaan. Dat is een voordeel. Dan hoef je je in ieder geval geen illusies te maken. Ik heb mijn busje geparkeerd langs een van de grachten in het centrum van Amsterdam en loop met mijn sporttas over mijn schouder richting de Raadhuisstraat. En realiseer me plots dat ik geen stap ben opgeschoten. Bijna een jaar geleden zat ik berooid in mijn lege appartementje in Rotterdam. Nu heb ik zelfs geen postadres meer. Ik heb alleen nog maar een aftands busje. Maar fuck it, ik ga gewoon een hotelkamer boeken, douchen en het op een zuipen zetten. En als ik genoeg op heb naar de hoeren. Dat is het plan voor de toekomst. Ik ben weer volledig naar de klote. Ik voel de schuine helling onder mijn voeten, ingezeept en wel. De laatste strohalm die me overeind heeft gehouden is tussen mijn vingers weggeglipt. Er is niets en niemand meer om me aan vast te klampen. Zelfs bij al die andere outsiders en verschoppelingen die ik toch altijd als mijn bondgenoten heb gezien hoef ik niet aan te kloppen heb ik gemerkt, want die zijn alleen maar druk bezig hun eigen hoofd boven water te houden. De enige echte vrienden, die troost bieden en waar ze wél altijd van op aan kunnen, hebben ze allang gevonden: Drank&Drugs. Daar komt niemand meer tussen. Cocaïne en heroïne zijn als een geliefde waar ze voor door het vuur gaan, waar alles en iedereen voor moet wijken. Ik schop een leeg colablikje voor me uit. Dan sla ik de hoek om, de Raadhuisstraat in. Eigenlijk zijn die junkies te benijden, mijmer ik, ze hebben tenminste nog iets om voor te leven… Ik weet waar dit gaat eindigen. Het is een bekeken zaak. De drank zal de laatste remmingen wegnemen en er blijven alleen de primi-tiefste driften over: Sex en geweld. En dat kan door die alcohol op iedere willekeurige manier naar buiten komen. Met je dronken kop vloekend en scheldend in de nacht onderweg naar nergens proberen autospiegels er vanaf te trappen. En dan je evenwicht verliezen en in de struiken donderen om je even later af te vragen hoe je daar in hemelsnaam terecht bent gekomen.  'Waaar?! Hoe-oe?!’  Dat is daar een voorbeeld van. Of zuipen, naar de hoeren, nog meer zuipen en nog meer hoeren. Tot je geld op is of je niet meer op je benen kunt blijven staan en je jezelf terugvindt rukkend in een of andere vage sex cinema. Naar beelden kijkend die nooit gezien zou willen hebben. En dat is dan nog onschuldig vermaak. Zo eindig je als het je het ene moment niet meer uitmaakt of je het volgende moment nog leeft. Je komt terecht in een compleet andere dimensie. Wil je niet weten. Echt niet. Ik rij met tramlijn 17 van het Bastionhotel naar het centrum. De vage hotels in de Raadhuisstraat zaten allemaal vol. Dus maar iets anders gezocht. De naam van het hotel, gelegen langs de ring van Amsterdam deed me weer even denken aan vervlogen tijden. Vervloekte tijden. Want het heeft dezelfde naam als het rechercheteam dat was opgericht naar aanleiding van de heftige acties tegen de hervatte kernproeven van Frankrijk in de Stille Oceaan, op het eilandje Mururoa. Ik weet nog hoe het allemaal begon. En ik herinner me de vergeelde papieren uit de sporttas.

 

Het was eind ’95. De hele wereld leek zich druk te maken om die kernproeven. Er werd van alle kanten opgeroepen om in actie te komen, bijvoorbeeld door Franse wijn te boycotten. Zelfs Youp van ’t Hek wond zich erover op in zijn Oudejaarsconference. Maar uiteindelijk gaf geen hond er gehoor aan. Youp was om te lachen, Mururoa ver weg en Champagne lekker. Het zuipen, vreten, feesten ging gewoon door. Business as usual. Zelfs te beroerd een glas Champagne te laten staan. Symbolischer kon het niet, vond ik. Ook daarom ontplofte er in de vroege ochtend van 2 januari 1996 aan de Jansbinnensingel in Arnhem een lading explosieven die de achtergevel vernielde van de Banque Paribas. De problemen begonnen voor mij toen de persverklaring, die ik in naam van het Earth Liberation Front naar Ravage gefaxed had, als fake bestempeld werd. Ondanks de dader-informatie die het bevatte om de echtheid ervan te garanderen. En ondanks het feit dat het allemaal erg voor de hand lag, tenslotte had het Earth Liberation Front in diezelfde Ravage opgeroepen om bij Franse bedrijven zo veel mogelijk schade aan te richten. Maar daar bleef het niet bij. Het hele initiatief werd door de kliek die het voor het zeggen had binnen ‘de beweging’ definitief om zeep geholpen. Mijn linkse kameraden suggereerden met ingezonden stukken ondermeer dat het wel eens het werk van provocateurs kon zijn. Erg leuk is dat, kan ik je vertellen: heb je net tien jaar gevangenisstraf geriskeerd, wordt je in je rug aangevallen. En om het helemaal compleet te maken begonnen ze me binnen de Nijmeegse scene ook nog te wantrouwen toen ze via Chris in de gaten kregen dat ik er iets mee te maken had. Flashback.
[…] Nijmegen. Zo’n zwoele zomeravond ergens in augustus. Ik ben op weg naar mijn stamkroeg. Café De Bijstand. De mensen die er komen zitten ook bijna allemaal in de bijstand. Inclusief mezelf. Dat is ook de grap. Als ik er bijna ben zie ik een bekende uit de scene. Ik ken hem van de linkse boekwinkel Assata, een paar straten verderop, waar ik werk. Hij lijkt me niet te zien. Pas bij de tweede ‘Hé!’ kijkt hij. Maar in plaats van het gebruikelijke ‘Hoi’ of een kameraadschappelijke knipoog krijg ik een vuile blik terug. En in het voorbijgaan krijg ik nog iets onverstaanbaars naar mijn hoofd geslingerd. Dat leek toch sterk op een belediging. Maar waar heb ik dat aan te danken dan?! vraag ik me beduusd af. Ik kan niets verzinnen. En ik ben nog steeds een beetje aangedaan als ik mijn fiets op slot zet tegen de muur naast het café en de muziek me al tegemoet komt. Ik duw de zware deur open en snuif de vertrouwde beetje muffige cafégeur op die doortrokken is van de wietlucht. De barman geeft een nauwelijks waarneembaar en plichtmatig knikje. Tegelijkertijd verstomt het rumoer. Het handjevol klanten - het is nog vroeg - waarvan ik de meeste wel ken hebben mijn binnenkomst gadegeslagen en zitten nu zwijgend voor zich uit te staren. Maar zonder mij uit het oog te verliezen eigenlijk. Ik zie de leren jacks, de soldatenkistjes, de tatoeages. En herken de Ier waarvan gefluisterd wordt dat hij lid is van de IRA en op de vlucht is. Met een knikje in hun richting en grappend naar de barman ‘Voor mij het vaste recept’, probeer ik het ijs te breken. Maar de barman vraagt: ‘Wat mag dat zijn dan?’ en de gozer die het verst van mij af zit vraagt: ‘Moet jij ook niet naar Kreta?’ Hij moet zijn stem verheffen om boven de punkmuziek uit te komen. Kreta? Wat moet ik op Kreta? En vanwaar die spottende ondertoon? Omdat ik niks beter weet te verzinnen, glimlach ik maar en zeg: ‘Kreta? Ja, lijkt me leuk, waarom niet?’ Ik ben een makkelijke jongen. En grappig blijkbaar want er wordt besmuikt geglimlacht. Terwijl ik op het wisselgeld wacht hoor ik de Ier zeggen: ‘Cheers, Big Ears!’ Ik begin me zo langzamerhand toch een beetje ongemakkelijk te voelen. Als ik met mijn glas Captain Morgan rum en een flesje cola naar het tafeltje achter in de kroeg loop, bedenk ik me dat er de laatste tijd wel veel van die dingen gebeuren die ik niet kan plaatsen. Het lijkt er inderdaad wel op of ik steeds meer gemeden wordt. Of ook zoiets: een week of twee geleden, mijn kamerdeur die wagenwijd openstaat terwijl ik zeker weet dat ik die op slot heb gedraaid. Er is duidelijk rondgeneusd maar er is niets verdwenen. Wat is er toch aan de hand? vraag ik me af terwijl ik de drank op een viltje plaats, het rode waxinelichtje weg schuif en daarna een krantje uit het rek pak. Ik neem een slok rum en giet daarna de cola erbij. Terwijl de alcohol een aangenaam warm en brandend gevoel geeft, valt me op dat er andere muziek is opgezet. De obligate punkmuziek heeft plaatsgemaakt voor de heel wat vrolijker klanken van UB40. ‘…There’s a rat in the kitchen, what am I gonna to do?...’  Dat nummer draaien ze ook elke keer als ik hier zit, schiet er door me heen. Ik probeer het allemaal van me af te zetten, schuif de stoel aan, neem nog een flinke slok en sla het krantje open. Informant opgespoord lees ik. Een artikel over een informant uit de scene, een zekere Cees van Lieshout. Die is net voor zijn ontmaskering gevlucht, maar is inmiddels getraceerd. Ik lees: We hebben die verrader eindelijk kunnen opsporen. Met een uitkering van het GAK is hij een jaar geleden vertrokken naar Griekenland. Daar runt hij nu een klein café op Kreta. We hebben hem daar… Op Kreta… Kreta! Mijn adem stokt. Ze zien me toch ook niet als…? Meteen schiet me de conversatie met Chris te binnen. Deze kroeg. Dit tafeltje. Vorige week. ‘Weet je wat ze met verraders doen in Colombia?’ ‘Nou?’ ‘Daar lig je zo zonder pardon met een paar kogels door je kop langs de kant van de weg.’ ‘Zo!’ Ik had het een vreemd onderwerp gevonden maar er niets achter gezocht. Net zomin toen de vraag gesteld werd:  ‘Weet je hoe je een lijk kunt laten verdwijnen zonder een spoor achter te laten?’  Ook al had hij mij met priemende ogen aangekeken. Ik had het maar geschaard onder ‘leuke’ weetjes, iets voor de ruige versie van Triviant. Het is ook Chris geweest waarmee ik de afgelopen jaren soms tot in de late uurtjes politieke discussies heb gevoerd. Hij is daarom niet alleen op de hoogte van mijn politieke overtuiging maar weet ook dat ik het niet alleen bij woorden gelaten heb. Geen woorden maar daden, dat was het motto. Eigenlijk weet hij te veel. Maar Chris heeft me ook een beetje  geïntroduceerd in de scene. Nam me mee naar het eetcafé, de kroeg, punkconcerten en kraakpanden. Weer schiet me een  Triviant-vraag te binnen. ‘Weet je hoe het bij de Maffia  gaat als je een fout maakt? ’ Nog voordat ik antwoord kon geven kreeg ik te horen:  ‘Dan wordt je doodgeschoten door diegene die jou heeft binnengehaald.’  Alle puzzelstukjes vallen nu met een oorverdovende klap op hun plek. Inclusief het nummer van UB40.  …I’m gonna FIX THAT RAT, that’s what I’m gonna do…’  Ooh shit! Ik moet hier weg! schiet er door me heen. Maar net als ik op wil staan loopt iemand van achteren tegen me aan. Het glas rumcola valt om. Zonder op of om te kijken en zonder een woord te wisselen loopt die gast verder richting de bar. Zijn kameraden hebben het tafereel aanschouwd. De instemmende en haatdragende blikken laten weinig meer aan duidelijkheid te wensen over. ‘Shit!’ Ik schuif op mijn stoel achteruit om te voorkomen dat er nog meer drank over mijn blauwe spijkerbroek en op de versleten houten vloer sijpelt. Ik laat de boel de boel en loop de kroeg uit. Achter mijn rug hoor ik de scheldwoorden die ik al vaker gehoord heb maar die tot nu toe altijd maar half te verstaan zijn geweest en die ik afdeed met de gedachte dat die niet voor mij bedoeld waren. Buitengekomen haal ik diep adem en loop wezenloos de stad in. […]

Ze vertrouwden me niet, verdachten mij ervan voor de BVD te werken. Er werd getwijfeld aan mijn motieven en loyaliteit. En hetzelfde clubje dat Cees van Lieshout had opgespoord en dat eerder de complete BVDafdeling van de Nijmeegse politie had ontmaskerd, hield ook mij in het oog. Mensen uit mijn omgeving werden benaderd. Huisgenoten, de ex-vriendin. Mijn gangen werden nagegaan. In de veronderstelling dat ze mij ook wel een keer op heterdaad zouden betrappen tijdens een onderonsje met mijn ‘runner’. En sommigen vroegen het gewoon: ‘Zeg, werk jij voor de BVD?’ Dat wantrouwen en die verdenkingen raakten me tot in het diepst van mijn ziel. Alles opgegeven voor De Goede Zaak, dus ook alles kwijt.  Wat nu? Het sloeg de bodem onder mijn bestaan vandaan. Als klap op de vuurpijl werd ik ook nog op straat gezet. Doodleuk werd me meegedeeld dat ze besloten hadden dat ik het kraakpand uit moest.  ’Waarom dan?!’ vroeg ik ontdaan.  ‘Daarom.’ En dat betekende dus ook dat ik naar de afkoopsom van de eigenaar - een klein kapitaal - kon fluiten. Het contract over de uitkoop hoefde alleen nog maar getekend te worden. Stiekem vermoedde ik dat er een soort van kosmische gerechtigheid achter schuil ging: God houdt toch van mij…’ Niet dus. Of anders stond de mens gewoon weer eens in de weg. Ik kon mijn tranen nog maar net bedwingen toen ze - voor de zoveelste keer - tegenover me stonden.  ‘Je moet hier weg.’ Ik probeerde het nog met:  ‘Maar ik kom echt in de problemen als ik dat geld niet krijg...’ . Maar dat maakte niet veel indruk. Geen oprotpremie voor mij, zoals zij dat geschenk uit de hemel noemden. Maar oprotten kon ik wel. Oké dan, dacht ik, als jullie het zo spelen. ‘Als jullie mij in de problemen brengen, dan krijgen jullie ook problemen, échte problemen.’  Maar er werd een beetje lacherig op gereageerd. Mijn oude leven was nog maar net verwoest en nu werd mijn nieuwe leven onmogelijk gemaakt door hetzelfde soort idioten. Dat was het dan. De strijd is gestreden. Het is allemaal verspilde moeite geweest. Mijn ziel en zaligheid zat er in. Alles wat ik gedaan, gedacht, gedroomd, gehoopt en gevoeld heb is zinloos geworden, weg… Ik voel niets meer. Ik weet niets meer. En ik wil niets meer. Een heel leven weg. Ik ben gestorven. Vermoord… Auto’s achtergelaten op verlaten parkeerplaatsen, treinen op rangeerterreinen, een bankje in het park, dat waren de plekken waar ik probeerde te slapen. Meestal tevergeefs. Ik was even bang dat ze het hierbij niet zouden laten. De eerder gemaakte opmerkingen schoten door mijn hoofd: ‘Dan lig je zo met een kogel door je kop langs de kant van de weg ’ en ‘Weet je hoe je een lijk kunt laten verdwijnen zonder een spoor achter te laten?’. Maar al snel deed helemaal niets er meer toe. Al zou ik ter plekke dood neer vallen. Ik ging ten onder. Ten onder door Het Verraad. Uiteindelijk vond ik mezelf terug, achterover gevallen in de struiken. Waaar?! Hoe-oe?!  Als de tram stopt op het Leidseplein kom ik weer in het hier en nu terecht. En vraag me af waar ik me toch zo druk over heb gemaakt vroeger. Honger, armoede, milieuvervuiling, kernproeven… Pfff… En voor wie eigenlijk? Alsof er iemand iets om mij geeft. Nu kan het me in ieder geval verrekte weinig meer schelen. Ik zou zeggen, geef iedereen een paar dagen om afscheid te nemen van hun geliefden - of gewoon om het op een zuipen te zetten, de rekeningen te vereffenen en te neuken - en druk dan op die rode knop en maak met een vuurwerkshow van kernraketten een einde aan die gênante vertoning die zich menselijke beschaving noemt. Stelletje achterlijke idioten…

De tram komt weer in beweging. Een paar lawaaiige lefgozertjes zijn opgestapt en zitten me nu vuil aan te kijken. Over beschaving gesproken… Ik glimlach. Ze maken niet veel indruk. Er is bijzonder weinig dat nog indruk maakt, eerlijk gezegd. Ik bekijk ze eens goed. Typisch geval van suf geblowd en lijp geworden door teveel MTV, porno, gangsterfilms en reclameslogans, dat zie je zo. Een hoofd vol verkeerde associaties. Wel link natuurlijk, want wat je er in stopt, komt er ook een keer uit. Staan ze ineens voor je snufferd met een pistool of stiletto te zwaaien. Met Tony Montana in het achterhoofd en een geldingsdrang die niet in toom wordt gehouden door empathie of moreel besef: ‘Are you talking to me? Are you talking to me?!’  Allemaal geoefend voor de spiegel. Het intelligentieniveau is ongetwijfeld lager dan gemiddeld, dat zie je ook zo. De woorden, nee beter: de klanken, die ik hoor bevestigen mijn vermoeden: ‘Ewa saghbie, daar die chick, is haram… Ouallah! Is mijn zus zo, ik maak haar dood! Ik zweer! Tfoe!Kabba! Je weet toch!’.  Ik zie dat ze ook allemaal hetzelfde trainingspak en hetzelfde kapsel hebben. ‘Jullie zouden jezelf eens moeten zien…’ mompel ik. Maar van zelfreflexie hebben ze ongetwijfeld nog nooit gehoord. Ze weten niet eens hoe je het schrijft. Ze zouden er ook niets mee opschieten. Het verhaal van de hond, de piano en de spiegel. Ik grijns naar ze. Vooral stoer blijven kijken jongens, fake it till you make it. Ik weet dat ik maar een keer hoef terug te kijken om ze het zwijgen op te leggen. Met de blik dat ik bereid en in staat ben ze één voor één te vermoorden. Nu. Ter plekke. Al zou ik er zelf ook het leven bij laten. Ik ben allang niet meer bang om dood te gaan. De blik die dat duidelijk zou maken, zou niet gefaked zijn. Ze zouden het weten en wegkijken. Starend naar hun Nikes. Maar ik heb er geen zin in. Ze doen er gewoon niet toe. Ze zijn lucht voor me. Net zoals de rest. De wereld lijkt een vreemd decor waarin ik ben verdwaald. Het is alsof ik kijk naar een tv-beeld zonder geluid. En in zwart-wit. Als ik achter het Koninklijk Paleis uitstap kunnen ze het toch niet nalaten wat verwensingen naar mijn hoofd te slingeren. Dus net voor de deuren sluiten roep ik: ‘Te boen mak! Thamza!’ (Wat zoveel betekent als: ga je moeder neuken! Lelijke aap dat je bent! Tenminste, als ik Klinkhamer mag geloven) en kijk die Marokkanen lachend na. Ze bonken op de ruit en in gebarentaal maken ze duidelijk wat ze allemaal met me willen doen. Ik geloof dat ze me eerst dood willen schieten om me daarna de keel over te snijden. ‘ Isch schoed saghbies, jullie doen je best maar…’ mompel ik. Het is al donker inmiddels. Ik loop over de Dam, richting de Warmoesstraat. Enige voorpret maakt zich automatisch meester van me, bij de gedachte waar ik dadelijk uit ga komen. De enige plek ter wereld waar ik me wel thuisvoel. De enige plek ook waar ik met open armen ontvangen wordt. Letterlijk en figuurlijk. Net een warm bad waar je langzaam in glijdt na uren door een verlaten, koude stad te hebben gedoold. Ik loop in de Warmoesstraat achter het Beursgebouw langs en sla dan rechtsaf. En ja hoor, de eerste rode lichten zijn al zichtbaar aan het einde van de steeg, de St. Annenstraat. De wereldberoemde Wallen. Ik kom thuis. Ik zie de meisjes achter de ramen staan. Sommigen beeldschoon en sexy. Anderen gewoon bloedgeil. Ze lachen naar me, wenken me, waarbij sommigen met hun ringen op de raam tikken en knipogen. Zo moet het voelen om de populairste jongen van de klas te zijn, bedenk ik me. Zo moet het voelen als het leven meezit, als het leven leuk is. En ik besluit ter plekke dat ik alle schade ga inhalen. Ik ga me gewoon helemaal sufneuken en uitleven. Dat is het plan. Drank&Vrouwen. Sex&Geweld.

Hotels&Hoeren

Ik stap de hardrockkroeg binnen op de Oudezijdsachterburgwal, net voorbij het Erotisch Museum. Bij de ingang staan een paar Hells Angels. Echte dit keer. De kroeg is ook van hun wordt er gezegd. Achterin hangt een bazoeka aan de muur. Stoer… En uit de boxen dreunt Guns ’n Roses:  ‘…Take me down to the Paradise city, where the grass is green and the girls are pretty… Oooh won’t you please take me down...’ Ik ga aan de bar zitten en bestel donkere rum. Hebben ze niet. Baccardi-cola dan maar. ‘Met ijs?’ Ik schud van nee. Kan me hier nauwelijks verstaanbaar maken. Terwijl de rum in mijn keel brandt kijk ik eens om me heen. De barman doet zijn werk vol enthousiasme. Elke keer als hij de biertjes heeft getapt voor al die verdwaalde toeristen, tikt hij met de spatel waarmee hij de schuimkraag heeft afgestreken in het ritme van de rockmuziek tegen de metalen lampenkapjes boven de bar. Vrolijke boel. Hij trekt er veel bekijks mee. Behalve van de stoer kijkende maar naar aftershave ruikende Hells Angels. ’Heb je toevallig iets van Warrior Soul?’ vraag ik als ik mijn vierde rumcola bestel. Maar ik heb meteen spijt van die overmoedige vraag. Want ze hebben nooit de muziek waar ik om vraag. En anders willen ze het gewoon niet voor me draaien. Zo gaat het mijn hele leven al. ‘Watte? Warrior Soul?! Ik zal voor je kijken.’ Jaja. Ik verheug me al bijna op het zelfmedelijden. Lekker is dat trouwens, lijden en troost tegelijk. Overdrijven loont dus. Weet ik uit ervaring. Het is nooit wat ik wil in dit leven, verzucht ik. En zoveel eis ik niet eens. Toch? Alleen de glimlach van een meisje. Ik neem een flinke slok. Ik zit alweer wezenloos naar de voorbijsjokkende toeristen te staren als de muziek tot me doordringt.  ‘… Let’s get high, get wasted. I want fun and I’ll make it. Let’s get high, get wasted…’ Lets get high and get wasted… Ja, laten we dat gaan doen. Ik wenk de barman en steek mijn duim omhoog. ‘Drink iets van me!’ probeer ik boven de muziek uit te schreeuwen. De paardenstaart komt op me toe gelopen. ‘Watte?’ ‘Drink iets van me.’ Het voelt alsof ik een nieuwe bondgenoot heb gevonden. Ik zal toch niet gelukkig worden?! Ik grinnik om mijn eigen sarcasme. ‘Oké vriend, ik schenk mezelf een dubbele whisky!’ zegt íe, ‘Dat is dan 12 euro.’ Oké dan, toch geen bondgenoot. Alleen maar een dure grap. 12 euro… Dat is… bijna 30 gulden! En waarschijnlijk tapt íe ook nog uit de fles die voor de helft met water gevuld is. Maar wat had ik anders kunnen verwachten? Ik ben allang blij dat mijn wereldbeeld intact blijft. Maar dit kost me wel bijna een pijpbeurt, realiseer ik me terwijl ik hem het papiergeld overhandig. Ik reken tegenwoordig bijna alles om in neukpartijen en rumcola’s. Mijn nieuwe wisselkoers. De wisselkoers waar feitelijk de hele wereld om draait. Want geld is macht, en macht is sex. Dus fuck it… let’s get high, get wasted. ‘Is goed zo. Proost!’ Wanneer het na een paar uur begint te vervelen en ik dronken genoeg ben, glij ik langzaam van mijn barkruk af en loop zonder op of om te kijken naar buiten. De warme gloed tegemoet. Het voelt als een omhelzing. De enige omhelzing die ik ken. De enige ook waar ik niet voor terugdeins. Ik slenter langs de ramen in een tempo alsof ik nergens meer heen hoef. Alsof ik al thuis ben. ‘Kijk daar dan!’ mompel ik. Ik zie rood verlichte heupen en dijen die een zwaar gevoel losmaken dat moeilijk te omschrijven is, moeilijk te weerstaan ook. Ik word er door gefascineerd, gebiologeerd eigenlijk. ‘Oooh… Kijk nou…’ Het zijn heupen en dijen waar ik me aan vast wil klampen, waar ik in opgenomen wil worden, waar ik in wil verdwijnen. Daar was alles samenkomt. Verleden en toekomst. Tijd en ruimte. Geil en heilig tegelijk. ‘Ach wat een dronken gelul eigenlijk…’ mompel ik. De mens is niet meer dan een vat vol Pavlov-reacties. Niks vrije wil. Als het belletje rinkelt, begin je te kwijlen. Tingelingeling!! Vreten! Tingelingeling!! Neuken! Alleen bij sommige heupen, sommige vormen, is het geen frivool belletje maar een 1500 kilo zware bronzen kerkklok waar je naast lijkt te staan en die je hele lijf mee laat resoneren. Van die Marion de Hond-heupen zal ik maar zeggen. Boooiing!! Want als man kun je sex hebben met alle vrouwen van de wereld, maar met sommigen móet je sex hebben. In het zijstraatje naast de Redlight Bar zie ik een mooi meisje staan. Blond en met benen en billen die naadloos in elkaar overlopen. Booiing!! Een roze bikini die de vorm van haar venusheuvel en schaamlippen niet verhult. Zo’n brede venusheuvel, met zo’n geil gleufje en volle dijen. Booiing!! Ze heeft wel wat weg van Victoria Koblenko. Booiing!! Ze staat met haar benen een beetje uit elkaar, sigaret nonchalant tussen haar vingers terwijl ze de rook schuin omhoog wegblaast. Stoer. Booiing!! Met al die kerkklokken lijkt er wel een trouwerij aan de gang met een dronken koor-knaap, ik word bijna misselijk van geilheid. Dus ik loop naar haar toe, glimlachend. Als ik voor de deur sta wacht ik op het moment dat ze hem opent. Maar ze schudt alleen haar hoofd en neemt nog een trekje van haar sigaret. Verbaasd kijk ik haar aan. Ze kijkt me kort en koel aan, schudt nog resoluter van nee, blaast de rook uit, om daarna naar de hoerenlopers achter me te glimlachen. Ik kijk ook om en zie een enkeling lachen om de afwijzing. Ja, ik sta hier mooi voor lul inderdaad. Ik kijk nog een keer naar die sexgodin. ‘Honderd euro dan?’ vraag ik, ‘Of tweehonderd?’ en steek twee vingers op. Ze doet net of ze me niet ziet. ‘Krijg nou een soa…’ mompel ik. Ik ben wel wat gewend wat afwijzing betreft, maar dit slaat alles. Zelfs de hoeren willen me niet meer! Het moet niet gekker worden!  Verbouwereerd en beledigd draai ik me om en loop verder. ‘Val toch dood!’ Nu vind ik dat ze ook geen beter lot verdient dan zich door jan en alleman te laten neuken en dat ze vervolgens al haar geld af moet geven aan die achterlijke mongool met z’n nep-Rolex, die het direct in de  gokkast van de Redlight Bar gooit en van wat er overblijft z’n tweedehands BMW of Golf GTI mee financiert. Dat krijg je er nou van als jullie in zwijm vallen voor de types met teveel testosteron en te weinig hersencellen, en aardige, intelligente jongens zoals ik afdoen als loser. Klotewijven! En dat de wereld er zo slecht aan toe is komt ook door jullie! Als jullie je alleen maar laten bezwangeren door die testosteronmongolen dan moet het wel fout lopen of niet dan? Ik kijk nog een keer om. Ze keek me ook nog heel even vluchtig aan en zei iets. Ik ben niet goed in liplezen maar een complimentje zal het wel niet geweest zijn. ‘Ach wat…’ scheld me gerust uit. Wat kost dat nou ook alweer om eens een keer lekker over je heen te gaan? 50 euro? Zo! Da’s ook geen geld! Veel plezier nog. Have a nice life! Laat ze godverdomme een grote bek geven tegen hun pooier, maar dat durven ze dan weer niet hè… ‘Verrekte klotewijven!’ Ik moet wel ongelooflijk pissen nu. Ik draai me om naar de dichtstbijzijnde muur en rits gehaast mijn broek los. Ik steun met mijn rechterhand tegen de muur om mijn evenwicht te bewaren en laat met een zucht van verlichting de straal tegen de stenen kletteren. Als ik naar beneden kijk zie ik dat de helft op mijn schoenen en broekspijp spettert. Maar ik pis gewoon door. Als ik omkijk zie ik een van de toeristen die me heeft zien afgaan verontwaardigd naar me kijken. ‘Wat moet je nou?’ mompel ik maar richt mijn aandacht snel weer op de straal voordat ik helemaal over mijn eigen schoenen sta te pissen. En dan zie ik het: ik sta half tegen een voordeur aan te zeiken. Ik glimlach. O, die gelukzalige gelatenheid. Niets dat er toe doet. Nu niet, straks niet, nooit niet. Je bent onschendbaar. Niets kan je nog gebeuren. Nergens meer bang voor. Alles mag, alles kan. Dat vind je alleen voorbij het punt waar niets er meer toe doet. Het kost wat pijn en moeite om er te komen, maar dan… Een roes bijna. Gewoon over je eigen schoenen staan te pissen en  glimlachen. Met de gedachte: als ik over mijn schoenen wil zeiken dan doe ik dat. ‘So fuck off! Achterlijke idioot!’ roep ik achterom. Onbetaalbaar en onvervangbaar. Als het moet pis ik de broekspijpen van een Hells Angel nat, die ruikend naar de aftershave en stoer kijkend, nietsvermoedend zijn pilsje staat te drinken aan de bar van Excalibur. Om dan, op het moment dat hij die natte, warme spijkerbroek tegen zijn benen voelt kleven en zich omdraait om te kijken wat er aan de hand is, rustig mijn gulp dicht te ritsen en hem vragend aan te kijken zo van: Tja… en nu? Zo roekeloos dus. Natuurlijk zou dat einde verhaal zijn. Tenminste, als hij zijn vrienden erbij gaat halen. Maar wat dan nog. Dan ben ik er vanaf. Maar voordat we aan zo’n Kamikaze-actie beginnen, schiet er door me heen, gaan we toch eerst nog effe iets anders doen! Neuken! Dat is wat ik nog moet doen in dit leven! Want als je net sex hebt gehad, dan sterf je tenminste gelukkig. Neuken dus… ‘Ik ga neuken!’ mompel ik terwijl ik mijn broek optrek en de gulp dichtrits. Vergeet die geile godin. De torenklokken zijn nu overal te horen. Ik sjok verder langs de grachten en laat me meevoeren in het geroezemoes van de stroom toeristen langs de rood verlichte ramen. Ik kom langs peepshows en sexshops. In de smalle steegjes zie ik de pooiers, dealers en junkies. En heel even denk ik aan het meisje met de glimlach die me een heel andere wereld binnen voert. Maar ik heb haar niet kunnen vinden. De afgelopen twee weken niet. Vandaag niet. En morgen waarschijnlijk ook niet. Doet er ook niet toe, maak ik mezelf wijs. Het wordt toch niets. Het is afgelopen. Dit hier wordt mijn thuis. Ik dompel me onder in deze poel des verderfs tot ik verzuip… ’Stop!’ Ik kreun. ‘Please stop!’ Ik pak haar arm vast. ‘Stop!!’ Ik kom bijna klaar. Span mijn spieren. Knijp. Dan voel ik dat haar lippen losjes van mijn eikel glijden. Ik kom zuchtend overeind, ‘Oohh!’ Ze kijkt me aan. Dat was op het nippertje. Ik moest echt mijn best doen om niet in haar mond klaar te komen. Ze glimlacht en knijpt in mijn stijve pik en ik zie dat er toch een condoom om zit. Het begon allemaal een minuut of vijf geleden, met de aloude vraag: ‘How much?’ ‘Fifty, fuck and suck.’ ‘Oké.’ Ik was allang blij dat ze me met mijn dronken kop binnen wilde laten. Maf is dat trouwens, dacht ik bij mezelf, terwijl alles bijna twee keer zo duur is geworden door de euro, zijn de prijzen hier gelijk gebleven. Maar goed, dat is niet mijn probleem. ‘How many positions?’ ‘As much as you can in fifteen minutes.’ ‘Oké.’ Naar binnen. Gordijn dicht. 50 euro betaald. ‘Hi, I’m Jessica.’ ‘Hi, where you from?’ ‘Greece.’ Griekenland... Ik bekijk haar eens goed. Slank, donker haar, donkere ogen. Zou kunnnen. Als ik niet beter zou weten zou ik zeggen dat het Heleen van Royen is. Die heb ik altijd al eens willen neuken. Ik kijk eens om me heen. Rode lampjes, hartjes, teddyberen. Een kitscherige sfeer die versterkt wordt door de kerstverlichting en een weeïge geur van luchtverfrisser vermengt met parfum. Dan schrik ik me ineens de tering. In de hoek achter Jessica zie ik een grote hond liggen. Ik kijk nog eens goed. Een hond?! Een fuckin’ Rottweiler met een brede kop ligt me aan te staren. ‘What the fuck is that?!’ ‘My dog. No problem. For security,’ zegt ze alsof het de gewoonste zaak van de wereld is terwijl ze haar bh losknoopt, ‘You can wash there,’ en ze wijst naar de wasbak op nog geen meter afstand van dat beest vandaan. ‘No problem?! Are you sure?’ ‘Yes.’ Als ik een moment later in mijn Hema-onderbroek sta, twijfel ik toch of ik mijn jeans maar weer moet ophijsen of dat ik het er maar op moet wagen. Ik zie het krantenberichtje al voor me… ‘It’s an old policedog.’ Een watte? Nee, dát is geruststellend! Een Rottweiler die criminelen al op een kilometer afstand ruikt en op commando zijn tanden zet in armen, benen of andere uitstekende delen. Krijg nou wat! ‘An old policedog?’ ‘Yes.’ Dat heb ik weer. Ach, wat de fuck. Als het zo moet eindigen, dan moet dat maar. Een mooie afsluiting van deze tragikomedie. Ik was mijn edele delen alsof het de laatste keer is en zie in de spiegel dat de Griekse godin zich heeft uitgekleed en met de benen kuis bij elkaar op bed ligt. Nadat ik gevraagd heb of ze haar benen wijd wil doen stap ik met een erectie het bed op. Ze draait me vervolgens op mijn rug en gaat op haar knieën naast me zitten. Met een sierlijke zwaai schudt ze haar lange kastanjebruine haren uit haar gezicht. Ze ruiken naar shampoo. Ik streel haar bovenbeen, kijk naar haar borsten en ben als altijd weer overweldigd van de schoonheid van een vrouwenlichaam. Met haar rechterhand pakt ze mijn pik beet en duwt de hand naar beneden waardoor de voorhuid verder van mijn eikel glijdt. Als ze merkt dat ik half overeind wil komen duwt ze me met haar andere hand terug in het kussen. Ik probeer het nog een keer want ik wil zien wat er dadelijk gebeurt, maar ze knijpt stevig met haar rechterhand en laat merken wie er de baas is. ‘Oké, you rule,’ zeg ik en laat mijn hoofd in het zachte kussen zakken en wacht op wat komen gaat. Dat ze zich voorover buigt merk doordat ik haar lange haren over mijn buik voel glijden. Dan voel ik haar warme lippen op het puntje van mijn eikel. Alsof ze hem kust. Daarna glijdt mijn pik langzaam in haar warme mond en ik denk: Ze vergeet het condoom! Daarom moest ik me eerst wassen natuurlijk! Ik voel haar lippen heel losjes langs mijn pik glijden en ze laat haar hand los. En als ze langzaam op en neer beweegt voel ik haar haren weer over mijn buik glijden. Dat ik niet weet of ze een condoom gebruikt heeft maakt deze pijpbeurt perfect. Het is zo geil dat het me na twintig seconden al bijna niet meer lukt om níet klaar te komen. Daarom zei ik dat ze moest stoppen. Ze heeft het condoom er gewoon heel vakkundig met haar mond overheen gerold. Na een paar seconden uithijgen, zeg ik: ‘Now you on top please.’ Ze gaat over me heen zitten, en als ik langzaam in haar glij besta ik even niet meer. En dat is op alle mogelijke manieren het beste gevoel dat er is. Als ze op en neer beweegt, zeg ik dat ze het langzaamaan moet doen. Ik bekijk de tribal tatoeage die van haar buik tot in haar lies loopt. Dan glijden mijn ogen en handen verder over haar lichaam. Het lichaam dat de kerkklokken laat luiden. Ik kijk in haar mysterieuze bruine ogen terwijl ik haar borsten voorzichtig beetpak, en probeer haar voor een moment te doorgronden. ‘Can we change?’ vraag ik na een minuut of wat. ‘Change?’ ‘Yes, you on your back.’ Ik wil nog meer van haar zien. Ze gaat naast me zitten en ik kom overeind. Als ze op haar rug gaat liggen stap ik van het bed af, waarbij ze me verwonderd aankijkt. ‘You like this,’ zeg ik, terwijl ik wijs hoe ze moet gaan liggen.Ze ligt nu met gespreide benen voor me. Ik zie haar geschoren kutje weer en voel een schokje in mijn pik. Ik pak haar enkels beet en schuif haar voorzichtig naar me toe tot ze met haar billen op de rand van het bed ligt. Dan til ik haar even op, om er het hoofdkussen onder te schuiven, anders ligt ze wat ongelukkig op de rand. Zelf pakt ze snel een handdoek die ze over het kussen legt. Ze ligt nu met haar half opgetrokken benen op bed. Eén been klem ik onder mijn arm en terwijl ik een beetje door mijn knieën zak, pak ik met mijn rechterhand mijn pik en duw die langzaam bij haar naar binnen. Daarna pak ik ook haar andere been en beweeg langzaam heen en weer, mijn ogen niet meer loslatend van mijn pik die steeds weer langzaam in dat prachtige kutje verdwijnt. ‘Ooh, dit is zo geil!’ Haar borsten schommelen rustig mee op het ritme. Dit is waar alles om draait, schiet er door me heen. Voor de afwisseling leg ik haar half op haar zij. Dit kan ik lang volhouden. Ik probeer er ook zo lang mogelijk van genieten. Als zij het ook merkt hoor ik haar zeggen: ‘You have some cow.’ ‘What?’ Ik verstond haar maar half, was te gefocused, afwezig. ‘You have to come now.’ ‘Oké.’ Ik draai haar weer terug en leg haar benen nu in mijn nek en glij diep in haar, terwijl ik haar benen met beide armen tegen mijn lijf druk. Mijn ogen glijden langs haar lichaam. Gevolgd door mijn handen. Over haar benen, heupen. Over haar buik en borsten. Alles zacht, warm, glad, glooiend, vloeiend. Ik kom klaar. Goddelijk. Hemels. Voor mij dan… Als ik langzaam uit haar ga, komt ze half overeind waarbij ze haar arm naar me uitstrekt. Ik help haar overeind, waarna ze een tissue van het kastje bij het hoofdeind pakt en voorzichtig het condoom eraf rolt. Ik kreun nog een keer als ze mijn eikel schoonveegt. ‘Thank you very much,’ zeg ik. ‘You’re welcome.’ Als ik boven de wasbak met koud water mijn pik was die nog steeds half in erectie is, zie ik die hond weer. Hij is gelukkig braaf gebleven. Jessica gooit de tissues in de pedaalemmer, knipt het tl-licht aan en gaat wijdbeens over het bidet zitten om zich te wassen. In een flits zie ik dat de pedaalemmer tot de rand gevuld is. Iets teveel informatie. En in het felle licht schrik ik van mijn eigen kop in de spiegel. Ze zit alweer in lingerie op het bed als ik mijn broek optrek. Even later probeer ik het schuldgevoel af te kopen met een compliment, ‘You have the perfect body’, en een fooi van 20 euro. Pas als ze het gordijn openschuift, de deur opent, en ik de straat op loop, kom ik weer met beide benen echt in de realiteit terecht. Plots zie ik wat hier gebeurt. Sexslavinnen zijn het. Al die meisjes. Georganiseerde verkrachting is het. En ik zie al die brave huisvaders die voor vijftig euro kreunend en hijgend over de-dochter-van heen gaan. Trouwring in de broekzak. Ik heb hier alles al zien rond lopen. Rijk en arm. Jong en oud. Van advocaten en beurshandelaren tot vrachtwagenchauffeurs en magazijnmedewerkers. Maar dat is geen excuus. Onderuit gezakt op de achterbank van een taxi zie ik de nachtelijke stad aan mij voorbij flitsen. Neonlichten, reclameborden, knipperende verkeerslichten. Maar mijn gedachten blijven hangen bij Jessica. Elke avond een stuk of tien hijgende mannen over je heen krijgen, dat moet toch een rare belevingswereld zijn, realiseer ik me. Een surrealistisch schouwspel. Een soort pornografische Salvador Dali. Het moet een wereld zijn die je pas kunt bevatten als je er in verzeild raakt. Een wereld waarin liefde slechts een vreemd woord is. Het moet vernederend zijn. En je kunt het alleen maar verdragen door er niet bij te zijn. Dát heb ik in haar ogen gezien, schiet er door me heen. Pijn die verborgen wordt gehouden achter een masker van vriendelijkheid en vrolijkheid. Ellende die ondergaan wordt, met een schouderophaal. Gelatenheid. Berusting. Afwezigheid.  Het monotone ritme van de straatlantaarns die naar binnen schijnen als we over de ring van Amsterdam rijden, maakt me moe. Maar misschien is het wel het meest realistische wereldbeeld, bedenk ik. Pik in kut. Gekreun. Een grom. En dat is het dan. Misschien is dat toch waar het uiteindelijk allemaal om draait: Het rammen der pikken in natte kutjes… Ik voel me leeg als de taxi me bij het hotel afzet. En het schaamtegevoel is in de leegte verdwenen. Een week later. Ik sta voor het raam en bekijk al het moois. Achter me lopen al die toeristen voorbij. Ik hoor Spaans, Duits, een paar Amerikanen. Ik neem een hap van een koude minipizza die ik net bij Bakker Bart gekocht heb.  ‘Can I help you sir?’ vroegen ze. Ze dachten waarschijnlijk dat ik ook een toerist was. Misschien omdat aan me af te zien was dat ik een zware nacht achter de rug had, gecombineerd met het feit dat ik nog steeds een beetje gekleurd ben door de Spaanse zon. Of anders omdat ze er vanuit gaan dat normale mensen deze maandagmorgen niet door de stad dwalen, maar vanmorgen in alle vroegte met hun broodtrommeltje onder de snelbinders naar kantoor vertrokken zijn. Ik voel me zo langzamerhand ook een toerist in eigen land. ‘Yes please, can I have that pizza.’ Ik bekijk al het glanzende en glimmende staal. Ze verkopen hier stiletto’s en messen in allerlei soorten en maten (Naast allerlei toeristen/hasj-prullaria, je kent het wel, waterpijpen, aanstekers, T-shirts en meer van die shit. Allemaal voorzien van het lachende gezicht van  Bob Marley. Of Ché Guevara natuurlijk...) Vanavond ga ik Victoria neuken, neem ik me voor, terwijl ik de laatste stukken pizza naar binnen werk en de winkel binnen loop. Die hoer die me afgewezen heeft. ’Hé pssst…’ Ik kijk om. ‘Yes. You.’ Krijg nou wat. Een neger met gouden tanden die blinken in het duister heeft het tegen mij. ‘Coke, XTC?’ fluistert hij, terwijl hij om zich heen kijkt en net doet alsof zich ieder moment een peloton politie op hem kan storten. Die denkt zeker ook dat ik een toerist ben. Dat ik er intrap. Denk toch niet dat ik 50 euro ga uitgeven om dat waspoeder van jou op te snuiven? Mafkees. ‘No thank you,’ zeg ik terwijl ik in mijn jaszak grijp naar het koude staal van de stiletto. Ik heb vanmorgen die van roestvrij staal genomen. Handzaam, mooi afgewerkt. Kwaliteit, dat zag je zo. Flitst in een fractie van een seconde open. En niet duur. Kostte me maar één neukbeurt. Gerustgesteld loop ik door langs het kerkje, de brug over naar de Oudezijdsachterburgwal. Hoewel het nog vroeg in de avond is - en ik nog niet dronken ben dus - loop ik meteen door richting de Monnikenstraat. Daar staat Victoria achter het raam. Eens kijken of ze me vandaag binnen laat. ’Do I know you?’ vraagt ze fronsend terwijl ik me uitkleed. ‘I don’t know, but I know you,’ zeg ik. ‘What’s your name?’ vraagt ze. Ik vertel haar mijn naam. ‘And yours?’‘Anita.’ 'Anita, hmm, and where you from?’ ‘Sweden.’ ‘Sweden?’ ‘Yes. Like ABBA. You know ABBA?’ ‘Yes. Sweden. ABBA.’ Zweden. ABBA. Anita. Het leven kan soms zo simpel zijn. Na vijftien minuten bleek dat die kerkklokken niet voor niets waren. Mamma mia, wat was ze geil. Victoria. Onee, Anita. Na afloop waren haar stijve tepels nog door de bikini heen te zien. En dat zie je toch ook niet vaak. Zeker niet de eerste keer. Want ze liggen meestal te denken aan de boodschappen die ze nog moeten doen. En de ontbrekende stijve tepels en natte kut worden gecompenseerd door overmatig gekreun, glijmiddel en complimenten: 'Oooh ja! Lekker! Harder!’. Dus ik gaf ook haar een fooi. ‘I like you,’ zei ze nog. ‘Nah, you like the money,’ zei ik kortaf. Ja, ik kan hard zijn, als het moet. Een paar weken terug heb ik me voorgenomen om sex te gaan hebben met alle vrouwen van de wereld. Een reis om de wereld in tachtig nachten, zogezegd. En ik ben inmiddels al de halve wereld over geweest. Ik weet niet eens meer waar ik begonnen ben. Maar je kunt het zo gek niet bedenken of ik ben er geweest. Zweden heb ik net bezocht, gisteren Polen… ’ns kijken… Daarvoor Rusland, Italië, Albanië, Roemenië, ja… Brazilië, Bosnië, Libanon… En Griekenland natuurlijk, vorig weekend, Jessica… Oja, Egypte, dat was Anna. Mijn god, een heupen dat die had... Net zo als die Italiaanse, geil! Hoe heette die ook alweer? Vast Maria of zo. Het zijn altijd van die klinkende namen. Van die namen waar de klanken van een orgasme al inzitten: Mariaaahh!! Saskiaaahh!! Aaahh!!-niiihh!!-taaahh!! En ik heb geleerd dat het geilste meisje steeds een paar ramen verderop zit. Denk je net dat het niet geiler kan worden, de volgende dag kun je haar niet meer zien. Echt waar. En Duitse hoeren, daar heb je niets aan. Die zijn zo preuts als wat. Ik had er eentje die rolde er zonder blikken of blozen twee condooms overheen en toen klemde ze ‘em nog alleen maar tussen haar benen. Deutsche gründlichkeit. En er is een groot verschil tussen ver af en dichtbij, daar moet je ook voor opletten. Het kan gebeuren dat je vanaf de ene kant van de gracht denkt een oogverblindend mooi meisje te hebben zien staan, om even later vast te stellen dat ze van dichtbij eigenlijk meer lijkt op Sonja Barend op zondagmorgen. En bij hoeren uit Thailand en die omstreken moet je helemaal oppassen, voor je het weet… Maar hoe dan ook, wat ik wilde zeggen: ik moet Desmond Morris uiteindelijk toch gewoon gelijk geven: niks lekkerders dan je primitieve driften de vrije loop laten. Echt. Zuipen, vreten, neuken, het heeft wel wat… Zomaar een doordeweekse dag. Het meisje zit op haar knieën voor me op bed. Ik neem haar op z’n hondjes. Alweer. Ik heb haar al een paar keer eerder geneukt. Niet vandaag natuurlijk, je kunt ook overdrijven. Maar de afgelopen weken. Maar ineens besef ik dat ik niet eens weet hoe ze heet. Want het is een beetje een routine geworden. Als ik dronken genoeg ben, slenter ik over de Wallen en als ze er is dan loop ik het trappetje op. Zeg hallo. Betaal. Trek mijn kleren uit. En we beginnen. Zo gemakkelijk kan het leven zijn. Wat wil een mens nog meer? Ze is een van de geilste meisjes tot nu toe. Want zoals gezegd: normaal heb je het na een of twee keer wel gezien, maar bij haar kom ik vaker terug. En ze is nog Nederlands ook. Een van de weinige hier. Ze lijkt op Yvon Jaspers. Maar zo heet ze dus niet. ‘Zeg, hoe heet je eigenlijk?’ vraag ik haar terwijl ik even stop. ‘Wendy.’ Normaal gezien kijk je elkaar aan als je kennis maakt en geef je een hand, maar dat is in deze positie en beetje lastig, besef ik ineens. ‘Oh…, aangenaam,’ zeg ik na een korte aarzeling, en beweeg weer heen en weer. En op hetzelfde moment beseffen we allebei dat deze manier van kennismaken toch wel erg apart is, geen handen schudden, maar sex op z’n hondjes. We schieten dan ook allebei in de lach. Ik merkte ook dat ze eigenlijk niet wilde lachen, maar dat ze zich niet kon beheersen. Een echte  lach dus. Daarna gaan we gewoon verder. ‘Oh, en waar kom je vandaan?’ vraag ik quasi serieus. Grinnikend antwoord ze: ‘Brabant’. Bij het afscheid schud ik haar met een glimlach formeel de hand en zeg: ‘Het was aangenaam kennis te maken.’ Opnieuw schiet ze in de lach. Het is natuurlijk niet alleen maar ellende… En is Wendy er niet, dan ga ik of naar Nathalie of Layla. Nathalie is een hoogblonde Amsterdamse. Slank. Rank. Net Susan Smit. Geil met stijl, zal ik maar zeggen. En dan Layla. Ik weet niet precies wat het is, maar ik val op Marokkaanse meisjes. Ik vind ze bijna allemaal even mooi. En het zijn niet alleen die zwarte haren, die mysterieuze donkere ogen en die lichtgetinte huidskleur. Maar ook de vorm van hun gezicht. De vormen van hun heupen. Ze zijn gewoon mooier, interessanter, mysterieuzer en geiler dan de rest. Die kan ik onmogelijk voorbijlopen. Zoals Layla dus. (En zij is nog maar half Marokkaans, kun je nagaan. Voor de andere helft is ze Nederlands. Dat zijn eigenlijk ook de mooiste, die halfbloedjes.) Ze begint altijd met een soort bodymassage waarbij ze met haar borsten zachtjes over mijn bovenlijf glijdt, terwijl ze van die lieflijke geluidjes maakt. Ze is niet superknap, maar wel superschattig. En ze blijft geil. Ze is een van de weinige meisjes die ik maar niet kan inruilen voor een ander. Layla, mijn Marokkaanse schatje… ‘Ewa Zina, yellah…’ En ik leefde nog lang en gelukkig…

Elvis has left the building!

Als iemand waanvoorstellingen heeft en dingen ziet die er niet zijn, noemen we hem gek en sluiten hem of haar op in een inrichting. Als miljoenen mensen tegelijk aan waanvoorstellingen lijden, noemen we het religie.

- Richard Dawkins -

Ik slenter door de St. Annenstraat richting de Warmoesstraat. De meeste gordijnen zijn al dicht en de rode gloed kan me niet meer bekoren. Wat nu nog op straat rondhangt zijn junkies op zoek naar een slachtoffer, dronkaards op zoek naar de weg naar huis, en ander losgeslagen volk. Ik ontwijk glimlachend een zwalkende zwerver. ‘Succes ermee,’ mompel ik. Als ik linksaf de hoek omsla richting Krasnapolsky, zie ik dat een groepje Marokkanen me tegemoet komt gelopen. Ze paraderen over de hele breedte van het trottoir. En op een of andere manier komen ze me bekend voor. Meestal is dat geen goed teken. Ken ik ze ergens van? En waar ken ik ze dan van? Zijn het de loverboys uit de Redlight Bar? Het zijn toch niet die gasten waar ik een tijdje terug een akkefietje mee had? schiet er in een keer door me heen. Ik weet het niet. Ik kan het ook moeilijk beoordelen. Overdag zijn ze al niet uit elkaar te houden, dus hier, op dit tijdstip en in deze beschonken toestand helemaal niet. Ik ga een stukje aan de kant, maar niet helemaal. Dat zouden ze graag willen, dat is te merken aan alles. Maar er is ruimte zat. Als ze ook maar iets zouden inschikken. Gewoon zoals beschaafde mensen doen. Leven en laten leven. Waarom moeilijk doen, als het makkelijk kan. Mijn god, wat loop ik te bazelen! Wat kan het mij allemaal verrekken.Als ze problemen willen, kunnen ze problemen krijgen. Ik controleer of de stiletto nog in de rechterzak van mijn bomberjack zit. Warrior Soul klinkt in mijn hoofd. ‘…If you mess with me boy, you better start thinking Because I’m a mean little fucker and I’m coming home swinging...’ Ze eisen nu de hele straat op en lijken benieuwd naar mijn reactie. Nog een meter of vijftien. ‘…Cause I’m a punk and I’m belligerent And I get drunk and I don’t give a shit...’ ’And I don’t give a shit!’ mompel ik. De brutalen hebben de halve wereld, schiet er door me heen. Of toch in ieder geval de halve straat. Maar dat staat voor hun blijkbaar symbool voor de hele wereld, want ze wijken geen centimeter, terwijl we duidelijk op ramkoers liggen. Sterker nog, de blikken worden grimmiger en uitdagender, en de buitenste gaat zelfs nog iets breder lopen. ‘Typisch’, zucht ik terwijl ik het ijskoude staal van de stiletto omklem. Nog zo’n tien meter. Vroeger ben ik erg bevooroordeeld geweest. De Allochtoon kon onvoorwaardelijk op mijn sympathie rekenen. Ze behoorden tot de Underdogs, De Verworpenen der Aarde, dacht ik. Net als ik. Ik was toen ongetwijfeld nederig aan de kant gegaan, met de gedachte: Jullie hebben het ook niet makkelijk… Er zou hoongelach te horen zijn geweest, maar ik zou het niet gemerkt hebben. Vriendelijke jongens… zou ik gedacht hebben. Maar de verwondering begon met de Rushdieaffaire: De Fatwa van een ayatollah, en wereldwijd, van Mekka tot Amsterdam, al die hele en halve analfabeten en totale halvegaren die het boek en de schrijver op de brandstapel wilden gooien (analfabeten die een boek willen verbieden, het moet niet gekker worden mensen). En daarna ging het van kwaad tot erger. En ze komen ook altijd in groepen. Allemaal hetzelfde trainingspak en dezelfde mening. Altijd wij-zij. Ze zijn er als geen ander van doordrongen dat het gaat om aantallen, de macht van het getal. Daarom weet ik dat het niet zal helpen als ik nu aan de kant ga. Dan gaan ze ongetwijfeld nog breder lopen en nog meer territorium opeisen. Je geeft ze een vinger en ze pakken je hand. Of je handtas. En geef je geen vinger dan ben je een racist. Nog vijf meter. Het is vier tegen één. De adrenaline werkt ontnuchterend. Ik bekijk het groepje dat nu akelig dichtbij is. Ik kijk ze één voor één aan en probeer me voor te stellen hoe ze er uit zouden zien zonder die Mediterrane look met die moorzwarte haren en die lichtgetinte huidskleur. Ik zie de gezichten in het licht van de straatlantaarns, en schiet in de lach. Ik zie ze plotseling voor me met blonde haren en een bleke blanke huid. Ze zijn eigenlijk gewoon klein, dom en lelijk, realiseer ik me. Nog lelijker dan Belgen. Kijk die koppen dan! En dan kun je er wel een hoop goud aan hangen maar dat helpt ook niet echt. Hé, is dat trouwens Hans Sahar niet?! Nog een paar passen. Ik krijg bijna medelijden met ze. Ook geen wonder dat ze altijd in groepen komen, ze moeten wel. Wie niet slim is moet sterk zijn. Het enige dat ze hebben is hun zelfoverschatting en groepsgevoel. Ik kijk strak voor me uit en ben klaar om toe te slaan. Mijn elleboog botst tegen de bovenarm van de buitenste Marokkaan. En weer hoor ik de scheldwoorden die ik niet versta. Leuk is dat. In je eigen land uitgescholden worden in een taal die je niet verstaat. ‘Ja, je moeder! Stelletje geitenliefhebbers!’ Dat laatste heb ik onverstaanbaar gemompeld. Ik ben geen racist. Ik heb gewoon een hekel aan idioten. Zeker als ze in groepen komen. Ongeacht ras, geloof of huidskleur. Ik kijk nog een keer achterom. En haal diep adem. ‘Pfff…’ Dat is gelukkig goed afgelopen. Dat zou een erg slecht begin zijn geweest van dit nieuwe jaar, verzucht ik. In welk jaar leven we ook al weer? 2003 na Christus, toch? Ik loop over de Dam richting het Koninklijk Paleis en jaag een paar duiven weg.  Ongeacht ras en geloof… Ja, dat zeg ik nou wel, maar dat is niet helemaal waar. Mensen met een geloofsovertuiging bekijk ik toch met de nodige argwaan. Het geloof is natuurlijk ook het grootste probleem met die gasten van daarnet. Want ze zouden Rushdie ter plekke hebben afgemaakt, of tenminste een serieuze poging daartoe hebben ondernomen, als ze hem daar waren tegengekomen in die steeg. En niet eens voor de beloning. Vooral daarom heb ik het niet meer op ze. Want wat hier op straat begint, dit groepsgedrag, die bully-mentaliteit waar ik zo’n hekel aan heb, eindigt met Rushdie en alle andersdenkenden op de brandstapel of in de gaskamer. Ze hebben er duidelijk aanleg voor, en dan moet je ze vooral niet gaan aanmoedigen en in naam van Allah een excuus geven. ‘Verder zijn het natuurlijk ideale schoonzonen…’ mompel ik als ik de Kalverstraat in loop, grinnikend om mijn eigen grap. Ik slenter verder. En speur in de steegjes naar een fiets die ik kan jatten. Moet ook wel want in deze wereldstad ligt alles plat na 1 uur ’s nachts. Dat heb ik nog nooit meegemaakt: een hoerenbuurt waar ’s nachts de lampen gewoon uit gaan. Het is toch geen fucking Volendam of wel?! En een taxi neem ik hier niet meer. Die rijden je de hele stad door, langs alle kapotte stoplichten, ophaalbruggen en doodlopende straten die er te vinden te zijn, en aan het einde van de rit versta je niet eens wat je moet betalen. ‘Wat jij zeggen? Ikke niet begrijpen.’  Maar dat het veel geld gaat kosten, dat weet je wel. Maar voor dat soort bedragen laat ik me op de Wallen liever nog een keer extra pijpen en loop wel terug. Want als ik dan toch genaaid wordt, dan liever goed… Alle fietsen die ik tegenkom staan driedubbel op slot. ‘Ik loop wel naar huis,’ mompel ik. De alcohol en de vermoeidheid beginnen hun tol te eisen. Ik had de jaarwisseling godverdomme gewoon in Antwerpen moeten vieren! mompel ik, dan had ik ook niet zo ver hoeven lopen. Ik sla ergens rechtsaf in de hoop zo richting het Leidseplein te lopen. Het lukt me maar niet het voorval met die Marokkanen van me af te zetten. In mijn hoofd begin ik een heel betoog tegen ze af te steken.‘Ewa saghbie. Wat zeg je? Allah Akbar? God is groot…? Ja natuurlijk vriend, en de aarde is plat zeker?! Pfff… Weet je, ik heb nog meer respect voor mensen die serieus geloven dat Elvis nog leeft. Ouallah! Echt. Ik zal je vertellen waarom. Luister vriend. Ten eerste omdat de kans dat Elvis leeft vele malen groter is dan de kans dat Allah de grootste heeft. Sorry, ik bedoel: de grootste is, dat Allah de grootste ís. En ten tweede, luister je? Ten tweede, en dat is veel belangrijker: ze vliegen niet met Boeings flatgebouwen binnen terwijl ze schreeuwen: ‘The King is alive!! The King is alive!!’ Snap je? Saghbie. Vriend. Een stelletje fascistische idioten, dat zijn jullie. Met de nadruk op idioten. En op fascistisch. Ja dat hoor je goed, jullie zijn fascisten. Religie is fascisme. Eén volk, één waarheid, één Führer. Moslim betekent toch ook onderworpen aan God, of zoiets. Ja toch? En niet-moslims zijn voor jullie ongelovige honden en hoeren die met het hoofd naar beneden van hoogste flatgebouw gegooid moeten worden, nietwaar? Wat zeg je? En daarna moeten ze gestenigd worden? Nou goed, je moet altijd op zeker spelen. Hè? Watte?  Wat is zo’n flatgebouw anders dan een varkensschuur als er geen gelovigen in wonen? Ik hoor het je zeggen. Maar dat is toch een beetje het Übermensch-Untermensch idee of niet? Ja toch, niet dan? Jij mij begrijpen? Nee? Ja, is ook moeilijk. Is Duits. Net als Nazi. Na-zi! Ik zeg, jullie verschillen in niets van nazi’s. Jullie hebben in ieder geval net zo’n hekel aan joden. Hoe formuleerde jullie virtuele Führer het ook al weer? De Dag des Oordeels zal niet komen voordat de moslims de joden doden. Zoiets toch? Dus dat is het verschil niet. En het vrijdagmiddaggebed in de moskee, weet je, waar jullie allemaal je in de djellaba gehulde dikke kont naar het Westen keren, dat is gewoon net zoiets als een zaal vol nationaalsocialisten die de Hitlergroet brengen. Vind ik. Ja, dat vind ik. Ik zie het verschil niet. Daar hoef je het niet mee eens te zijn. Hoeft helemaal niet. Boeien. Het is een vrij land. Nog wel. Er zijn ook gematigden, zeg je? Wacht, ik ken een goeie. Luister. Wat is het verschil tussen een fundamentalist en een gematigde moslim? Nou? Nou?! Een gematigde moslim is een fundamentalist van wie de kogels op zijn. Hahaha… Van wie de kogels op zijn… Goeie hè? Maar serieus, voor mij is een gematigde moslim dus net zoiets onzinnigs als een gematigde neonazi. Zie je het voor je? Eentje die zegt dat je wat er in Mein Kampf staat niet letterlijk moet nemen, dat Hitler het niet zo kwaad bedoelde met die joden en zo. En dat de treinen toch maar mooi op tijd reden. En dat Hitler ook aardig was voor zijn hond. Dat is trouwens echt zo. Ouallah. Ik zweer. Hitler hield van herdershonden. Wist je niet hè? Weer wat geleerd. Allah niet hè? Allah die houdt niet zo van honden hè? Nee. En niet van varkens. Wel van schapen. Volgzame schapen vooral. Trouwens nu we het daar toch over hebben, dat offerfeest van jullie van een paar weken geleden… Bismillah! Dat is toch ook totaal van god los? Vind je niet? Schapen bij vol bewustzijn de keel oversnijden om ze daarna langzaam dood te laten bloeden om een door een zelfverklaarde profeet verzonnen god tevreden te stellen… Zeg nou eerlijk, dan ben je toch de weg kwijt? Of niet soms? En dat zijn dan de gematigden! In welk jaar leven jullie eigenlijk?! Draait de aarde al rond zon bij jullie of niet? Doen jullie er trouwens ook een regendans bij? Dat zou een leuk gezicht zijn ja. Ik zie het al helemaal voor me! Wat zeg je? Jullie strooien wel zout tegen boze geesten? Dat zijn sjoens, zeg je? Oké… Stelletje bijgelovige malloten...’ Na een uur of anderhalf door de stad gedwaald te hebben kom ik aan bij mijn hotel. Ik bel aan. De portier komt uit z’n kantoortje gelopen en kijkt me aan van: Wat moet jij nou? Door de krakende intercom hoor ik: ‘Hoe heet je? Kamernummer?’ Goeie vraag. Ik zwaai met mijn keycard. Maar pas als blijkt dat mijn naam in zijn computertje op de desk voorkomt laat hij me binnen. ‘Goede avond meneer.’ ‘Val dood.’ Kankerlijer. Even later zet ik de tv aan, neem een paar kleine flesjes drank uit de minibar en ga op bed liggen. Ik stop met zappen als ik een goede film tegenkom. Heist. Met Gene Hackman. Ken ik al. Ze zitten in het busje klaar voor de grote overval op het vliegveld. Ik zet het geluid harder. ‘Maybe you want to say a prayer?’ ‘I’m not a religious man.’ ‘There’s nothing wrong with a prayer son.’ ‘You think so?’ ‘Listen, we knew this trooper who always carried a Bible next to his heart. We used to mock him with it. But that Bible stopped a bullet.’ ‘No shit.’ ‘Hand of God. That Bible stopped a bullet that would have ruined that fuckers heart...’ ‘Yeah?’ ‘Yeah. And had he had another Bible in front of his face that guy would be alive today...’ Ik grinnik. Blijft een goede grap. Maar wel toevallig dat ik precies op dit moment inschakel of niet dan? Als de film voorbij is schakel ik daarom dit keer niet over naar het pornokanaal, maar pak de hotelbijbel uit het nachtkastje en begin te lezen. Ik wil het weten. Wat er van waar is. Of er iets van waar is. Ik lees en lees. Maar het lukt niet. En ik doe echt mijn best. Serieus. Maar het lukt echt niet. En dat komt niet omdat ik dronken ben of moe, maar gewoon omdat het bullshit is. Van begin tot eind. Van Genesis tot Apocalyps. Net als de mensheid. ‘What the fuck heb ik hier nou aan!’ mompel ik, ‘De biografie van Jesus, jesus!’ Ik kan er met mijn verstand niet bij. Er loopt dus iemand door de woestijn te dwalen en te verkondigen dat hij de zoon van God is en maakt iedereen die het maar horen wil deelgenoot van zijn veredelde tegelspreuken en sterke verhalen. In de stilte starend naar het plafond kom ik tot de conclusie dat ik me dit met de grootste wil van de wereld niet kan wijsmaken. Zelfs niet in de wanhopige toestand waarin ik me nu bevind. Ik grijp naar de afstandbediening en schakel het pornokanaal in. ‘Kijk dat dan!’  Een kerel met een erectie waar je een boot aan kunt afmeren wordt enthousiast gepijpt door twee lekkere meiden die op hun knieën voor hem zitten. Een voor een nemen ze zijn enorme pik in hun mond. Ik zet het geluid iets zachter. ‘Oooh yeah! Suck it baby! Suck my cock! Oooh yeah!’ Dmeiden kreunen en je hoort zuigende geluiden. Hij knijpt hard in hun borsten. Eentje likt nu zijn geschoren ballen en daarna glijdt haar tong langs zijn pik omhoog. ‘Ooohh yeah!’ Maar mijn gedachten dwalen weer af. En Mohammed… Niet te geloven… Hij komt aanzetten met de Bijbel 2.0, met die extra clausule: eens een moslim altijd een moslim. Net zoals bij de Maffia: je mag braaf de bevelen van de grote baas opvolgen (die je ook nooit te zien krijgt), al je geld inleveren en het vuile werk opknappen, en je komt er levend niet meer weg. Slimme jongen die Mo. Zijn tijd ver vooruit. ‘Ooh yes, fuck me! Fuck me hard.’  Eén van de meiden ligt nu met haar benen wijd op bed en wordt hard genomen terwijl ze kreunt om meer. De ander moedigt die vent aan: ‘Fuck her hard! Harder!’ Ze is volgens mij allang blij dat ze er zelf niet ligt. Het is gewoon gevaarlijke onzin. Want voor je het weet staan ze tegenover je met kromzwaard en Kalashnikov. Want de laarzen marcheren weer, maar dit keer gaan ze gehuld in kaftans en blijven verborgen achter baarden. Ken uw vijand. Het gaat in deze wereld om aantallen en pistolen, en de club met de meeste bepaalt welke kleur wit heeft. En idioten tellen voor twee in  dit soort vergelijkingen. Ik geloof dat er cumshot aan zit te komen. De meiden zitten allebei voor hem, met de mond open en moedigen hem aan. 'Yes! Come in my face baby!’ Die gast trekt zich af voor hun gezicht. Eentje likt haar lippen, de ander steekt haar tong uit.  ‘I want to taste it.’ Hij trekt een moeilijk gezicht… Ik drink het laatste miniflesje sterke drank in één teug leeg en verslik me bijna. Simpele antwoorden op vragen waar helemaal geen antwoord op mogelijk is, dát is religie. Ik proest. Zoals een hond zijn eigen spiegelbeeld niet eens herkent, laat staan iets van een piano begrijpt zo zitten wij met z’n allen het heelal in te staren. En te blaffen naar ons eigen spiegelbeeld. De mens kan de werkelijkheid waarin hij leeft gewoon niet bevatten, filosofeer ik. En waarover men niet spreken kan, daarover moet men zwijgen. Ik laat een boer. Daarna scheur ik een paar pagina’s uit de Bijbel en smijt ze richting prullenbak. Mis.

 

‘Aaahh!!’  gromt die kerel. En ja hoor. Alsof er een pak yoghurt is omgevallen. De blondine heeft haar hele gezicht onder zitten. Natuurlijk begrijp ik het wel. De vraag naar antwoorden en het verlangen naar troost. Dat ken ik maar al te goed. Net als ieder ander. Het zou wel verrekte makkelijk zijn als ik mezelf zou kunnen wijsmaken dat God bestaat. God die er altijd voor me is, die me kent, alles van me weet en desondanks van me houdt. Bij wie ik kan uithuilen, en die me al mijn zonden vergeeft… God als denkbeeldige vriend. Handig. Verleidelijk… Later die nacht, als de pornofilms voorbij zijn, de minibar leeg is en de vloer bezaaid is met lege flesjes, borrelnootjes en tissues, en de Bijbel een aanzienlijk aantal pagina’s mist die nu waarschijnlijk de riolering verstoppen, pak ik de paperback van Herman Brusselmans erbij die ik een paar dagen geleden heb gekocht. In de hoop houvast te vinden. Want Herman was vroeger een held voor me. Hij schreef voor verschoppelingen als ik. Ik lees: …Pitface beweegt zich in een vreemde tijd, in een merkwaardige ruimte. De kernvraag van zijn voortjakkerende bestaan - de liefde, waar blijft in godsnaam de liefde? - is onbeantwoord gebleven… Ja man, waar blijft de liefde?! En hoe zit het eigenlijk met de liefde? Is dat ook niet meer dan wat serotonine, adrenaline en testosteron dat door je bloed stroomt om te verzekeren dat je je genen gaat doorgeven? Zijn we eigenlijk niet meer dan de wegwerpverpakkingen van onze genen en is de liefde dus net zo zinloos als het leven zelf? Is het niet meer dan een roes? Zoals die van cocaïne? En zou je dus net zo goed zonder de liefde kunnen als zonder coke snuiven? Maar hoe kan het  dan dat je al er naar verlangt ook als je het helemaal niet kent? Vragen. Vragen. En nog eens vragen. Maar bij heldere momenten is het antwoord geen mysterie. En die heldere momenten dienen zich vreemd genoeg vaak aan als ik dronken, uitgeput en door God verlaten ergens ben gaan liggen of neer gevallen. Zo’n moment is nu… Aan het einde van deze nacht werkt het cynisme niet meer. Ik kan mezelf niet langer wijsmaken dat ik niemand nodig heb. Of dat het ik-tegen-de-rest is, en dat dat mooi is, en dat ik het iedereen wel eens effe betaald ga zetten. Ik kan mezelf niet langer wijsmaken dat ik de tijd van mijn leven heb als ik rondzwalk in hoerenbuurten. Ja oké, ik ben banken uitgelopen met een rugzak vol geld en ik kan net zoveel sex hebben als ik wil, en ook nog met de mooiste en meest sexy meisjes die er zijn, maar wat koop ik daar godverdomme nou helemaal voor?! Het is niet meer dan een achterhoedegevecht. Een tweedehands leven. Ik weet maar al te goed waar alles om draait. Liefde. Ik zou het allemaal inleveren voor een klein beetje liefde. Ik wil er toe doen. Voor iemand. Eén iemand maar. Dat is genoeg. Want als ik hier vanavond sterf, lokt het alleen een vloek uit van het kamermeisje dat de rotzooi moet opruimen. Meer niet. Ik voel tranen opkomen, glij van het bed, mompel ‘Dit is geen leven…’ en zak op mijn knieën. Jankend. Ik vouw mijn handen. Ik snik. Ik smeek. ‘God, geef me één dag waarop ik voel hoe het is dat iemand van me houdt. Eén dag… Please… Dat is alles wat ik vraag.’

Carmen

‘…You do something to me, something deep inside…’

- Paul Weller -

Antwerpen. Een afgelegen industrieterrein. Ik loop in mijn blauwe overall die net een maatje te groot is, en veiligheidsschoenen met versleten neuzen de fabriekshal in. Het lawaai is bedrukkend. De zware machines in de enorme hal stampen ritmisch grote rollen staaldraad tot boutjes en moertjes. Een collega die al weer aan het werk is, roept iets naar me. Ik versta hem niet. ‘Watte?!’ Hij roept nog een keer, maar het geluid gaat verloren in de herrie. Ik steek mijn duim op en glimlach, en loop verder naar mijn werkplek. Ik moet kratten op de lopende band van een installatie zetten die de olie van de moeren spoelt. Daarna gaan ze de gloeiend hete oven in, die de godganse dag staat te loeien. En in de pauze zit iedereen stil voor zich uit te staren in de kleine kantine, versuft lijkt het wel. Zoals net. Maar wat valt er ook nog te zeggen. Niks meer. Toen ik hier begon kon ik na een week niet meer tot tien tellen. Na een maand wist ik mijn naam niet meer. En nu zijn we een half jaar verder. Mijn Nissan Vanette is kapot en staat te verroesten langs de kade van de Schelde. Ik heb onderdak gevonden in een pension: Bed, bureau, kast, keukentje en toilet, alles op minder dan twintig vierkante meter. ‘Perfect,’  zei ik toen ik het voor de eerste keer te zien kreeg. Niet veel groter dan een gevangeniscel… dacht ik bij mezelf. Maar het was goedkoop en ik had niet veel meer nodig. Alleen de sporttas met kleren is van mezelf. Déjà vu. Ik zet de eerste metalen bak op de band en veeg het zweet nu al van mijn voorhoofd. Het is zomer. En benauwd. Ik ben hier in Antwerpen terecht gekomen toen mijn geld voor Hotels&Hoeren verbrast was. In eerste instantie heb ik gewoon een baantje gezocht, maar ik kwam nergens voor in aanmerking. Papieren die ontbraken of zoiets. Daarom ben ik begin 2002 noodgedwongen het geld nog één keer wezen halen waar  het zit. Het trucje kende ik onderhand wel. Ik werd dit keer alleen uitbetaald in euro’s en de kassier van de ABN Amro in het centrum van Breda had de handen in de lucht gestoken, maar pas nadat hij zijn ronde Youp van ’t Hek-brilletje terug op zijn neus had geschoven, net als in een slechte Western, maar afgezien daarvan was er niets grappigs meer aan. Het heeft al zijn charme verloren. En dat het restaurantje waar het pension boven gevestigd is, Boven de Wet heet, is ook al niet meer geinig. Zelfs niet nu er ook advocaten en rechters komen lunchen en ze er schuin tegenover een enorm justitiepaleis aan het bouwen zijn. En zoals ik twee jaar geleden, toen ik naar Spanje vertrok, heel de papieren rompslomp aan de straatkant heb gezet, zo heb ik nu mezelf in zekere zin bij het vuilnis gezet. Want de cd’s van Metallica en Monster Magnet zijn de deur uit. Net zoals dat hele ik-tegen-de-rest-fuck-the-world-gedoe. Het bomberjack en de merkloze versleten spijkerbroek zijn ingeruild voor een zwarte Levi 501, een mooie witte blouse met stijlvolle blauwe streepjes en een licht spijkerjack. De C&A casual look. En toen ik ook nog naar de kapper was geweest, ging ik helemaal op in de massa. Voor het eerst merkte ik hoe gemakkelijk het leven kan zijn als je je aanpast en met de stroom mee drijft. Geen starende blikken, geen beledigingen meer. Zelfs af en toe een glimlach van een meisje: Krijg nou wat! Heel mijn leven zien ze me niet staan, een heel leven lang vernederd en nu… Nu het niets meer uitmaakt en het allemaal te laat is… Ik zie er zeker uit alsof ik ook een leuk appartementje heb met allemaal nieuwe spulletjes en een blinkende auto voor de deur… Hoerrr! Maar ondanks de voordelen ga ik toch echt niet aan de rest van dat hele idiote circus meedoen. Ik zie mezelf al sparen voor een breedbeeldtv of een glanzende middenklasse wagen met verchroomde dubbele uitlaat, pfff… Met een grote peniskoker in de rondte paraderen zou niet minder absurd zijn. De eerste bak komt alweer van de loopband. Ik ben helemaal niets meer. Vraag me welke muziek ik mooi vind en ik kan je geen antwoord geven. Politieke overtuiging? Ik zou het niet weten. Wat ik zou doen als ik nog maar één dag te leven had? Als ik een miljoen zou winnen? Als ik één wens mocht doen? Ik zou het bij god niet weten. Er is nog maar één puzzelstukje van me over. En ik ben erachter gekomen dat niets meer te verliezen hebben niet zo erg is. Niets meer te winnen hebben, dát is pas erg. Geen illusies meer. Heel mijn leven heb ik gewacht op datgene waar iedereen eigenlijk naar op zoek is, naar verlangt en soms zelfs om smeekt: die arm om je heen, die aai over je bol en de woorden: ‘Kom hier, het is goed zo, ik hou van je.’ Vaak genoeg ben ik door mijn knieën gezakt als het te lang uitbleef. Ik herinner me Puerto Banús nog maar al te goed. Of de laatste keer, met de Bijbel in mijn hand. Maar steeds ben ik weer overeind gekrabbeld, me vastklampend aan dat kleine beetje hoop. Op dat kleine beetje liefde. Dat was alles wat mijn hoofd boven water heeft gehouden. Maar de hoop is verdwenen. Niemand kent me. Niemand wil me. Ik doe er niet toe. Voor niemand. Dus gewoon doorzwoegen tot de zoemer gaat. Een troosteloos bestaan tot je dood neer valt. Vanavond maar weer eens naar De Zevende Hemel, mijmer ik, terwijl ik naar de oven loop, de deur openschuif en terugdeins voor de hitte. De week zit er tenslotte bijna op. De Zevende Hemel, een verlopen kroeg in het Schipperskwartier. Vierentwintig uur per dag open. Zeven dagen in de week. Dus vol alcoholisten en kleine criminelen, vrachtwagenchauffeurs en verdwaalde toeristen, Afrikanen die nepgoud en kermisRolexen proberen te slijten, een paar illegale prostituees uit Congo of Ghana en andere randfiguren. Maar ze hebben er donkere rum en een jukebox. En die is gevuld met muziek van Guns ’n Roses, Golden Earring, The Eagles, The Police, The Doors, Bob Marley en meer van die klassiekers. En ze laten je er tenminste met rust. Je kunt gewoon rustig dronken worden. Sterker nog, al flikker je compleet lazarus van je kruk, ze kijken niet op of om. Een schouderophaal en ze gaan verder waar ze gebleven waren. Al heb je wel kans dat je portemonnee verdwenen is als je bijkomt. Vorige week heb ik daar nog in mijn eentje mijn verjaardag gevierd.‘Gefeliciteerd ermee…’ mompelde ik terwijl ik het glas ophief richting het spiegelbeeld dat ik achter de bar tussen al de flessen sterke drank ontwaarde. De drank is ook de enige manier voor me om weer iets te voelen. Al zijn het niet de mooiste emoties die boven komen drijven. Maar ik verwelkom ze. Als een oude vriend. En strompelend en vloekend op de terugweg naar mijn pension trekken we eens in de zoveel tijd gebroederlijk een spoor van vernieling door van al die verchroomde statussymbolen de zijspiegels er af te trappen of de portieren onder te pissen. Later die avond. In half beschonken toestand verlaat ik om een uur of twaalf het café en loop richting de rode gloed. Ik loop langs de Gouden Hoek en kijk op naar het vrouwelijk schoon. Het is druk en ik moet uitkijken dat ik niet tegen iemand aan loop. De Vingerlingstraat. Onbewust wordt mijn blik naar rechts getrokken. En nog voordat ik me echt realiseer wie er voor me staat gaat er een schok door me heen. Alsof er een springlading te vroeg afgaat. Dan zie ik wie het is. Carmen! Carmen? Wat doet zij hier? ‘Amai!’ Ik ben verrast, blij, geschrokken en ik weet niet wat ik allemaal nog meer voel. Dit is het mooiste weerzien uit mijn leven. Het mooiste verjaardagscadeau ook. Net een week te laat, maar toch. Wow! Ik loop glimlachend naar haar toe. Nu ziet ze mij ook en opent de deur met een glimlach. Dé glimlach. ‘Alles goed?’ vraagt ze. ‘Nu wel meisje.’ Nu wel. Ze maakt alles weer goed. Het is erg lang geleden dat ik haar gezien heb, maar ze is eigenlijk nooit uit mijn gedachten verdwenen. Dit lijkt een geschenk uit de hemel. Niet veel later zit ze boven op me. Ik bekijk haar bewonderend terwijl ze langzaam op en neer beweegt. Als ze het merkt stopt ze en kijkt me aan. Eerst vragend, van: ‘Wat kijk je nou?’ Maar als ze de adoratie in mijn ogen ontdekt, is ze verrast en lijkt even te schrikken. Het lijkt of ze niet goed weet hoe ze moet reageren, maar ze wendt haar blik niet af. Dan verschijnt er een voorzichtige glimlach op haar gezicht. En even is de façade verdwenen, even is er echt contact. En zitten we echt naakt tegenover elkaar. Ik glimlach terug. Het moment duurt maar een paar seconden, en er is geen woord gesproken, maar tegelijkertijd is hier alles gezegd. ’Hé schoonheid!’ Ik hoor het mezelf zeggen. En schrik als ik plots realiseer waar ik ben. De werkweek is weer begonnen. Ik sta weer in die lawaaiige fabriekshal aan de lopende band. Ik kijk om me heen of iemand het gehoord heeft. Gelukkig niet. Niemand in de buurt. Ik stond te dagdromen. Dromend over een ander leven. Sinds die eerste ontmoeting denk ik steeds vaker aan haar. Heb zelfs al nachten wakker gelegen. En steeds als ik haar voor me zie verschijnt er een glimlach op mijn gezicht. Voor het eerst van mijn leven krijgen liefdesliedjes betekenis voor me. Nu pas voel ik waar ze over gaan. Ik zet een nieuwe krat op de lopende band. Er is ook steeds meer dat me aan haar doet denken. Een stem. Een gezicht. Een stralend blauwe lucht. Ik word langzaam verliefd op haar. Dat wil zeg-gen, ik laat het langzaam toe. Een zwoele zomeravond. Ik ben zenuwachtig en controleer of ik het singletje Supergirl van Reamon niet vergeten ben. Nee. Ik zweet. Ik had het spijkerjack niet moeten aantrekken! verwijt ik mezelf. Ik hoop maar dat ze er is! Verzonken in gedachten, loop bijna onder een auto, deins terug, wacht tot de auto’s voorbij zijn gereden en steek dan de straat over richting het Schipperskwartier. Ik ga haar het single-tje geven om duidelijk te maken wat ik voor haar voel. Ze moet het ongetwijfeld al gemerkt hebben de afgelopen keren, maar als ze het liedje hoort zijn alle misverstanden de wereld uit. Ik hoop maar dat ze het mooi vindt. De twijfel slaat toe. Ben ik niet gewoon klant nummer zoveel voor haar? Ondanks alles? De blikken, de lichaamstaal, haar glimlach. Het heeft me het idee gegeven dat ik misschien, heel misschien, wel een kans maak. En dat terwijl ik toch uitermate sceptisch ben op dat gebied. Ik kan altijd zo duizend redenen geven waarom het niets wordt. Zoals ik mijn hele leven automatisch al doe:  ‘Ze wil me toch niet’, ‘Het wordt toch niets’, ‘Ze vindt me vast niet  interessant genoeg’, ‘Ik heb niemand nodig’ Als een soort mantra heb ik dat altijd opgezegd. Waardoor alles bij voorbaat gedoemd was te mislukken en ik iedereen op afstand hield. ‘Of zie ik het toch allemaal verkeerd?’ mompel ik zachtjes voor me uit, terwijl ik weer een paar snelle stappen moet zetten om een tram voor te blijven. Let toch op jongen! sommeer ik mezelf. Heeft de liefde me nu al blind gemaakt? Toch die twijfel. Die raak je niet meer kwijt. Dat is ooit begonnen op het schoolplein en daar kom ik niet meer van los. Ik besluit het er maar op te wagen en loop stevig door. ‘Dit is het gevaarlijkste dat ik ooit gedaan heb in mijn leven!’ zucht ik. Een bank beroven is makkelijker. Serieus. Maar je leeft maar een keer. Als ik het niet zou riskeren zou ik eeuwig spijt hebben. Simpel zat. Toen ik me moed in had gedronken - ook nog nooit vertoond - en naar haar toe was gegaan durfde ik het toch niet meteen te geven. Daarom heb ik het na afloop stiekem op bed gelegd toen we de kamer verlieten. Ik moest gewoon twee weken geduld hebben. ’Dit…’ Ik druk op de groene knop waardoor de ketting met de grijper langzaam naar beneden zakt. Als hij op de metalen bak ketst, die gevuld is met zeker 30 kilo moeren, trek ik de hendel naar voren waardoor hij zich vastklemt. Als ik op de rode knop druk komt de bak langzaam en slingerend omhoog. ‘Is…’ Ik duw hem richting de lopende band, laat het geheel zakken en druk op de knop van het bedienings-paneel waardoor de krat langzaam richting de lawaaiige machine vervoerd wordt, waar de inhoud zodadelijk met allerlei bijtende chemicaliën ontvet wordt. ‘Geen…’ Het geluid van de centrifuges en de kilo’s bouten en moeren die in metalen trommels gekiept worden is zo hard dat een radio geen zin heeft en een mp3-speler mag niet.  ‘Vanwege de veiligheid’. Met die herrie zal ik het dus moeten doen. Mijn oren piepen ervan. ‘Leven…’ Nu til ik met de grijper een bak die uit de machine komt van de lopende band en plaats hem op een pallet. En kijk op de klok. De laatste keer dat ik dat deed moet toch minstens een uur geleden zijn, vermoed ik. Tot mijn grote verbijstering zie ik aan de andere kant van de hal dat er pas een kwartier voorbij is. Dan weet je dat je een echte klotebaan gevonden hebt: als de tijd lijkt stil te staan. Met afgrijzen denk ik hoeveel eeuwen het nog duurt voordat het weer weekend is en ik uit deze kerker bevrijd ben. Nee, serieus, dit is geen leven… Toen ik na veertien dagen in spanning te hebben gezeten haar weer zag en haar zenuwachtig en voorzichtig vroeg wat ze van het cd-tje vond en of ik haar niet een keer met kleren aan zou mogen zien - wat ik zelf toch een vrij originele openingszin vond - zei ze: ‘Ik hou werk en privé liever gescheiden.’  Het klonk een beetje als een standaard zinnetje, dat ze al veel vaker gezegd had. Oké dan. Ik ben dus toch klant nummer zoveel. Al heeft ze het netter geformuleerd. Het zal eens een keer meezitten zeker… Maar ik heb het in ieder geval geprobeerd. Met die gedachte probeerde ik mezelf op te beuren. Ze had me ook een beetje meewarig en verbaasd aangekeken toen ze zag dat het me echt wat deed. ‘Ach, weet je,‘ zei ik, ‘als je ja had gezegd, dan was ik pas écht zenuwachtig geworden. Dat was pas echt een ramp geworden’ 

Glimlach.

’…I’m hanging on the wire, waiting for the change…’

- Paul Weller -

Toch kreeg ik haar maar niet uit mijn hoofd gezet. Dus af en toe waagde ik nog een voorzichtige poging, een beetje tussen neus en lippen door: ‘Kunnen we het toch niet gewoon een weekje proberen…?’ ‘Wat?’ ‘Jij en ik. Gewoon proberen… Kijken of het klikt…Wie weet wordt het wat… Nee? Weet je wel dat wij samen hele mooie kinderen zouden krijgen? Met jouw uiterlijk en met mijn IQ. Ja, alleen als het andersom is, wordt het een ramp, dat ze mijn uiterlijk krijgen en jóuw… Grapje, meisje… Maar serieus, we zouden het gewoon moeten proberen vind ik… Toe nou… Oké dan, weet je wat, dan blijf je gewoon voor altijd mijn droommeisje. Een onmogelijke liefde. Dat is misschien maar beter ook, want alles valt tenslotte tegen in het echt.’ ‘Het is geen onmogelijke liefde, alleen…’  Ze maakte haar zin niet af, en maakte mij daarmee helemaal gek. Ik deed ook mijn best iets te vinden waarop ik zou afknappen, een excuus. Maar zelfs als ik haar dronken, en misselijk voor me zag, voorover gebogen over de toiletpot met uitgelopen mascara, dan nóg vond ik haar mooi. ‘Je bent het mooie kotsende meisje,’  zei ik tegen haar, Herman Brusselmans citerend. ‘Wat zeg je?’ ‘Niks, laat maar.’ Ze is niet gewoon mooi, ze is… ‘Nee-ee, wat zei je nou?’ ‘Je bent afschuwelijk mooi meisje.’ Uiteindelijk, ik geloof dat we bijna een jaar verder waren, ook omdat ze er een tijdje tussenuit was geweest, vertelde ik haar maar dat ik haar wilde vergeten. Dat zou makkelijker zijn. Simpeler. Logischer. Want zo kon het niet doorgaan. ‘Alsjeblieft meisje, zorg dan dat ik je kan vergeten. Als je me niet wil, oké, maar doe dat dan voor me. Je moet me niet meer aankijken met die mooie ogen van je. En doe ook een beetje onaardig tegen me. Zoals de rest doet, gewoon afstandelijk. Please. Ik kan er niet meer tegen, echt niet.’ Zo dat was gezegd. ‘En zeg me ook maar niet meer wanneer je weer komt werken.’ Ze was me express blijven aankijken en bij het afscheid gaf ze me een kus op mijn wang en ze zei: ‘Donderdag over twee weken ben ik er weer.’  Met een brede grijns. Donderdag. Twee weken later. Ik was haar bijna voorbij gelopen, tot ze mijn aandacht trok door met haar armen te zwaaien en tegen de ruit te tikken, iets dat ze normaal nooit doet. Alsof ze bang was dat ik haar voorbij zou lopen. ‘Hé schoonheid.’ Ik krijg een kusje op mijn wang en daarna loopt ze voor me uit naar het peeskamertje. Ik merk dat ze een beetje huppelt, alsof ze zenuwachtig is. Ze zal wel een Redbull gedronken hebben, denk ik bij mezelf, wetende dat ze geen drugs gebruikt en me verheugend op de sex. Ik heb me vandaag voorgenomen gewoon ongegeneerd te gaan genieten van haar goddelijke lijf. Want ze mag dan van die prachtige, mysterieuze ogen hebben en een betoverende glimlach, ze heeft ook het lijf van een sexgodin. Maar net als ik mijn spijkerbroek los wil knopen begint ze te vertellen over de opleiding die ze is gaan volgen, laat me foto’s zien. En ze vertelt nog veel meer.  ‘Oja…? Oké... Echt waar…?’ Binnen de kortste keren weet ik bijna alles van haar. Maar ik wist eigenlijk al alles van haar. Alles wat ik moet weten in ieder geval. Na vijftien minuten zijn we nog aan de praat en ze vraagt wat ik dan doe, hoe mijn leven eruit ziet. ‘Gewoon, in een fabriek… Pension… Nee, geen auto… Getrouwd? Ikke?! Een vriendin? ehm…’ Ik zit naast haar op bed en bekijk haar terwijl ze vrolijk verder praat. En plots realiseer ik me dat zij mij eigenlijk het beste kent van iedereen. ‘Er heeft mij nog nooit iemand een cd-tje gegeven,’ hoor ik haar zeggen. ‘Heb je het nog niet weggegooid dan?’ vraag ik, ‘Je vond de muziek toch niet mooi? Je houdt toch meer van Dance?’ ‘Ja… maar ik heb ‘em nog.’ ‘Echt? Ik geloof er niks van.’ Ik kan me moeilijk voorstellen dat als ik klant nummer zoveel ben dat ze het bewaard heeft. En vraag  me af hoe ik dit nu allemaal weer moet interpreteren. Als ze merkt dat ik ook niet zo goed meer weet wat ik moet zeggen, staat ze op van het bed, gaat voor me staan en zegt: ‘Kom, kleed je uit.’ En wat volgt is even banaal als bijzonder. ‘Hé, hier ben ik! Kijk me eens aan,’ zegt ze verwijtend. Mijn ogen glijden van haar venusheuvel over haar buik en borsten en als tot me doordringt wat ze zegt kijk ik haar even aan en glimlach. Dan kijk ik weer naar haar benen, heupen, handen… Ze is mooi tot in detail. Zelfs haar knieën zijn mooi. Ik kan haar niet meer in de ogen kijken. Dan wordt het te ingewikkeld. Zeker nu. Als ik nu naar haar kijk dan word ik weer op slag verliefd. En daarvoor ligt de afwijzing toch iets te vers in het geheugen. Dus mijn handen en ogen glijden over haar lichaam terwijl ze met haar rug op bed ligt en haar benen losjes om mijn heupen heeft geslagen. Dit standje waarbij ik naast het bed sta is ideaal om haar te bewonderen. Ik kan haar bekijken van top tot teen. Ik kan zelfs de tattoo op haar rug zien als ik haar op haar zij draai. Ik raak zachtjes de buitenkant van haar bovenbeen aan om aan te geven dat ze zich op haar zij moet draaien. Ze beweegt meteen haar been omhoog, voor mijn gezicht langs en gaat op haar linkerzij liggen. Ik beweeg langzaam heen en weer terwijl ik zachtjes haar onderrug en billen streel. Als ik even later met mijn hand zachtjes de binnenkant van haar dij aanraak draait ze zich meteen weer om. ‘Het is net tiptoets bediening,’ zeg ik, terwijl ik haar even aankijk. ‘Ik raak je maar heel even zachtjes aan en je doet meteen… Kijk…’ En weer beweegt ze haar benen in de gewenste richting. ‘Ik weet toch wat je wilt,’ zegt ze. Er valt heel even een stilte, dan zeg ik zachtjes terwijl ik van haar wegkijk, ’Je zou eens moeten weten wat ik wil…’ Maar om het niet te serieus te laten worden, zeg ik er achteraan: ‘Maar kun je niet een beetje tegenwerken, gewoon dat ik er een beetje moeite voor moet doen?’ Speels klemt ze haar benen om mijn middel. ‘Zo?’ ‘Nee, ik kan nog alle kanten…’ Meteen versterkt ze haar grip, zodat ik geen kant meer op kan en me niet meer kan bewegen. Ze heeft veel kracht in haar benen, merk ik. Dat heeft ze waarschijnlijk te danken aan het kickboxen. Net zoals haar sportieve, slanke figuur. Ik denk even terug aan de vorige keer toen ik haar borsten vast hield en gevraagd had of ze echt waren. ‘Ik heb daar geen verstand van meisje,’  was mijn antwoord op de vraag of ik dat niet kon voelen dan. Perfect waren ze, dat is wat ik wist, meer niet. Toen had ze haar borsten opgetild en gezegd: ‘Kijk hier dan, zie je dat?’ Ik zag een smalle, roze streep littekenweefsel precies in de plooi. ‘Maar bij deze zie ik het wel, bij die niet.’  Kwam door het kickboxen. Ze had er eigenlijk mee moeten wachten tot het helemaal genezen was voordat ze ging sporten. Dat had ze niet gedaan en ze had er een klap op gehad.  'Ja joh? Weet je, ik hou helemaal niet van fake, maar er zijn twee uitzonderingen… Je linker- en je rechterborst.’  Al had ze maar één borst gehad. Ik ben Kluun niet. Ze kijkt me uitdagend aan. En glimlacht dan. ‘Hoe lang heb ik eigenlijk nog?’ vraag ik als ze me wat meer bewegingsruimte heeft gegeven. ‘Ik zeg wel wanneer het tijd is.’ ‘Maar je hebt vandaag je horloge niet om meisje, hoe kun je dan…?’ ‘Ik heb een klok in mijn hoofd en als het tijd is gaat het alarm af.’ ‘Hoe klinkt dat dan?’ Heel schattig laat ze het horen. ‘Oh, oké, maar dan druk ik toch gewoon op snooze?’ Mijn rechterhand glijdt richting haar stijve linkertepel en ik druk die met mijn vlakke hand zachtjes in. Giegelend duwt ze mijn hand weg. ‘Of,’ en ik laat een pauze vallen, ‘ik zet gewoon de volumeknop zachter.’ Terwijl ik dat zeg pak ik voorzichtig haar rechtertepel tussen duim en wijsvinger en maak aanstalten om mijn hand te draaien. Met een giegelend en voorbarig ‘Aaahh!!’ probeert ze mijn hand weg te duwen. ‘Aha, het is dus wel degelijk de volumeknop!’ Stoeiend en wel probeert ze zich los te woelen. Daarbij komt ze half overeind. Ik pak haar polsen vast en duw haar terug in het grote rode kussen, waarbij ik op mijn beurt half over haar heen kom te hangen. Onze gezichten zijn nu dicht bij elkaar. Onze monden zijn nu dicht bij elkaar. Onze blikken kruisen en blijven hangen. Haar pupillen zijn groot. De mijne ongetwijfeld ook. En ze heeft rode wangen gekregen. Ik sta in vuur en vlam. Stilte. Zal ik? Mag ik? Durf ik… Een stiekeme kus en dan… Op hetzelfde moment weet ik dat ze weet wat ik denk. Ik twijfel. Die eeuwige twijfel. Dan klemt ze haar benen weer om mijn middel. Als ik haar polsen loslaat komt ze glimlachend overeind. Het leek er heel even op of zij ook getwijfeld had, getwijfeld of ze zelf dan maar het initiatief zou nemen of niet… Het zijn dit soort momenten dat ik me afvraag wat er nou precies gebeurt. En waar we zijn, de peeskamer of haar slaapkamer. Ik ben al weer bijna aangekleed als ik haar hoor zeggen: ´Zal ik je mijn telefoonnummer geven?’ ‘Watte?’ Ik dacht dat ik het niet helemaal goed verstaan had. ‘Wil je m’n telefoonnummer hebben?’ Ik denk even na. ‘Nee joh, hoeft niet,’ antwoord ik. Wat moet ik met haar telefoonnummer? Ze wilde werk en privé toch uit elkaar houden? Waarom moet ze het dan nu weer zo ingewikkeld maken? Kan ik eindelijk ongecompliceerde sex met haar hebben, begint ze zo… Als ik mijn spijkerjack aantrek en aanstalten maak om te vertrekken, roept ze: ‘Wacht even!’, huppelt terug, pakt iets uit haar tas naast het bed en schrijft met een mascarastift iets op een stuk keukenpapier. Ik sta al bij de deur, klaar om te vertrekken als ze me een schuchter kusje op de wang geeft en het stuk papier in mijn jaszak stopt. En in licht verwarde toestand verlaat ik het pand. Slenterend over de kinderkoppen langs de kade van de Schelde, op weg naar mijn pension, haal ik het papier uit mijn jaszak en lees onder het licht van een lantaarnpaal wat  er op staat. ’Carmen! Hé!’ Ze loopt in de verte. Ik versnel mijn pas. ‘Carmen!’ Ze ziet me niet. Hoort me niet. Ik roep harder. Ren harder. Maar ik moet door een mensenmassa heen om bij haar te komen. Ze lopen in de weg. Ik kom niet vooruit. ‘Ga aan de kant!’ Ik duw. ‘Weg!’ Ik worstel. ‘Carmen!’ Ze stopt. Draait zich om, en kijkt in mijn richting. Ik zwaai. Ze ziet me nog steeds niet. ‘Hier! Hier ben ik!’ Ik steek allebei de armen de lucht in. Maar ze houden mij tegen. De mensen. Grijpen mijn armen. Duwen me weg. ‘Nee!’ schreeuw ik, in paniek. Ga niet weg Carmen. Ze glimlacht. Ze is weg… Ik kijk om me heen. Iedereen is weg. Ik sta plotseling alleen in een donkere steeg. Een hond blaft. Het is koud. Waaar…? Dan word ik wakker. De dekens zijn half van me afgegleden. Ik sta op, doe het licht aan in de slaap- annex woonkamer annex keuken, en loop over het linoleum met het parketvloermotief naar de wc. Ik droom dus wel eens over haar. Niet vaak, maar ik droom sowieso niet veel meer. Meestal lopen die dromen dus niet goed af. Dan ben ik op zoek naar haar en kan haar niet vinden. Of erger, ik vind haar wel, maar ze gaat er vandoor. Een enkele keer heb ik gedroomd dat ik haar tegenkwam en dat ze naar me glimlachte en zwaaide. Zielsgelukkig was ik. ‘Waar bleef je nou?!’ Dat zijn van die zeldzame dromen waarin ik voel hoe het is om gelukkig te zijn. En die dromen maken dat als je weer wakker bent, je je realiseert dat er een ander leven mogelijk is. Een leven in kleur, een leven waarin er iemand van je houdt. En een leven waarin je zielsveel van iemand anders houdt. Ik zal van haar houden zoals niemand dat kan. Dat voel ik. Dat weet ik. Als ik haar zie. Als ik aan haar denk. En als ik van haar droom. Want Carmen is mijn droommeisje. Punt. Al vanaf het eerste moment dat ik haar zag in La Vie en Rose. Ik herinner me de eerste aanblik. Wow! Ze is een wow!-meisje. Als je die ziet dan kun je niet meer nadenken en dan kun je niets meer zeggen. Je gedachten vallen stil en je mond valt open. Je bent als door de bliksem getroffen. En dat beeld blijft op je netvlies gebrand, ook al is ze allang weer uit je gezichtsveld verdwenen. Kijk, je hebt ook gewoon hele mooie of hele sexy meisjes. Je hebt zelfs hele mooie sexy meisjes. De Playboy staat er vol mee. Maar wow!-meisjes staan er zelden in. Meisjes met dezelfde mond als Carmen vind ik mooi. Meisjes met dezelfde benen vind ik mooi. Meisjes die ook maar iets hebben dat me aan haar doet denken vind ik mooi. Alleen die glimlach ken ik alleen van haar. En het is nog erger: Ze blíjft ook een wow!-meisje. Misschien is dat het. Er zijn maar weinig meisjes die zo lang, zo mooi blijven. Zelfs na een afwijzing blijft ze mooi. En dat terwijl ik heel slecht tegen afwijzing kan. Maar haar kan ik gewoon niet weerstaan. Ik wil haar zien, haar stem horen en die glimlach… En elke keer als ik haar weer zie is ze mooier dan in mijn herinnering. Elke keer is er een soort van schrikreactie op het moment dat onze blikken elkaar kruisen. Ik schrik van haar schoonheid. En de hit van Jasper Stevelinck  die hier regelmatig op de radio te horen is, krijg ik ook maar niet meer uit mijn hoofd. When the evening shadows and the stars appear… And there ain’t no one to dry your tears… Voor het eerst van mijn leven voel ik het. I could hold you for a million years… I would go hungry, I would go black and blue… I would go crawling down the avenue… Voor dit meisje doe ik alles. Ik sterf voor haar als het moet. Serieus.  There ain’t nothing that I wouldn’t do… To make you feel my love… Ik denk dat ik zelfs in plaats van haar achter het raam zou gaan zitten om me te laten vernederen als het echt niet anders kan. Alles voor een glimlach en een kus van haar. Weet je wat, zeg ik tegen mezelf terwijl ik het licht weer uitschakel, morgen ga ik gewoon een mobieltje kopen, uitzoeken hoe die kolere dingen werken en stuur haar een sms-je:

Hallo schoonheid,
Het is moeilijk onder woorden te brengen
hoe mooi ik je vind. Je ogen,
je mond, je stem,
hoe je beweegt, je
glimlach…
Ik zou uren naar je kunnen
kijken.
En dat goddelijke lichaam van j
e, je bent mooi tot in detail.
En je doet iets met me. Ik moet vaak aan je denken.
Ik lig soms wakker van
je.
En je maakt me jaloers. Jaloers op
iedereen die jou zomaar kan bewonderen.
Op straat, in de tram, in de supermarkt. Ik verlang naar je.
Ik wil je…

Ik heb lang getwijfeld voordat ik uiteindelijk op send drukte. Maar de zenuwen waren voor niets. Er kwam geen antwoord. En toen ik met trillende vingers haar nummer intoetste werd ik doorgeschakeld naar de voice-mail. Ik staar naar de tv. Ik zie een soort party-tent op een fietspad staan en mannen in witte pakken die druk in de weer zijn. ‘Vanochtend, iets na negen uur, is regisseur en columnist Theo van Gogh in de Linnaeusstraat in Amsterdam onder vuur genomen. Van Gogh werd daarbij door zeven kogels getroffen…’ klinkt het uit de mond van de nieuwslezer, alsof hij een regenbui aankondigt. ‘Theo van Gogh… vermoord?!’‘Daarna sneed de dader ondanks een smeekbede met een kromzwaard de hals van Van Gogh door en stak het mes daarna diep in zijn lichaam. Met een ander mes werd een brief in Van Goghs buik geprikt…’ 'What the fuck?!’ ‘De dader is na een wilde achtervolging waarbij over en weer is geschoten gearresteerd. Het gaat om Mohammed Bouyeri, een Nederlander van Marokkaanse afkomst…’ ‘Vuile hond…!’ En plots zie ik beelden voor me van brandende moskeeën en standrechterlijk geëxecuteerde imams… Ik zet het tv-tje uit. Twee weken later. ‘Waarom heb je mijn sms-je niet beantwoord?’ Ik sta half in de deuropening en Carmen heeft de muziek al zachter gezet. ‘Ik mocht de telefoon niet opnemen…’ ‘Je mocht de telefoon niet opnemen?!’ ‘Nee,’ zegt ze zachtjes terwijl ze haar ogen neerslaat, ‘mijn vriend was er toevallig bij en pakte de telefoon af toen ik je berichtje las.’ ‘Je vríend?! Je had toch geen vriend?’ ‘Nee, nou… ehm…’ ‘Toch niet die gozer die jou hier altijd…?’ ‘Ehm…’ Dus toch. Ik had hem wel eens zien lopen. Die pooier van haar. Die gast met dat ‘matje’ in zijn nek, die hier altijd rondhangt als zij moet werken. Ik heb ze ook wel eens samen zien lopen. Ik kende hem van gezicht van de Redlight Bar. Waarschijnlijk heeft hij daar nog meer ‘vriendinnen’ werken. Ik dacht dat het een Marokkaan was. Blijkt een Turk te zijn. Same difference. Maar altijd als ik ernaar gevraagd had, zei ze dat het haar ex was, of haar chauffeur. Ze was er altijd heel vaag over. Maar een vriend dus… ‘Hij moet de gelukkigste man op deze wereld zijn.’ Ze glimlacht flauwtjes. ‘Wat heeft hij dat ik niet heb?’ vraag ik half als grap en half geïrriteerd, ‘Het lichaam van een bodybuilder? Bakken met geld?’ Ze vertelt me dat zij al het geld binnen brengt. ‘Ik heb al zoveel in hem geïnvesteerd…’ Ze zei het met een ondertoon van spijt en alsof ze nu geen andere keus meer had. Ik krijg het idee dat er niet echt sprake is van liefde. Dat kan toch ook niet? Waarom ze hem haar vriend noemt snap ik niet. Zelfs een verre vriend laat zo’n meisje niet achter het raam werken. Ik zou duizend doden sterven. Maar ik realiseer me dat het ook heel dubbel is allemaal, dat ik ook geen recht van spreken heb. Ik betaal haar immers om me te pijpen en te neuken. Dat is ook iets dat een echte vriend niet zou doen. Maar misschien bedreigt hij haar wel. En heeft hij haar in zijn greep en heeft ze geen keus. Misschien is er wel geen weg terug. Of heeft ze last van een soort Stockholm-syndroom. Veel vragen. Weinig antwoorden. ‘Maar oké meisje, ik zie je zo. Ik ga eerst iets drinken. Goed?’ ‘Oké, doei.’ ‘Doei…’ Ik draai me om en loop langs Villa Tinto, House of Pleasure, richting het Falconplein. ‘Als je het over de duvel hebt…’ mompel ik. Daar komt die verrekte pooier aangelopen. Onze blikken kruisen. Automatisch grijp ik naar mijn stiletto in mijn jaszak. Het lijkt er op dat hij poolshoogte komt nemen, en ik merk aan zijn blik dat ik geen onbekende meer voor hem ben.  Vooral stoer blijven kijken vriend, denk ik bij mezelf als we elkaar passeren. Een paar tellen later draai ik me om en loop onopvallend achter hem aan. Hij loopt richting het raam van Carmen. Als hij er voorbij loopt zie ik haar naar hem glimlachen. Het is dezelfde lege glimlach als naar voorbijlopende hoerenlopers, alleen leek er ook iets van een verwijt in te zitten. En die gast loopt even onverschillig door als hij eraan kwam gelopen. Ik duw de gammele deur van De Zevende Hemel open. En nog voordat ik mijn jas over de kruk met de ondefinieerbare vlekken heb gehangen staat mijn rumcola al klaar. Ik hoef geen woord meer te zeggen. Ze kijken me niet eens meer aan. Alleen het briefje van twintig euro wordt onder de blacklight aan inspectie onderworpen. Ik vraag of ze wat losse euro’s terug hebben. Voor in de jukebox. Terwijl ik een slok neem schiet het beeld van die pooier weer door me heen. Ik weet wel een oplossing. Net als in  True Romance met Christian  Slater. En dan Carmen als Alabama. Ik grijns. Dat zou mooi zijn. Ik neem een flinke slok. ‘...Roxanne, you don’t have to put on the red light those days are over, you don’t have to sell your body to the night...’ Als ik later die avond naar haar toe ga, zie ik tot mijn grote teleurstelling dat ze er niet meer is. En als ik haar de weken daarop ook niet meer zie, begin ik me zorgen te maken. Die pooier zal haar toch niets aangedaan hebben? Ze is toch niet door mij in de problemen gekomen? Had ik haar niet moeten bellen? Maar ze gaf me toch haar telefoonnummer? Ik word al misselijk als ik er aan denk wat er gebeurd kan zijn. Ik had die gast gewoon...

‘…You do something wonderful, then chase it all away…’

- Paul Weller -

Een koude avond in januari. Ik staar door de beslagen ramen van het café naar de knipperende neonlichten van Erosworld er tegenover. Op de achtergrond klinkt de Golden Earring.  Radar Love. …When I’m lonely and I’m sure I’ve had enough… She sends a comfort coming from above…’ Zou ze ook wel eens aan mij denken, vraag ik me af terwijl ik een slok neem. Daar zou ik nog wel mee kunnen leven… Dat ze af en toe met een glimlach aan me denkt. Je kunt tenslotte niet alles hebben in dit leven. Maar misschien is zelfs dat teveel gevraagd. Het is gewoon niet iedereen gegund. Punt. Doe je niets aan. Maar dan. Later die avond. Ik krijg bijna de schrik van mijn leven als ik haar zie staan. Ik ben zo opgelucht dat ik bijna door mijn knieën zak en de Heer dank. Zou het dan toch…? Radar Love? Nu ziet ze mij ook. Zwaait, wenkt. Ik snel naar haar toe. Wil haar eigenlijk omhelzen maar ze staat met twee andere meiden wat te drinken. ‘Hé schoonheid,’ zeg ik met een zucht van verlichting als ze de deur heeft open gedaan. ‘Hé, ik kom met je mee,’ zegt ze. Ze moet haar stem verheffen om boven de muziek uit te komen. Maar omdat ze alledrie duidelijk in een vrolijke stemming zijn, en ik die niet wil verstoren, en ze ook nog haar gewone kleren aan heeft, zeg ik: ‘Nee, meisje hoeft niet, ik ga eerst wel iets drinken.’ ‘Nee-ee,’ zegt ze terwijl ze de deur opent, iets tegen haar vriendinnen roept, om even later met me mee te lopen naar de overkant van de straat, waar ze altijd werkt. Enigszins verbaasd nagekeken door haar twee collega’s en de nieuwsgierige mannen op straat, loopt ze voor me uit, gekleed in een halflange beige winterjas met bontkraag en een spijkerbroek. In haar hand heeft ze een plastic bekertje. Zie ik haar toch nog een keer met kleren aan, denk ik bij mezelf, als ze de deur van het slot draait en naar binnen stapt. Als we binnen staan beantwoord ze mijn vragende blik met: ‘Ik was jarig gisteren.’ ‘Jarig?’ ‘Ja… Ik vier het eigenlijk allang niet meer, alleen hier met de meiden drinken we een beetje Champagne.’ Ik loop achter haar aan de trap op. Aangekomen in de halfdonkere kamer ga ik op bed zitten en kijk hoe ze haar jas uittrekt. Tot mijn verbazing heeft ze er alleen een gele bikini onder aan. Haar tepels zijn door het rode licht dat van bovenaf op haar schijnt duidelijk zichtbaar. Deze aanblik overvalt me zo dat ik onwillekeurig en diep ‘Oooh…’ zucht. ‘Koud hier…’ zegt ze. ‘Valt wel mee toch? Volgens mij ben je gewoon blij om mij te zien.’ ‘Haha, ja dat zal het zijn,’ antwoord ze met verlegen blik. Als ze ook haar broek heeft uitgetrokken loopt ze op blote voeten naar het bed en neemt nog een slok uit het plastic bekertje. ‘Hier, proef ‘ns, ‘ zegt ze. Ik neem een slok. ‘Ja, lekker.’ Je verjaardag vieren met Champagne uit een plastic bekertje, terwijl je diezelfde avond nog een stuk of acht hijgende mannen over je heen krijgt… Meisje, meisje meisje… Wat een leven. ‘Als ik geweten had dat je jarig was had ik een cadeautje voor je meegebracht,’ zeg ik zachtjes. ‘Weer een cd-tje zeker,’ antwoordt ze. ‘Nee, ik kan niet aan de gang blijven. Zeg maar wat er op je verlanglijstje staat.’ ‘Een BMW Z3.’ ‘Oké… Ik kan er wel eentje voor je jatten.’ ‘Jij wel.’ ‘Nou, daar zul je…’ ik maak mijn zin niet af, ‘Zolang je me maar komt opzoeken in de gevangenis.’ Voor jou zit ik een levenslange gevangenisstraf uit met een glimlach op mijn gezicht, denk ik bij mezelf. ‘Oké, doe ik.’ ‘Maar waar was je nou? Ik heb je maanden niet gezien.’ Dat ik me vreselijke zorgen had gemaakt, zei ik maar niet. Ze had eigenlijk willen stoppen, vertelt ze me. En dat ze weer begonnen is mag niemand weten. Haar familie al helemaal niet. ‘Maar ik vind het moeilijk. Ik kan moeilijk liegen.’ Ja, meisje dat vind ik nou een van die mooie dingen aan je. En even later vraagt ze of ik gisteren toevallig die film heb gezien, en vertelt dat ze er om moest huilen en dat ze niet meer kon stoppen. ‘Ken je dat?’ vraagt ze. Ik knik alleen maar. Ik slik. Een week later. Het is vandaag nog een keer ‘Alles of niets’. Het spel dat ik al zo vaak gespeeld heb. Ik heb van mijn laatste centen enkele cadeautjes gekocht. De huisbaas moet maar een paar weken wachten op zijn geld. En ik heb me weer moed in moeten drinken. ‘Alsjeblieft meisje,’ zeg ik, als ik haar de cadeautjes overhandig en een stevige kus op wang geef, ‘nog gefeliciteerd.’ Ze probeert het zorgvuldig ingepakte pakketje los te peuteren. Lukt niet meteen. ‘Laten inpakken zeker?’ ‘Nee hoor, zelf gedaan.’ Als ze ziet wat er in zit, is ze eerst verbaasd en begint dan te lachen. ‘Anti-rimpelcrême, anti-cellulitus… Dankjewel hoor,’ en ze geeft me een stomp. ‘En dat is voor na de sex,’ zeg ik als ze ook de pleisters heeft uitgepakt, ‘Voor de afwijzing, weet je nog?’ Als ik mijn jas uittrek en me half omdraai zie ik dat ze de pleisters in de vorm van een kruis over haar tepels heeft geplakt, zoals je wel eens ziet in videoclips op MTV met teveel bloot. Tja… ze is ook nog schattig en creatief. Als ze me ziet wankelen terwijl ik mijn schoenen uittrek, zegt ze: ‘Heb je gedronken of zo?’ ‘Ja meisje, moest wel.’ ‘Moest wel? Hoezo dan?’ Ik ben op van de zenuwen. Dit is het moment. Ik hoor niet eens wat ze nog meer zegt. Ik heb mijn blouse uitgetrokken en draai me nu quasi-nonchalant naar haar om. Ze zit op bed en ik zie dat ze naar het T-shirt kijkt. Ze valt stil. Dan kijkt ze weg. Zegt niets meer. ‘Heb je het nou gezien?’ vraag ik. Ze knikt alleen maar. ‘Het is maar dat je weet,’ zeg ik, om de situatie niet nog ongemakkelijker te laten worden. Zo’n oorverdovende stilte had ik niet verwacht. Ze kijkt me nog steeds niet aan en wrijft zenuwachtig met haar hand over een van de rode hartvormige kussentjes die naast haar op bed liggen. Op het witte shirt staat in mooie zwarte letters gedrukt: Schoonheid, ik doe alles voor je… Misschien denkt ze nu terug aan het moment dat ze zelf nietsvermoedend die woorden sprak tegen haar vriend, van wie ze toen nog niet wist dat het gewoon een pooier was? Of komt het te dichtbij en klapt ze dicht? Gelooft ze het niet? Schieten er bij haar nu duizend redenen door het hoofd waarom het niks kan worden? Of wil ze me gewoon niet…? ‘Ik wil dat je weggaat,’ zegt ze terwijl ze opstaat zonder me aan te kijken. Ze pakt de handdoek van het bed, de condooms en de tube glijmiddel van het nachtkastje, stopt die in haar handtas en zegt: ‘Wat moet ik met jou? Ga alsjeblieft weg!’. Die woorden detoneren in mijn hoofd. Een regenachtige avond. Ik ben al tijden niet meer naar mijn werk geweest en de huisbaas is komen zeuren waar zijn geld blijft. Ik zwerf nu zowel ’s nachts als overdag verweesd door de straten van Antwerpen. Afgewisseld met eenzame zuippartijen in De Zevende Hemel. Want ze is verdwenen. Het gordijn is al weken dicht, en de lamp is uit sinds die bewuste avond in januari. Er hangt alleen een zwart plakkaat op het raam met daarop in fel oranje letters Te Huur en een telefoonnummer. Haar afwijzing heeft een gevoel losgemaakt dat ik heel mijn leven al heb geprobeerd te onderdrukken. Het kost me steeds meer moeite. En steeds meer rum. De laatste uren van de nacht. Het begint te miezeren. Ik strompel door verlaten straten. Linksaf. Rechtsaf. Rechtdoor. Zomaar. Doelloos. Je houdt ellende alleen maar vol als je bewust of onbewust de hoop hebt dat het ooit, ergens, beter wordt. Ergens. Ooit. Ik heb een glimp opgevangen van hoe het zou zijn. Zou kunnen zijn. Hier en nu. Maar ergens, ooit, is definitief veranderd in nergens, nooit. ‘Carmen…’ Het mooiste meisje van allemaal. Ze had alles weer goed gemaakt. De Beledigingen. Eeuwen van eenzaamheid. Het Verraad. Ik zou alles vergeven en vergeten. Ik zou ook alles voor haar hebben gedaan. Alles. ‘Waarom nou niet, meisje?’ mompel ik. Maar ik weet dat ik voor een antwoord op die vraag eigenlijk niet bij haar moet zijn. Altijd als ik haar voor me zag, verscheen er een glimlach op mijn gezicht. Dit keer niet. Ze heeft mijn lot bezegeld. Zonder het zelf te weten. Aan het einde van de steeg zie ik licht schitteren op natte tegels. Even later loop ik over de granieten tegels van de brede winkelstraat De Meir, met de fel verlichte etalages en schreeuwende reclame. Er spookt nog maar één gedachte door mijn hoofd. ‘Niemand houdt van mij…’ mompel ik. Ik zie mijn spiegelbeeld reflecteren in de ruit van een onverlichte etalage en wend mijn blik meteen af. ‘En niemand heeft ooit van mij gehouden…’ De verlichte etalages zie ik niet meer. De kou voel ik niet meer. Ik voel niets meer. Geen verdriet. Geen pijn. Niets. Ik loop rechtsaf een steeg in, het duister in. Met mijn laatste krachten trap ik hard tegen het lege colablikje dat voor me ligt. Met stuiterend kabaal komt het tot stilstand tegen het voorwiel van een verroeste fiets even verderop. Een hond begint te blaffen. Het geluid sterft weg en laat me alleen achter. Na nog een paar passen blijf ik stilstaan tegen de achtergevel van een bankgebouw. Dan gebeurt het. Een flits, een knal. Bijna gelijktijdig. Ik zak door mijn knieën. Hoofd in mijn handen. En ik voel dat ik niet meer op zal staan. Hier in deze steeg, aan het einde van deze nacht houdt alles op te bestaan.

Dit is einde verhaal.